Solidariteit
Vragen
Een viertal uitvoerige brieven ligt voor me. De onderwerpen, die erin aan de orde worden gesteld, zijn, hoewel in bepaalde opzichten verschillend, toch ook weer zeer nauw met elkaar verbonden.
Ik wil op deze brieven ingaan onder het thema solidaritiet, waarbij ik dan tevens bedoel verder te borduren op het artikeltje, dat ik vorige week schreef over de bijdragen voor de Generale Kas.
Allereerst wil ik de kern van de vier brieven kort weergeven. Een ambtsdrager uit één van onze gemeenten stelt een negental vragen, waarvan eigenlijk de kernvraag is met wie we ons als Hervormd Gereformeerden solidair dienen te weten, met de midden-orthodoxie en vrijzinnigheid in eigen kerk of met de afgescheiden kerken — met name de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Geref. Gemeenten — met wie we éénzelfde religie hebben. Moeten we niet veel meer met laatstgenoemden contact zoeken? De midden-orthodoxie en vrijzinnigheid zijn wederrechtelijk in onze kerk doorgedrongen of er na het verlaten van de rechte weg in gebleven. De briefschrijver spitst één en ander concreet toe op b.v. de nieuwe psalmberijming en vraagt zich af of het zover moet komen dat zijn kinderen, omdat ze zo nodig met de onrechtzinnigen moeten kunnen meezingen, zich in de kringen van zijn broeders in de gescheiden kerken een vreemde zullen voelen. Verder stelt hij nog aan de orde het grote belang van de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente — belangrijker dan het kerkverband! — de kwestie van de geboorteleden, die de ambtsdragers handen vol tijd kosten, de functie van de meerdere vergaderingen (kunnen wij als gereformeerden wel zitting nemen in het moderamen van een P.K.V.? ), de relatie van de Hervormde Kerk tot de Wereldraad van Kerken en het IKOR en het houden van collecten, die van hogerhand zijn voorgeschreven, mede ter ondersteuning van ongereformeerde groepen en activiteiten: allemaal onderwerpen, die de laatste maanden op verschillende wijzen in ons blad aan de orde zijn geweest, zodat ik er nu alleen maar zijdelings op in zal gaan.
Een andere briefschrijver — geen lid van de G.B. maar wel op de hoogte van wat in onze kring wordt gepubliceerd — laat een heel ander geluid horen. Hij vraagt zich af of we de diepe kloof, die er is tussen de G.B. en de rest van de kerk, niet onnodig verzwaren, b.v. dpor de bijdragen voor de Generale Kas niet te willen innen. Hij zegt: 'Deze kas berust op het bestaande rechtsbestel in onze kerk, de straks komende verplichtstelling zal ook op de normale kerkordelij ke weg tot stand komen. Minderheden, tegen wier zin bepaalde besluiten zijn genomen, zijn uiteraard even verantwoordelijk voor de gemeenschappelijk genomen besluiten als meerderheden, dat is met ons kerkelijk bestel gegeven. 'Principiële' bezwaren tegen de inning kunnen dus niet gehonoreerd worden door het geld niet te innen, daar men ook bij niet-inning 'principieel' even verantwoordelijk voor deze besluiten blijft. Niet-inning betekent dus alleen dat men de gemeenschappelijke regels der kerk veronachtzaamt en dus wanorde schept’.
De briefschrijver vergelijkt één en ander met de vrijwillige bijdragen in de plaatselijke gemeente. 'Door mijn bijdrage niet of niet geheel te betalen doe ik niets anders dan de gemeenschappelijk aanvaarde regels veronachtzamen en schep ik de uiterst kwalijke situatie dat de kerkeraad inij een beetje naar de ogen gaat zien omdat ik anders mijn hand wel eens op de portemonnaie zou kunnen gaan houden, terwijl aan mijn verantwoordelijkheid voor de gang van zaken in mijn gemeente door deze manier van doen niets verandert.’
Een ambtsdrager uit één van onze grote gemeenten schrijft ook over de Generale Kas. Het gaat hier om een principe, niet om een tientje meer of minder, zegt hij. Nadruk leggen op evenredige verdeling van de lasten voor b.v. de S.M.R.A is daarom minder ter zake. Hij merkt verder op dat jongeren tegen hem zeiden: 'als onze synode naar het gevoelen onzer voorgangers en leidslieden, zoveel acties ontketenen, die ten diepste met het welwezen der kerk niets te maken hebben, ja soms het tegenovergestelde effect hebben, dan is het hoog tijd, dat wij onze bijdrage aan deze top der kerk herzien.' Deze briefschrijver vraagt zich verder ook af of wij in onze kring de kracht zullen opbrengen om gezamenlijk neen te zeggen als het zo ver komt dat de bijdrage voor de Generale Kas verplicht wordt, zoals dat b.v. het geval geweest is met de A.K.V., waaraan wij niet hebben meegedaan. Maar met de vrouw in het ambt is het, aldus de briefschrijver, anders gelopen. We zijn weer naar de meerdere vergaderingen van de kerk gegaan, ondanks de vrouw in het ambt, ondanks onze bijbelse protesten ook bij de aanvaarding van de vrouw in het ambt.
