Abortus II
Wat zegt de bijbel?
In de Bijbel wordt over opzettelijke vruchtafdrijving niet gesproken. Wel ademt de Heilige Schrift een geest van respect en eerbied en diepe bewondering voor het menselijk leven, niet alleen voor het leven na de geboorte. Men denke in dit verband aan Psalm 139 : 13-16: Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt. Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uwe werken: ook weet het mijn ziel zeer wel. Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben en als een borduursel gewrocht ben in de nederste delen der aarde. Uw ogen hebben mijn ongevormde klomp gezien.' En in Jeremia 1 : 5 wordt gesproken: Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd'. Mevrouw dr. J. W. Vinke-Herfst heeft erop gewezen dat Christus in Mattheus 18 de kinderen tot zich roept en er voor waarschuwt 'de kleinen' niet te verachten. Tot deze 'kleinen' behoren evengoed de ongeborenen die door een abortus belet zouden worden langs de aardse levensweg tot het geloof in en de gemeenschap met God te komen.
Het klompje cellen dat uit de baarmoeder verwijderd wordt is ontstaan na de versmelting van een zaadcel met een eicel. De bevruchte eicel schijnt alle individualiteit te ontberen, het lijkt een simpele structuur te bezitten. Maar in deze bevruchte eicel ligt een enorme hoeveelheid informatie opgeslagen in de chromosomen, de dragers van de erfelijke eigenschappen. Vanaf de bevruchting is dit chromosomengarnituur typisch menselijk, in code ligt vast dat zich uit deze eicel alleen een mens kan ontwikkelen, het houdt de belofte in van een nieuwe, unieke mens. Vijf tot zes dagen na de bevruchting begint de innesteling van de bevruchte eicel in het baarmoederslijmvlies, een proces dat ongeveer een week duurt, waarna de verdere ontwikkeling op gang komt. Op het moment dat de vrouw er in het algemeen van overtuigd is dat de menstruatie uitblijft, is de jonge kiem ingenesteld. Ongeveer 10 dagen later, dat is 3 a 4 weken na de bevruchting, begint reeds de vorming van het zenuw-en bloedvatenstelsel en tonen twee zwarte puntjes aan het hoofdeinde de plaats waar de ogen gevormd worden. De vrucht zelf is dan 4 a 5 mm. groot. Vanaf de zevende week is er uiterlijk geen twijfel meer over dat het een menselijk wezen gaat worden (dr. A. J. H. Thiadens). En al heeft de menselijke vrucht dan in deze eerste weken in bepaalde stadia overeenkomsten vertoond met ontwikkelingsstadia van bepaalde diersoorten, de lijn van de ontwikkeling was reeds vanaf het begin uitgestippeld.
Als we over de zich ontwikkelende eicel en kiem niet als over menselijk leven, weliswaar nog niet volledig ontwikkeld, maar wel begonnen, mogen spreken dan rijst de vraag: wanneer mogen we dat wel? Is er ergens anders in de ontwikkeling nog een moment dat zo bepalend is voor de ontwikkeling? Er zijn genoeg overgangsfasen in de menselijke ontwikkeling waar men een grens kan leggen. Men zou dan kunnen zeggen: 'als de eerste organen zich ontwikkelen' of 'als activiteit van de hersenen aantoonbaar wordt' of 'als de moeder het leven voelt' of 'na de geboorte, als het direct zichtbaar wordt' of 'als het zich als verstandelijk wezen kan uiten' of 'als het puber geworden is'. Ten aanzien van de geboorte bv. is daartegenover opgemerkt: 'Natuurlijk, het kind is nu zichtbaar, maar ik had het al vóór die tijd gevoeld, gehoord, gemeten, gefotografeerd, bepalingen verricht over zijn stofwisselingsprocessen. Was het toen géén menselijk leven? ' (dr. P. E. Treffers). Dit geldt evenzeer voor de andere genoemde voorbeelden: was het leven vóór de aangeduide overgangsfase géén menselijk leven?
