Uit de pers
Eenheid en verdeeldheid
In zijn radiocolleges over 'Oecumene en Pluralisme', uitgesproken in maart jl. voor de NCRV microfoon, heeft dr. J. A. Hebly, adj. directeur van het Interuniversitair Instituut voor Missiologie en Oecumene, er op gewezen dat er in allerlei kerken een nieuwe bezinning gaande is inzake de vragen van eenheid en verdeeldheid van de kerken.
Deze nieuwe bezinning legt sterke nadruk op de verscheidenheid in de eenheid, en bepleit daarom een eenheid, die de verscheidenheid van geloven, leven en denken honoreert. Met een modewoord uit de huidige maatschappij duidt men dit wel aan als een pluralistische kerkopvatting.
Nu is er te allen tijde binnen de eenheid van belijden ruimte geweest voor een zekere verscheidenheid inzake organisatie, liturgie, geloofsbeleving etc.
Maar wat men vandaag aan de dag bepleit is toch nog iets anders. De verscheidenheid in theologische bezinning, in het formuleren van de belijdenis wordt zelfs wenselijk geacht. Op de achtergrond daarvan staat de gedachte dat de waarheid Gods niet is neergelegd in leerstellingen, maar veel meer dynamisch gezien moet worden.
Ja, soms gaat men nog verder, en stelt zelfs, dat de bijbelse verkondiging zelf veelkleurig en veelvormig is, dat er binnen de canon een grote verscheidenheid van opvattingen is.
Vele roomse theologen bepleiten dan ook voor wat betreft de roomse kerk een erkenning van dit verscheidenheids-karakter, deze pluraliteit van opvattingen.
Natuurlijk blijft men er wel voor pleiten dat de leeruitspraken van de kerk hun plaats behouden, maar overigens acht men het moeilijk om te komen tot een formulering van het geloof, die voor ieder bindend is.
Is er dan nog eenheid van belijdenis mogelijk, als men zo sterke nadruk legt op de pluraliteit? Het antwoord op die vragen wordt wel gezocht in de richting van een verkorte of geconcentreerde belijdenis.
Ieder kan begrijpen, dat het hier om belangrijke zaken gaat, die niet alleen zich beperken tot de roomse kerk.
Wie b.v. de proeve van beginselverklaring van de Raad van kerken doorleest, ontdekt, dat hier nauwelijks nog de vraag naar de waarheid inzake het belijden van de kerk gesteld wordt. Men krijgt de indruk, dat men ook daarin een eenheid in verscheidenheid bepleit. Er blijven nog wel critische geloofsvragen te stellen, maar het zijn dan toch 'geloofsvragen’.
En de gedachte aan een korte belijdenis heeft nog altijd aanhangers. Nu lijkt dat natuurlijk ideaal. Kort na wereldoorlog 2 heeft men geprobeerd de kern van het belijden te vatten in de oer-christelijke belijdenis: Jezus is Here. En nog onlangs hoorde ik iemand zeggen, dat we af moesten van al die belijdenisgeschriften, dat we maar éen ding moesten overhouden, nl. de belijdenis van Thomas: Mijn Here en Mijn God.
Maar practisch betekent een dergelijke verkorting toch een verarming. Men kan een geschiedenis van 20 eeuwen maar niet overslaan. Er zijn beslissingen gevallen — b.v. in Chalcedon, toen de kerk de tweenaturenleer beleed, in 1517, de herontdekking van het Evangelie door de Reformatoren — waar de kerk niet meer achter terug kan.
Wat wij in de practijk aan resultaten zien bij een dergelijke pluralistische benadering doet ons vrezen, dat op deze wijze toch een eenheid nagestreefd wordt, die tekort doet aan het bijbels gegeven, dat de kerk gebouwd is op het fundament van apostelen en profeten. Deze verbinding van de eenheid van de kerk en de apostoliciteit mag niet verwaarloosd worden.
Prof. dr. G. C. Berkouwer
Niet alleen r.k. theologen bepleiten een pluralistische kerkopvattiiig. Het is ook prof. Berkouwer, die in zijn boek: De Kerk tot een dergelijke pluralisme overhelt.
In zijn boek geeft Berkouwer grote aandacht aan de met name door Kuyper ontvouwde gedachte van de pluriformiteit of veelvormigheid van de kerk. Het is bekend hoe Kuyper deze veelvormigheid van kerken verdedigd heeft. Het geloof kan op zoveel manier uit de volheid van Gods heil leven, aldus Kuyper, dat niet éen kerkvorm de rijkdom kan weerspiegelen, maar dat er meer kerkformaties nodig waren. Eenvormigheid is de vloek van het moderne leven.
