De verzoening in de theologische discussie*)
*) Dr. H. Wiersinga: De verzoening in de theologische discussie, ing. 225 blz- Prijs f 15,75. Uitgave Kok, Kampen.
Met dit proefschrift behaalde dr. Herman Wiersinga de graad van doctor in de theologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Promotor was prof. dr. G. C. Berkouwer.
Dit boek benadert de verzoeningsleer vanuit het woord en begrip: satisfactie (genoegdoening), dat zo'n grote rol speelde en speelt in de poging de ieer der verzoening te verstaan.
Vandaar dat de auteur na een inleiding over de actualiteit van dit onderwerp de satisfactie telkens verbindt met een aspect van de leer der verzoening. Tweemaal staat achter deze verbinding een vraagteken; Satisfactie aan de toorn Gods? en: Satisfactie aan de gerechtigheid Gods? De daarop volgende verbindingen staan zonder vraagteken: Satisfactie en Middelaar; satisfactie en offer en satisfactie en Middelaar; satisfactie en offer en satisfactie en verzoening.
In de inleiding wordt ons een overzicht geboden over de stand van zaken op dit ogenblik. Onder 'Begrenzing en Opzet' wordt ons meegedeeld, dat de indeling niet wordt gemotiveerd door de bijbelgegevens of een opzet, die ontleend wordt aan bepaalde dogmahistorische figuren en personen of perioden. Uiteraard is dr. Wiersinga vrij om een dogmatische studie op te zetten naar een methode, die hem het meest geëigend voorkomt, maar ik vind het bijzonder jammer, juist in een tijd, waarin op de exegese en de bijbelse theologie zo de nadruk gelegd wordt, dat hij niet begonnen is ons de Schrift te openen in haar eenheid van O.T. en N.T. Ik hoop niet, dat ik de schrijver onrecht doe, wanneer ik stel, dat de Schrift in deze studie terzijde aan de orde komt, hoe indringend hij ook met bepaalde schriftplaatsen bezig geweest is.
De tweede opmerking, die mij vooraf van het hart moet is, dat hij zozeer gevangen is door het huidige schriftverstaan, dat de eigenheid, de eenheid en, de ongebrokenheid van de Schrift niet tot haar recht komt.
De schriftcritiek — zij het in gematigde vorm — is één van de achtergronden van deze studie. Dit blijkt op vele plaatsen, waarop ik nog wel terugkom.
De derde opmerking, die mij vooraf van het hart moet, is, dat in de dogmahistorische overzichten Calvijn weliswaar een en andermaal ter sprake komt, maar dat het een uitzondering op de regel is, wanneer Calvijn zelf voluit aan het woord komt. Na de tweede opmerking valt mij dit het zwaarst op de maag, omdat het bekend is, dat Calvijn aparte hoofdstukken gewijd heeft aan de grote controvers met Socinus over het dubbel aspect van de verzoening: de verzoening als gave van God en de verzoening als eis van God. Naar mijn mening is er in het geheel van de kerkgeschiedenis niemand geweest, die dieper, geestelijker, evenwichtiger met deze 'knoop' is bezig geweest dan Calvijn. Natuurlijk wil ik daarmee niet beweren, dat dr. Wiersinga het met Calvijn eens moet zijn (al vind ik het jammer, dat dit niet zo is), maar ik meen dat een proefschrift van formaat en dat in de gereformeerde traditie staat, er niet omheen kan de inzichten van Calvijn veel breder te vermelden en de door hem op tafel gelegde argumenten te weerleggen. En dat is niet gebeurd. Ik vind dit een groot gemis.
Na deze opmerkingen vooraf: de inhoud. In hfdst. 2 komt de vraag aan de orde: Satisfactie aan de toorn Gods? Deze vraag blijkt samen te hangen met de vraag naar de godsvoorstelling. Wat er ook door de oudere kerkvaders over de toorn Gods is gezegd en geleerd, vanaf Luther gaat de toornende God theologisch functioneren. Aan de machten van zonde, dood en duivel voegt Luther de toorn en de wet toe. Luther wil niet van legalisme weten, maar wel van het recht Gods.