Tenslotte nog een brief van iemand uit de grote stad. Om de inhoud van deze brief te typeren neem ik er de volgende passage uit over:
'Gaarne zou ik u onder ogen willen brengen dat het in het huidige tijdsgewricht hoogstnoodzakelijk is dat alle gereformeerden in de Kerk der Reformatie zich bewust moeten worden van hun roeping en taak om het werk der reformatie van kerk en volk ter hand te nemen; een reformatie die onmiddellijk moet geschieden, die totaal moet zijn. We moeten het zo geliefde disputeren over de leer en veel zaken van minder gewicht maar wat gaan beperken. Alle nadruk zal gelegd moeten worden op de orthopraxie. De 'rechtsen' moeten oppassen niet te verworden tot wat eens het piëtisme (Nadere Reformatie) deed geboren worden; we moeten en mogen niet tevreden zijn met een dode belijdenissen een gedaante van godzaligheid, maar we moeten de kracht daarvan zoeken te hebben en de hand slaan aan de reformatie. Ik hoor nogal eens mensen die vnl. roepen dat we moeten palstaan voor de rechte leer (naar Schrift en belijdenis). Ik hoor nogal eens mensen die het er vnl. om gaat dat de G.B. groot wordt. Ik hoor nogal eens mensen die vooral opkomen voor 'onze mensen'. We hebben groter en wijdser idealen nodig! Kerk en volk moet gereformeerd worden. Meerderen beseffen dit reeds. Men zal allereerst zichzelf en zijn huisgezin moeten reformeren; mensen zullen moeten samenkomen om te zuchten en te bidden; wie met de pen overweg kan moet schrijven aan leidinggevenden in kerk, staat en maatschappij — signalerend, kritiserend, appellerend; de predikanten moeten samenkomen om te spreken over het verval (dat ontstellend groot is) en het stuk van de broodnodige reformatie aansnijden en de Here bidden of Hij genezing wil geven en Zijn Geest uitstorten; laten de predikanten niet leunen tegen enkele groten (als dr. Aalders; waarlijk een groot man! een exempel — men volge hem na!) of een organisatie — immers: zij moeten elk voor zich hun mannetje staan, met dadelijke verloochening van eer, voordeel, gemak, hun kruis opnemen ...; laten de predikanten een verbond met de Here maken en ook hun gemeenteleden daartoe trachten te bewegen. Ik zou veel meer kunnen noemen; het is allemaal te vinden in de reformatorische geschriften van de Godsmannen Teellinck, Voetius, Van Lodenstein, Wittewrongel en vooral Koelman (men late zich nog eens inspireren door diens 'Pointen van nodige Reformatie, vooral blz. 591—731). De rijke gemeenten moeten zich gaan ontfermen over de arme gemeenten. Ik denk aan het zuidelijk deel van de wereldstad Rotterdam: de situatie is hier erbarmelijk (ƒ 350.000, — schuld; kerken worden gesloten, verkocht; predikantsplaatsen opgeheven, enz., enz.)’
M^at bedoelen we met solidariteit?
Ziehier de kerninhoud van de brieven. Ik wil ze, zoals gezegd, bezien vanuit het gezichtspunt van de solidariteit met het geheel van onze kerk, want dat is toch wel de kwestie waarom het in al deze brieven gaat.