Als de Geloofsbelijdenis stelt, dat ieder zich bij de ware kerk moet voegen dan legt Kuyper dit aldus uit, dat er nu meer dere ware kerken naast elkaar bestaan.
Nu roerde Kuyper ongetwijfeld een belangrijke zaak aan. Wij geloven immers samen met al de heiligen. Welke kerk zal durven en kunnen beweren, dat zij de waarheid van God ten volle belijdt en verstaat? Wij kennen ten dele. Dat moet ons voorzichtig maken met te zeggen: Wij hebben de waarheid.
Die laatste woorden zijn maar al te zeer gebruikt als een stuk kerkelijke zelfrechtvaardiging.
Maar het grote bezwaar tegen Kuyper's pleidooi voor de veelvormigheid is hierin gelegen, dat Kuyper op die manier van de nood der verscheurdheid een deugd dreigde te maken. Werd de leer van de pluriformiteit van kerken (een rijkdom volgens Kuyper) niet een kussen, waarop men zich te slapen legde en doof was voor de nood en de schuld der verscheurdheid?
Vandaar dat iemand als Schilder de Kuyperiaanse leer fel bestreden heeft. En Berkouwer valt Schilder daarin bij.
In een artikel in 'Waarheid en Eenheid' gaat dr. E. Masselink in op deze relatie Berkouwer-Schilder. Hij schrijft:
Het is ook bekend dat Kuyper hierin fout was, en het eert Berkouwer dat hij openlijk instemt met de afwijzing van de puriformiteitsleer door prof. Schilder.
Maar nu blijkt er een nieuw verschil.
Schilder kon het natuurlijk ook niet pasklaar maken. Stel je voor, ik geloof de ene kerk, dat je daar een aanschouwelijke marsroute voor zou kunnen ontwerpen. Maar dat geeft wel een appèl, een visie, een inspiratie en een bron van hoop. Daarom liet Schilder niet af de christenen die hij bereiken kon op te roepen tot een leven naar Gods Woord en tot het gevangengeven van al onze (kerk)gevoelens tot gehoorzaamheid aan Christus. Elke kerkformatie, zo riep hij op, moet permanent bereid zijn zich opnieuw te constitueren als Gods Woord daartoe roept. 'Alle schapen naar buiten' zo drong hij aan, als er met een andere kudde van Christus' stal verenigd moet worden. U hoort de echo wel uit de Acte van afscheiding en wederkeer uit 1834, dat men bereid was zich te verenigen met elke op Gods onfeilbaar Woord gegronde redevoering.
Dat de feitelijkheid in onze kerken Schilders oproep niet gekroond heeft doet alleen voor een ongeestelijk oordelaar iets van zijn juiste visie af.
In elk geval, Berkouwer deelt Schilders inzicht, dat wij ernst moeten maken met de eenheid der kerk! Ook Berkouwer wijst de pluriformiteitsleer af; daarmee mag geen kerkelijke verdeeldheid goed gepraat worden; we moeten tot de eenheid blijven oproepen.
Toch gaat Berkouwer een eigen weg. Hij overziet n.l. het wijde veld van kerkelijke ontwikkelingen. Dr. Masselink merkt in dat verband op:
Berkouwer wijst op een proces dat reeds lang gaande is tussen de diverse kerken. Vanaf Calvijn zagen de reformatorische kerken zelfs bij Rome nog sporen of vestigia van de kerk. Ook werd de doop van andere kerken aanvaard. Daar is een dynamiek gaande waardoor de diverse kerkformaties verstaan dat Christus' werk ook bij anderen met vreugde ontdekt wordt. Met ophef vermeldt hij de z.g. Torontoverklaring van de Wereldraad, dat men bij elkaar 'elementen van de ware kerk' had ontdekt, in de prediking en in het geloof der gemeente.
’We ontdekken steeds meer spanning èn dynamiek dan in de pluriformiteitsleer aanwezig is' (p. 86).
En dan schijnt Berkouwer een pluralisme (meervoud) van inzichten en gevoelens voor te staan, binnen de ruimte van één kerk. Ik meen dat deze term van de R.K. prof. Rahner afkomstig is: vele en vele nuanceringen van christelijk geloof en levensgevoel moeten toegelaten en verenigd worden binnen één grote kerk.’