Opmerkelijk is dat, naarmate de wetenschap door haar onderzoek steeds meer bepaald wordt bij de enigheid en waarde van de bevruchte eicel (ook in verband met de mogelijkheid tot manipulatie met de bevruchting: kunstmatige bevruchting, spermabanken, babyvergunningen, het 'maken' van mensen in een reageerbuis), er een devaluatie is van de bevruchte eicel door de samenleving in het algemeen en door medici, theologen en juristen in het bijzonder.
We kunnen moeilijk ontkennen dat de zich ontwikkelende vrucht een, zij het eenvoudige vorm, van menselijk leven is. En dan rijst onherroepelijk de vraag: wanneer zijn we gerechtigd of verplicht dit zich ontwikkelend menselijk leven te doden.
Er wordt in de discussie dan wel gesteld dat de zich ontwikkelende vrucht nog geen volledig mens is en dat zijn belang dus altijd minder zwaar weegt dan dat van de moeder. Hiertegen valt aan te voeren dat het belang van de mens ook niet altijd zwaarder weegt dan dat van een ander levend wezen: we hebben niet eens het recht de irriterend blaffende hond van de buren te doden, en wie zal de moed hebben het 'belang' van het menselijk leven vast te stellen? Is het doden van een jonge volwassene dan erger dan het doden van een jong kind?
De opzettelijke vruchtafdrijving kunnen we alleen in beschouwing nemen als een capitulatie voor een situatie, die we, om welke reden dan ook, niet aankunnen, als een noodgreep. Abortus provocatus is derhalve geen teken van medische macht, het is een symptoom van menselijke onmacht, het is een uiting van machteloosheid en hopeloosheid. De mens blijkt ondanks de vorderingen toch niet in staat alle ziekten van lichaam en geest te genezen, allerlei psychische problemen aan te kunnen en vele maatschappelijke en financiële vragen op te lossen.
De totale gehoorzaamheid aan het door God gevraagde blijkt soms af te stuiten op de weerbarstigheid van de situatie. De machteloosheid van de mens kan zo tot een capitulatie dwingen. De omstandigheden waarin we verkeren, de mensen met wie we te maken en te rekenen hebben, maken het soms onmogelijk zo gehoorzaam te zijn als we ons in ons geweten verplicht voelen (prof. dr. W. H. Velema) We hebben de plicht (en dat niet alleen de artsen!) het dreigend onheil van de moeder af te wenden en we hebben de plicht het beginnend leven de mogelijkheid te geven zich te ontwikkelen in zo gunstig mogelijke omstandigheden. Er kunnen zich situaties voordoen waarin we beide plichten niet tegelijkertijd kunnen vervullen. Dan doet zich een botsing van plichten voor en moet een keuze gedaan worden. Bij de abortus provocatus valt de keuze ten nadele van de vrucht uit. Het dreigend onheil voor de moeder wordt afgewenteld op het ongeboren kind, waarbij gehoopt wordt dat deze vernietiging helend zal werken, doch waarover geen absolute zekerheid bestaat. In deze situatie wordt duidelijk dat we geen trotse 'heren der schepping' zijn maar gebrekkige en zondige rentmeesters (prof. dr. K. H. Voous).
Tegen boven uiteengezette achtergronden moeten, naar ik meen, de argumenten vóór of tegen het opwekken van een abortus provocatus door het echtpaar of de vrouw, eventueel de ouders, door de adviseurs i.e. de geestelijke verzorger, de maatschappelijk-werkster, de psycholoog of psychiater, de huisarts en behandelend specialist en de vrouwenarts worden afgewogen. Kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we gedwongen worden het leven van een zich ontwikkelende mens moedwillig te vernietigen ten einde gelijkwaardig belangrijk goed te, redden? De beweegredenen voor het adviseren of aanvragen van een abortus worden in enkele groepen verdeeld, afhankelijk van het meest op de voorgrond tredende motief. Bedacht moet worden dat naast dit meest op de voorgrond tredende motief ook andere beweegredenen en invloeden een rol spelen of kunnen spelen.
Over die motieven wil ik schrijven in het volgende artikel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's