Ik heb er weinig moeite mee te zeggen, in antwoord op wat eerstgenoemde briefschrijver in feite bedoelt, dat als het gaat om solidariteit met of gemeenschap in geloofszaken, we ons verwant weten aan afgescheiden broeders, méér dan aan de midden-orthodoxie in onze kerk. Je kan hier overigens niet generaliserend spreken omdat er onder de Afgescheidenen ook vogels zijn van diverse pluimage en ik niet graag zou willen beweren me aan allen verwant te voelen. De briefschrijver maakt zelf trouwens al een uitzondering voor de Gereformeerde Kerken, want 'die zijn niet gereformeerd meer', terwijl hij anderzijds de Confessionelen in onze eigen kerk wel een legitieme plaats toekent in de kerk. Die solidariteit in het geloof betekent overigens echter niet, dat wij onze visie op bepaalde punten willen laten afhangen van hoe er in de afgescheiden kerken over wordt gedacht. Ons oor deel over de Nieuwe Psalmberijming wordt b.v. niet bepaald door de vraag of we de psalmen met de afgescheiden broeders zullen kunnen zingen — dat zou overigens betekenen met de Geref. Gemeenten de oude berijming en met de Chr. Gereformeerden naar het zich laat aanzien de nieuwe — ook niet door de vraag of we nog met de onrechtzinnigen in de kerk zullen kunnen en willen meezingen, maar door de inhoud van die psalmberijming zelf.
Inmiddels is solidariteit in het geloof weer wat anders dan kerkelijke solidariteit. We kunnen ons met de Afgescheidenen, wat het geloof betreft, verwant weten en tegelijk hun kerkelijk standpunt afwijzen. Terwijl we ons, hoewel we geestelijk nauwelijks relaties hebben met de midden-orthodoxie in onze kerk, in hoge mate solidair voelen met onze eigen kerk.
Wat houdt die solidariteit dan in? Solidariteit met de onrechtzinnige leer? Integendeel! Er is alle reden om met eerstgenoemde briefschrijver te zeggen dat de midden-orthodoxie' en de vrijzinnigheid wederrechtelijk in onze kerk doorgedrongen zijn. Solidariteit dan met allerlei beslissingen, die genomen zijn of worden tegen het Woord van God in? Dat is, zou ik willen zeggen, het onjuiste uitgangspunt in wat de tweede briefschrijver poneert, door te zeggen dat minderheden, tegen wier zin bepaalde besluiten genomen zijn, even verantwoordelijk zijn voor de gemeenschappelijk genomen besluiten als meerderheden, omdat dat met ons kerkelijk bestel gegeven is. Formeel mag dit juist zijn, materieel allerminst.
Onze verantwoordelijkheid in de Hervormde kerk is er inderdaad in zoverre, dat we in de Hervormde Kerk gebleven zijn ondanks de diepe bezwaren, die we hebben tegen haar koers, tegen allerlei concrete beslissingen. Maar zijn wij werkelijk verantwoordelijk voor beslissingen, die wij om des gewetenswil niet konden meemaken? En bestaat onze solidariteit dan werkelijk daarin, dat we, na genomen beslissingen van de synode, ons erbij neerleggen en doen alsof er niets meer aan de hand is? De kerk is toch geen democratisch instituut, waar beslissingen genomen worden bij de gratie van de helft plus één en ieder dan aan de democratische spelregels gebonden is? Slechts Eén heeft gezag in de kerk en wanneer de meerderheid in de kerk meent beslissingen te moeten nemen, die tegen het Woord van de Koning der Kerk ingaan, dan gaat onze solidariteit met Hem boven de solidariteit met het kerkelijk instituut. Hier staan we voor de vraag wie meer gehoorzaamd moet worden, de Koning van de Kerk of de meerdere vergaderingen van de kerk. Als men er bij voorbaat vanuit gaat dat elke synodale beslissing een beslissing van de Heilige Geest is — een punt dat b.v. bij de toelating van de vrouw tot de ambten is gesteld — dan is men al spoedig klaar. Maar als men meent iedere synodale beslissing of een beslissing van andere meerdere vergaderingen te moeten toetsen aan het Woord — en dat zijn we verplicht als mondige leden van de kerk! — dan kan het gebeuren dat men in conflict komt met de meerderheid van de kerk. Men leze in dit opzicht nog maar eens de artikelen van drs. Exalto over de verhouding van de plaatselijke gemeente en de algemene kerk in De Waarheidsvriend van 29 april 1.1.
Als straks de synode— op instignatie van de A.K.V. — mocht besluiten prof. dr. P. Smits in zijn rechten te herstellen, ook al handhaaft hij zijn visie op de verzoening. moeten we dan solidair zijn met de kerk en een dergelijke beslissing als legitiem erkennen? Zijn we dan medeverantwoordelijk? Zo hebben we steeds te maken met beslissingen, die naar onze diepste overtuiging tegen het Woord ingaan! Dan mag het op zich juist zijn dat we medeverantwoordelijk zijn, omdat we ons niet aan de schuld en de nood van deze (onze) kerk kunnen onttrekken, maar inmiddels moeten we het blijven zeggen: synode, kerk, wat u deed kan niet, mag niet. De geladenheid, en naar ik hoop ook bewogenheid van onze woorden, geven juist uiting aan de diepe gewetensnood waarin we vaak wordpn gebracht. De solidariteit met het Woord staat vaak op gespannen voet met onze solidariteit met het geheel van de kerk.