Calvijn ziet de uitspraken over Gods vijandschap en vloek aangepast aan ons begrip, maar daarom niet onjuist. Christus verwerft voor ons gunst tot stilling van de toorn Gods.
Eenzelfde geluid geven de drie formulieren van enigheid. Een ander geluid geeft de nieuwere theologie. Kort gezegd blijkt God Zelf het subject van de toorn te zijn; Zijn toorn is gemotiveerd door de menselijke zonde en Gods toorn blijkt de keerzijde te zijn van Zijn liefde. Op de vraag of de toorn van God door offers tot bedaren wordt gebracht, onderscheidt de auteur lagen in het O.T. Teksten als Num. 17 : 11, 2 Sam. 24; Ps. 78 : 38 als ook 1 Sam. 26 : 19 zijn volgens de auteur niet in verbinding te brengen met de centrale voorstelling van de profeten.
Dit noem ik nu een kwalijke zaak. Teksten, pericopen, geschiedenissen (en zij zijn uit te breiden!), die niet passen in het kader van wat de auteur noemt de centrale voorstelling van de profeten, worden afgedaan met de opmerking, dat zij blijk geven van een vroeg stadium en dat zij behoren tot de omtrek van het O.T. Ongetwijfeld zijn er moeilijkheden in de verklaring. De veel gesmade harmonisatiepogingen (d.w.z. pogingen om de gegevens van de Schrift in onderlinge harmonie te brengen) — hoe gebrekkig ook en soms hoe ontoereikend ook — verraden meer eerbied voor de Schrift dan uit deze opmerkingen van dr. Wiersinga blijkt. Hier gaapt een kloof tussen de auteur en het belijden van de reformatie van vroeger en van nu.
Dit geeft ook een diepe twijfel ten aanzien van de resultaten en conclusies, waartoe dr. Wiersinga komt. Want ge vraagt u telkens af: Is dit de Schrift? Is dit de gehele Schrift? En dan is het antwoord: neen!
Verder komt dé vraag aan de orde: Heeft Jezus de toorn Gods gedragen? Volgens dr. Wiersinga heeft Jezus wel de zonden gedragen, maar niet de toorn Gods. De teksten over de beker, die Jezus te drinken kreeg, worden in verband gebracht met het lijden van de discipelen, waarbij het unieke en onherhaalbare van de worsteling van Christus in Gethsémané wordt tekort gedaan. Ook de tekst over de god verlatenheid wordt losgemaakt van de toorn. Vooral de behandeling van Gal. 3 : 13: en vloek geworden voor ons, roept ernstige bezwaren op. 'Het kan ons niet ontgaan dat het hier een 'gewaagde' uitspraak van Paulus betreft, zonder parallel in het N.T.' schrijft de auteur. Wij vragen: met welk recht gaat de schrijver uitmaken wat al of niet gewaagde uitspraken van Paulus zijn? Is dit niet een stukje willekeur? Volgens zijn verklaring is Christus niet een vloek geworden voor God, maar voor de mensen. Dat laatste zal waar zijn, maar het eerste te elimineren noem ik een aantasting, van het hart van het Evangelie. De conclusie van dr. Wiersinga is, dat nergens(? ) in het Evangelie gezegd wordt, dat Jezus de toom van God gedragen heeft.
Dan zit het er dik in, dat Hij ook de toorn Gods niet gestild heeft.
In hfdst. 3 komt de vraag aan de orde: Satisfactie aan de gerechtigheid Gods?
Het is te verwachten, dat Anselmus hier breedvoerig wordt geciteerd. Het is opvallend, dat Anselmus bijna uitsluitend gelezen wordt vanuit de God van de rechtsorde en zo weinig vanuit het heilsplan van God gericht op de hemelse stad, waarvan het getal van de burgers vol moet worden krachtens de genadige wil van God (dr. Lekkerkerker in Kerk en Theologie, blz. 181). Was Anselmus een jurist in de kwalijke zin van het woord? Welke ontsporingen er ook door een ontledigend stelsel, dat latere en mindere goden van hem gemaakt hebben, geweest zijn, nooit valt te verwaarlozen, dat Anselmus gelovig wilde nadenken over het wonder van het Evangelie.