Berkouwer spreekt gloedvol in mooie volzinnen hierover; maar niet duidelijk. Ook al zal hij in het nog te verschijnen deel II over de heiligheid en de apostoliciteit handelen — dus over de belijdenis der kerk en haar gegrond-zijn op het fundament der apostelen — het had verwacht mogen worden dat hij, schrijvende over de dynamiek der elkaar ontdekkende kerken, duidelijker had geschreven of hij met zijn 'toekomstdroom' nog een kerk met een gereformeerde belijdenis bedoelt, dan wel een kerk die daarop zelfs niet meer lijken zal.
Ziet Berkouwer het einde van het bestaan der Gereformeerde Kerken als een kwestie van tijd en zo ja, mag hij zulk een suggestie dogmatisch op de tribune brengen zonder duidelijk te zijn over het hart van alle kerkbestaan te weten: is die droom nu, en is die kerk der toekomst onderworpen en gebonden aan Gods Woord, of zullen de menselijke religieuze gevoelens de weg en het wezen later bepalen? Deze vraag naar de interne consolidatie en continuïteit van de gereformeerde kerken komt met te meer bezorgheid bij mij op door het lezen van dit boek, als ik het hoofdstuk lees over de grenzen van de kerk. Ja, daar zijn geen grenzen aan Jezus' Macht. Maar de kerk is ook een menselijke zaak. En waarom komt Berkouwer er niet op, dat in Zondag 21 beleden wordt 'in enigheid van het ware geloof'? Dat gaat toch wel over een grens. En dat Christus Zijn kerk vergadert door Zijn Woord en Geest; en dat de gemeente tot het eeuwige leven uitverkoren is? En als Berkouwer de kerkelijke en menselijke dynamiek van heden zo krachtig naar voren brengt — tot ontdekking van elkaar — had hij dan ook niet van een andere dynamiek moeten spreken? Van de krachten van die humaniteit, van die mondigheid, van dat existentialisme die welbewust breken met alles wat van God is en die Jezus Christus geheel in het menselijke vlak een plaats geven? Of nog even weer binnen onze kerken; Augustijns boekje over de belijdenis is vóór Berkouwers Kerkboek verschenen, en Wiersinga's verzoeningsloze (of zeker verzoeningsarme) dissertatie daarna; maar is er ergens een verband tussen al deze publicaties?
Critische vragen
Dr. Masselink is niet de enige die deze vragen stelt. Enkele maanden geleden heeft in het Geref. weekblad Berkouwer's collega, prof. H. N. Ridderbos soortgelijke vragen gesteld. Berkouwer heeft de critiek, als zou hij de poort openzetten naar een subjectivistische opvatting, waarbij niet meer Woord en belijdenis, maar menselijke religieuze gevoelens de toon aangeven, nogal verontwaardigd van de hand gewezen. Wij zijn daarom uitermate benieuwd naar het tweede deel van Berkouwer's boek over de Kerk, waarin ondermeer de apostoliciteit ter sprake komt. Maar wij kunnen niettemin de zorg van Masselink verstaan. De dogmatische bezinning aan de VU en de practijk der Gereformeerde Kerken staan'niet los van elkaar. Hoe langer hoe meer dreigen de Gereformeerde kerken hun gereformeerd karakter te verliezen door in oecumenische vaarwateren de wereldraad-koers te varen. Al willen we er tegelijk bij zeggen dat velen binnen deze kerken toch deze ontwikkeling betreuren en er tegen protesteren. Het grote probleem is: 'Waar liggen bij erkenning van een meervoud van inzichten de grenzen van de kerk? En hoe kan het gezag van de belijdenis voluit functioneren?' Zeker, wij kennen ten dele, er blijven verschillen in beleving en vormgeving, maar dat betekent toch niet dat wij de verscheidenheid van kerken mogen vatten in een oecumenisch raam, een alles overkoepelende eenheid, zonder de vraag naar de 'enigheid van het ware geloof' te stellen. Er is in de Bijbel toch ook sprake van een 'ander Evangelie', waartegen Paulus zich fel verzet, ja zelfs de vloek over uitspreekt. Er is een strijd om het toevertrouwde pand te bewaren. Met het woord pluriformiteit en met de huidige pluralische tendenzen loopt men gevaar deze worsteling te ontvluchten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's