Waarin solidair?
Waarin zijn we dan toch solidair met het geheel van de kerk, ondanks alle spanningen en gewetensnood? We zijn als het goed is solidair met het volk in de kerk, terwille van de rechte Woordverkondiging. We willen om zo te zeggen de preekstoelen in onze kerk niet prijs geven aan een onbijbelse leer. We willen ons aan de schuld van onze kerk jegens de schapen niet onttrekken. Dr. Woelderink heeft eens gezegd, dat ieder het recht heeft zich af te scheiden van een bepaalde kerk maar dat je terwille van het volk in de kerk je niet af mag scheiden. Over het eerste kan verschillend worden gedacht, het tweede is dacht ik juist. Met je af te scheiden blijft de schuld ten opzichte van de gemeenten, die vaak door een proces van jaren in een zekere koers terecht zijn gekomen, open staan. Men wéét soms niet meer wat de rijkdom is van de voluit bijbelse prediking. Daarom blijven we met alle gemeenten in onze kerk solidair — niet met de leer die er gebracht wordt — en willen we staan voor de dóórwerking van de bijbels-reformatorische prediking in de kerk. We mogen ons wel afvragen of we zó in onze kerk zelf nog de geestelijke rijpheid en spankracht hebben om de anderen op het oog te hebben, degenen die ten dode wankelen. Of hebben we inderdaad alleen de eigen 'groep op het oog? God beware ons daarvoor.
Zó solidair zijn met de kerk betekent dan ook niet, dat je in alle opzichten verplicht bent je maar te voegen naar de gestelde regels en je dus b.v. verplicht bent financieel bij te dragen aan de top van de kerk, ook al worden met de gelden doelen gediend, die het welwezen van de kerk niet bevorderen. Echte solidariteit met de kerk kan soms leiden tot de conclusie: voor déze structuur géén man en géén cent. Maar dan zeg ik tegelijkertijd méér. Ik ben namelijk onder de indrvik van wat de briefschrijver uit de grote stad opmerkt, ook in passages van zijn brief (brieven) die ik niet memoreerde. Hij wijst b.v. op de zorgwekkende toestand van de kerk in de grote stad wat de financiën betreft, terwijl hij tevens gewag maakt van de opbloei van de gereformeerde prediking, waarnaar de mensen weer komen luisteren. Wanneer onze solidariteit in het geheel van de kerk ook financiële consequenties moet hebben dan zou ik zegen: daar. Dan moet het inderdaad mogelijk zijn dat rijke gemeenten, terwille van de voortgang van de rechte prediking, inspringen voor gemeenten, die aan de rand van een financieel bankroet staan. Ik zeg erbij, terwille van de rechte prediking, hetgeen nog iets anders is dan terwille van het instandhouden van een kerkelijke structuur, die de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente aan banden legt, en waarin de rechte woordverkondiging welhaast wordt weggedrukt.
Tenslotte
Dit waren zo enkele overwegingen naar aanleiding van de gestelde vragen. Nog één ding tenslotte. Het is met uit het hart gegrepen als één van de briefschrijvers zegt dat het gaat om Reformatie van heel de kerk en van het hele volksleven. Beseffen we dat nog? Kennen we zó nog de echte solidariteit met het volk in z'n geheel? En zijn we bereid om eerst naar onszelf, ons gezin, onze gemeente te zien als het gaat om de noodzaak van Reformatie? We kunnen zó bezig zijn met 'de anderen' dat we aan onszelf voorbij zien. We hebben allereerst allen nodig betoning van Geest en kracht en juist dan ook het besef dat het niet door kracht of geweld maar door Gods Geest geschieden moet. Ik denk wel eens: wij mensen kunnen ons druk maken om de gestalte van de kerk, maar God Zelf gaat met Zijn kerk door. En dan zijn er gelukkig, juist ook in onze tijd, nog hoopvolle berichten uit steden en andere plaatsen, waar ondanks de financiële debacle, die dreigt, een ontwaken onder de gereformeerde prediking mag worden gezien.
P.s. In dit critiek noem ik ergens de kwestie prof. Smits, niet wetend dat het moderamen van de synode inmiddels juist dezer dagen besloten heeft prof. Smits in zijn emeritaatsrechten te herstellen; een zaak die ik alleen maar diep betreuren kan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's