Zeker, dr. Wiersinga vermeldt deze elementen, maar zij functioneren niet in zijn betoog.
Is het waar dat bij het staan van God op Zijn eer moeilijk aan iets anders te denken valt dan aan egocentrische zelfhandhaving? Is het waar, dat de Satisfactor verdwijnt achter de satisfactie? Dat Anselmus het bijbelse woord gerechtigheid niet volledig heeft benut, zal waar zijn. Maar is daarmee het gewicht van zijn bedoeling (de hoge majesteit Gods, de ontzettende last van de zonde en het middelaarschap van Christus) uit de verf gehaald?
In dit verband passeren de opvattingen van Luther, de Lutherse orthodoxie, Calvijn en de gereformeerde belijdenisgeschriften. Het valt mij telkens op, dat de reformatoren zelf zo weinig aan het woord komen, maar dat behoudens een enkel citaat onmiddellijk de commentatoren op Calvijn en Luther worden aangehaald.
Dit is in een opmerking vooraf reeds vermeld. Maar hier liggen de bewijzen voor het grijpen, dat dr. Wiersinga hen nauwelijks aan het woord laat komen, laat staan uitspreken. Waarom moet bij Calvijn's zienswijze voortdurend het woord gegeven worden aan de r.k. theoloog De Kroon? Polman krijgt enkele regels toegemeten.
De conclusie bij Calvijn is dan ook, zoals de promovendus bij zijn methode van behandeling reeds doet vermoeden! 'Calvijn laat het beeld van God als garant van Zijn eer 'retoucheren" opfrissen, verfraaien) door het godsbeeld van de liefdevolle Vader, die Zelf voor de noodzakelijke vervanging zorgt.
Wie de bijbelse argumentatie van Calvijn kent en weet hoe consciëntieus Calvijn alle schriftgegevens poogt recht te doen, is eenvoudig ontsteld over de uitdrukking 'retoucheren'. Alsof Calvijn inzake de satisfactie zich niet heeft laten leiden door een zeer nauwkeurige exegese en een jarenlange omgang met de Schrift! Dat de belijdenisgeschriften één voor één aan het 'gevondene' gemeten niet voldoen, staat op deze manier reeds bij voorbaat vast.
In de paragraaf over de nieuwere theologie krijgen wij de meningen van Ritschl, Kuyper, Bavinck, Aulén, Brunner, Earth, Korf f, van Oyen, K. Strijd, Kromsigt, Smelik, Van Ruler, Lekkerkerker en Polman. Verder Van der Zanden, Berkouwer en de nieuwere kerkelijke documenten.
Na deze weergave van meningen komen de bijbelse gegevens. Het woord gerechtigheid betekent in de bijbel inderdaad niet in de eerste plaats de strafeisende gerechtigheid, maar de trouw in het verbond. Bavinck heeft dit reeds gezien en erkend. Maar afgezien van het feit, dat Bavinck goed wist dat dit woord gerechtigheid ook in de vergeldende zin gebruikt kan worden, hoewel hij persoonlijk ook de voorkeur gaf aan het gebruik van woorden als de heiligheid of de toorn Gods, er blijven schriftplaatsen over waar het woord gerechtigheid meer betekent dan de trouw in het verbond.
Wanneer het alleen ging om de vervanging van het woord gerechtigheid door een ander bijbels woord, is er geen bezwaar te maken. Maar helaas verdwijnt met het woord gerechtigheid ook de vervlochtenheid aan de Wet, enz. Wiersinga wil niet weten van een vergeldende gerechtigheid. Al te vlot wordt de vergelding b.v. in de Spreuken aan God toegeschreven, schrijft hij. Vriezen spreekt nog van een ambivalent karakter van het woord gerechtigheid, maar dat kan volgens Wiersinga niet. Het moet voor alles het heil waarborgen. Dat daarna allerlei teksten worden geëxegetiseerd van uit dit 'heilsdogma' verbaast niet. Men leze de blz. 81 e.v.
In hfdst. 4 gaat de schrijver in op het verband van de satisfactie en de middelaar. Na een dogmenhistorische schets worden de middelaars in het O.T. behandeld. Ik heb mij verbaasd over de opmerking op blz. 97, dat in Gen. 18 de ene engel (de Engel des Heren) opeens wisselt met drie engelen en dat daaruit de conclusie getrokken wordt, dat we daarom minder gewicht behoeven te hechten aan 'de' engel des Heren naast engelen in het meervoud. Terloops gaat de auteur in dit hoofdstuk in op de Knecht des Heren van Jesaja 53. Ook hier wil hij niet weten van plaatsvervanging.
Dan volgt een brede uiteenzetting van de Middelaar van het N.T. als God en als mens. De conclusie is, dat de satisfactiegedachte niet past in de middelaarsrol van Jezus, die zowel God als de mens vertegenwoordigt, maar niet 'vervangt'. Het woord 'plaatsvervanging' valt. 'Christus doet genoeg, niet in mindering op onze activiteit, maar als prikkel van onze activiteit’.
Wat krijgen wij ervoor in de plaats? Dat Christus de 'Eersteling' is. Dat is een bijbelse gedachte, maar niet in tegenstelling met de plaatsvervanging. De vraag rijst: waarin ligt dan het unieke van Jezus? Hoor het antwoord: 'Het unieke ligt niet in de 'menselijke gestalte' (waarmee de 'goddelijke natuur' zich verbindt) als zodanig'. Dan volgt een citaat van Kuitert: 'Het nieuwe ligt.. . veeleer in de zichtbare verschijning van Gods bondgenootschappelijke gestalte: dat wil zeggen in Zijn werk maken van het bondgenootschap!’
Naar deze zinnen heb ik een hele tijd zitten kijken. Ik kan hier in deze bespreking niet ingaan op 'het zichtbaar worden van Gods bondgenootschappelijke gestalte'. Ik zat maar steeds te denken aan het woord van Paulus: Want de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees...
God in het vlees is nog iets anders dan een bondgenootschappelijke gestalte en nog iets anders dan een vertrekpunt. Gaat de gehele geschiedenis met de nodige nuances heilsgeschiedenis worden? Is Wiersinga daarom zo gesteld op een 'vertrekpunt’?
In hfdst. 5 worden wij onderwezen in het verband tussen satisfactie en offer. Dat is een tere verhouding. Tot nu toe vond dr. Wiersinga geen verband tussen de satisfactie en de toorn en de gerechtigheid van God, ook niet met die van de Middelaar. Wel met het offer?
Hier moet de Schrift gaan spreken. Maar voordat de Schrift gaat spreken wordt een deel van de Schrift buiten spel gezet. Bij de 'restanten' worden gerekend de vele bloedriten (met name het bloedstrijken langs de deurposten bij het pascha: een demonenwerende handeling), ook de teksten, die Vriezen tot de 'voorcritische voorstellingsreeks' rekent: het gladstrijken van het aangezicht van Jahwe in 1 Sam. 13 : 12 en Mal. 1:9; de tot bedaren brengende geur van het offer in Gen. 8 : 21 e.a.; de 'soldatentheologie' van 1 Sam. 26 : 19 en het plaagwerend offer op de dorsvloer van Arauna 2 Sam. 24; de voldoening of de, genoegdoening in zeer materiële zin als plaatsvervanging in 2 Sam. 21 : 3 waar het bloed van 7 prinsen Sauls bloedschuld tegenover Gibeon moet vereffenen. Evenzo is het moeilijk schrijft dr. Wiersinga om bij de wegzending van de zondebok in Lev. 16 niet te denken aan een terzijdestelling door het gewerkte werk. Dan volgt de specifieke en normatieve visie op het karakter van het offer door de profeten.
Met grote tegenzin heb ik dit hele verhaal overgenomen. Opnieuw is mij duidelijk geworden, dat het in dit boek niet zozeer gaat over de vraag: wat leert dr. Wiersinga over de verzoening, maar veeleer: wat leert hij over de Schrift? Wie alle gegevens over het gladstrijken van het aangezicht van Jahwe, over de inwerking van het door God gestelde en aangewezen offer en de uitwerking daarvan op God Zelf bij voorbaat buiten spel zet, verminkt de Schrift. Zijn conclusies zullen dan ook verminkt zijn. Dan is de uitdrukking: het offer is geen 'Godsdienst' maar 'mensendienst' te verstaan. Dan heeft het offer geen spits meer op God, maar op de mens.
Dat het offer van Christus dan ook eenlijnig geduid wordt is ook te verstaan. 'Christus' gehoorzaamheid is niet 'verdienstelijk' of 'plaatsvervangend' maar het 'specifieke' van Jezus' gehoorzaamheid ligt in het totale daarvan. Zijn gehoorzaamheids-offer veranderde en verandert mensen van ongeschokten in bekeerden, van weglopers in navolgers' (blz. 145). Ziedaar het resultaat. Christus' offer is Gods gave aan de mensen, maar geen genoegdoening aan God.
Eenzelfde behandeling wacht het bloed van Christus. Het voor u vergoten bloed is niet het offer voor God en aan God, maar een schok om ons te bekeren van onze bloedige existentie.
Ook de teksten over losprijs, loskopen worden uit het juridische of het finan ciëlekader gehaald. Letterlijk zegt Wiersinga: 'Jezus die zelf elk 'ruilgeld' aan God onmogelijk achtte zal met de losprijs van zijn leven in beeldtaal hebben willen zeggen hoe duur het Hem te staan kwam'. Deze zin is veelzeggend. Let op het: 'in beeldtaal' en: 'zal hebben willen zeggen’.
Dat er dan ook geen sprake kan zijn van schuldoverdracht is ook duidelijk. Wiersinga erkent, dat het woord dragen in oorsprong wel betekend zal hebben: verdragen en wegdragen. Maar dat is dan een magische voorstelling, die nog te zien is in het ritueel van de zondebok, die 'al hun ongerechtigheid op zich draagt naar een onvruchtbaar land' (Lev. 16 : 22). Wie zo met Gods Woord omspringt en naar eigen believen over een magische sfeer kan spreken, heeft schijnbaar gelijk, maar heeft het Woord Gods tegen zich.
Op een dergelijke wijze vergaat het ook Jes. 53.
Wanneer er staat: Het behaagde de Heer Hem te verbrijzelen, tekent de auteur aan: Het komt mij voor dat wij hier rekening moeten houden met het populaire 'vergeldingsdogma' dat elk constateerbaar lijden al te gemakkelijk en al te vanzelfsprekend aan Gods ingrijpen toeschreef. Daartegen polemiseert Jes. 53. Met welk recht?
De conclusie van dr. Wiersinga is: Jezus heeft onder de macht van de zonde 'solidair' meegeleden, het kruis is Hem door mensen opgelegd. Hij heeft de tegenspraak van zondaren verdragen. Geen schuldoverdracht, ook geen plaatsvervanging. De zonden worden weggedaan en een nieuw bestaan wordt geopend.
In het laatste hfdst. (6) wordt een poging gedaan een nieuwe verzoeningsleer op te bouwen. Eerst wordt het bijbels kader nagespeurd. Hier komt het 'moeten' van Christus breed aan de orde. De dood van Christus is niet door de Vader gewild. Zij zullen immers Mijn Zoon ontzien. De Vader wil het heil met het risico van de kruisiging. Dit is een vreemde leer en volstrekt in strijd met het Woord Gods, dat Christus naar de bepaalde raad en voorkennis Gods is overgeleverd. Natuurlijk kent dr. Wiersinga deze tekst ook. Hij verklaart deze wil als de heilswil van God en het overleveren als het uitleveren aan de mensen. Hij verabsoluteert een bepaalde trek uit een gelijkenis (zij zullen immers Mijn Zoon ontzien) en gaat aan alle andere schriftgegevens voorbij. Ook het moeten ondergaat eenzelfde behandeling. Het heil 'moet' van God, het kruis niet. Dat wij hier voor een afgrond staan, behoeft ons niet te verhinderen de Schrift na te spreken, dat Jezus uit de Schriften onderwees, dat Hij moest sterven, opstaan, enz. Let op dat 'uit de Schriften'. Wreekt zich hier niet, dat dr. Wiersinga de wil Gods beperkt tot de heilswil?
Tenslotte gaat dr. Wiersinga bouwstenen aandragen voor een nieuwe verzoeningsleer. Wanneer het op een kiezen aankomt tussen Abélard en Anselmus, staat hij heel dicht bij Abélard zonder zich met hem te vereenzelvigen. Er zijn 8 verzoeningstypen, zodat hij uitkiezend tewerk kan gaan. Tot de bouwstenen rekent hij de leer van Barth, dat de verzoening tóen en nu een eenheid is en dat de plaatsvervanging verbeterd kan worden door het woord vertegenwoordiging. Verder: verzoenen betekent, dat Christus' liefde daarover niet meer gesproken wil hebben, dat Hij het aan Zich laat begaan en zo de mensen met God verzoent, door hen namelijk hierdoor tot inkeer en omkeer te brengen.
De geschiedenis dient zeer serieus genomen te worden. Gods deugden blijken Gods daden te zijn in de geschiedenis. Verder is het verbondskader van grote betekenis. Gods werk is herstel van de' relatie.
Ook is de heilsgeschiedenis een voortgaande geschiedenis. De verzoening is nog niet af. Het gebeuren op Golgotha en het gebeuren nu vallen wel niet samen, maar liggen wel in dezelfde lijn van de geschiedenis. De prediking van de verzoening geeft een schok, dat is de bekering. Tenslotte geeft dr. Wiersinga een verbinding van de verzoening met het strafrecht, de uitwerking voor de verhouding met de naaste en de naasten (de volkeren) en eindigt met een paragraaf over de verstaanbaarheid.
Wat mij het meest getroffen heeft is de begeerte van dr. Wiersinga de verzoening te stellen in de context van het dagelijks leven. Anders gezegd: de verbinding van de dogmatiek met de ethiek. Dat is een door en door bijbelse zaak. Vanuit deze hang naar een gepractiseerde verzoeningsleer in de navolging van Christus, rijst de vraag: Is het de verkilling van een bepaalde orthodoxie, die dr. Wiersinga deed gaan in de richting van Abélard? Daarover wil ik niet speculeren, maar de vraag rijst bij het lezen van zijn werk steeds meer op.
Ik ben mij bewust in de bespreking scherp geweest te zijn. Dat moet kunnen omdat ik met de hele gereformeerde traditie (en niet alleen de gereformeerde!) in opstand kom tegen deze behandeling van de verzoening.
Dr. Wiersinga heeft met dit proefschrift de doctorsgraad gehaald, maar hij weet als ieder ander, dat deze zaak geen academische kwestie is, maar het hart van het evangelie raakt. Het raakt daarom ook het hart van de kerk. En zouden wij dan niet, wanneer wij in de Hervormde Kerk al zovele jaren worstelen met deze vragen, moeten en mogen reageren op een voorstelling van de verzoening, die tekort doet aan de dubbelheid (niet in dialectische zin, maar in de calvinistische zin!) van een God die het offer geeft en die het offer eist?
Wij hebben ons niet te bemoeien met de zaken in de Geref. Kerken. Als Hervormden zijn wij stomverbaasd, dat op de V.U. — ontstaan uit de worsteling met allerlei afwijkingen — dit geleerd mag worden.
Het is ons onbegrijpelijk, dat dit proefschrift verscheen onder de promotor prof. dr. G. C. Berkouwer.
Dat is een stuk familieleed, omdat wij komen van dezelfde stam.
Bernard van Clairvaux heeft van Abélard gezegd: 'De glorie van de Verlossing heeft hij niet gesteld in de prijs van het bloed, maar in de vorderingen van onze levenswandel’.
Helaas past dit oordeel grotendeels ook op dit werk van dr. Wiersinga.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's