Godvruchtigheid
Als wij voor deze dag van samenkomst als ons uitgangspunt de Godsvrucht kozen, dan vinden wij daarvoor in het Grieks van het Nieuwe Testament twee woorden, n.l. eulabeia, dat van het werkwoord eulabeiomai afgeleid, betekenen kan:
1. vrezen, angst hebben, bezorgd zijn;
2. vrome schuchterheid hebben;
3. vrome achting hebben voor Gods gebod.
en dan ook theosebeia, dat voorkomt in de betekenissen:
1. Godsvrucht;
2. Godsverering, religie;
3. Vroomheid;
4. Onzichtbare Godsvereiing zonder ceremoniën.
Wij willen deze begrippen niet theologisch voor u uiteen zetten, maar ze gebruiken om onze houding te bepalen in het kerkelijk en Godsdienstig leven van vandaag. Reeds eerder handelden wij met u over het door de Bond te voeren beleid, maar een beleid behoeft men niet van jaar tot jaar te herhalen. Dat zou niet dan een bewijs van zwakheid zijn. Daarvoor zijn onze principia — onze uitgangspunten — te hecht en van te hoge origine. De bijbel geldt voor alle tijden en voor alle plaatsen en landen en ook voor alle omstandigheden. De Heere heeft hem gegeven tot een eeuwige inzetting voor Zijn kerk. En de belijdenissen, die daaraan ontstaan zijn en daarop steunen, zijn hoewel aan de Schrift revisabel (te herzien), bindend ook in onze kerk. Het is ons voornemen niet, daarop terug te komen, maar wel om, waar nodig de stem der Schriften en der belijdenissen te laten horen.
Regelmatig kwamen de noden en de behoeften der kerk aan de orde in het handelen van de Bond, waarvan u de neerslag van week tot week aantrof in het Bondsorgaan. Uitteraard kwamen daarbij ook aan de orde de zonden en afwijkingen van de kerk, waaronder ook de kerkelijke zonden en afwijkingen in eigen kring. De kerk en het kerkelijk leven, die zich in afgaande lijn bewegen, vervullen ons met diepe zorg. Wij nemen de verantwoordelijkheid voor deze teruggang van het kerkelijk en geestelijk leven als leden der kerk voor onze rekening, waar dit kan, waar dit mag, waar dit moet, maar wij werpen de verantwoordelijkheid daarvoor niet minder op hen, die in de onderrichting en in de leiding der kerk op hoger posten gesteld werden. De verantwoordelijkheid voor de nedergang der kerk kan men niet leggen op hen, die zich aan de Schrift en aan de regels der kerk hielden, maar wel op degenen, die zich daaraan niet hielden. De phrase 'Samen ziek, samen gezond' is gebleken een holle phrase te zijn geweest. En in plaats van samen gezond is de kerk al zieker geword, en en in veel opzichten de dood en de verdwijning nabij gekomen. Wij willen er evenwel niet aan twijfelen, dat het pogen van velen (hoevelen er dat dan ook waren), om de kerk te reorganiseren of op te bouwen, ernstig geweest is en ernstig bedoeld is. Anderen bedoelden en deden dit in het geheel niet, deden zelfs het tegenovergestelde, de bijbel, de belijdenis en kerkelijke ordeningen ten spijt.
Ook onzerzijds is gepoogd de Schrift en de belijdenis zodanig recht te doen, dat kerkelijke regelen daarnaar gehouden of gemaakt werden en dat het leven der kerk daarnaar gericht werd. Wij willen en mogen niet over het hoofd zien, wat bij anderen en bij ons niet gestorven is, ook niet ziek was. Wij mogen niet over het hoofd zien, wat er wel aan kerk was, gebleven is en zelfs weer geworden is. Dat zou ondankbaar zijn jegens God en ook jegens de kerk en jegens allen, die in de kerk en voor de kerk het goede behielden en zochten. Wij mogen niet uit het oog verliezen het Woord Gods, de heilige sacramenten, die hun werk deden en gebeden, die verhoord werden. Anders zouden wij God, als de Gever aller goede dingen onteren en ook de hoop bij de levende gemeente en bij het aankormend geslacht wegnemen. Laat ons dat niet doen, maar veeleer van onze God veel goeds verwachten, dwars tegen de ongunst der tijden in. Laat ons elkander de handen sterken en ook versterken het overige, dat sterven zou.
Wij weten, dat de Heere met Zijn Geest van een volk, van een gemeente en ook van een kerk kan wijken. Dit hangt samen met het wederstaan van de Heilige Geest, met het bedroeven van de Geest, met het blussen van de Geest, het hangt ook samen met de ongehoorzaamheid aan Gods Woord en aan de welgestelde orderegelen der Kerk. Maar de gehoorzaamheid aan de Geest, aan Zijn Woord en aan Zijn dienst, aan Zijn beloften en aan Zijn geboden, zijn zekere garanties, dat de Heere met Zijn Geest niet van Zijn kerk zal wijken. Daar hebben wij zelfs krachtige beloften voor in het Evangelie! Nu weten wij, dat God Zijn kerk bouwt niet dan uit zondaars, die op de genade van Christus en op de werking van de Geest en op de zegen des Vaders zijn aangewezen — maar dan toch wel en alleen met zulke zondaars, die zich vanwege hun zonden mishagen en die hun gerechtigheid buiten zichzelf in Christus zoeken en vinden en die door de Geest Gods worden gebracht tot een nieuwe gehoorzaamheid. En die ook gehouden worden in, en blijven bij die nieuwe gehoorzaamheid. Er is toch een léven in heiligmaking, ook al hebben de allerheiligsten daarvan maar een klein beginsel.
Daarover wilden wij het hebben! Als de Apostel Petrus in zijn tweede brief zijn apostolische zegen geeft, dan verbindt hij daar grote dingen aan. Hij zegt daar namelijk in 2 Petrus 1 : 2—11:
’Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God en van Jezus, onze Heere, gelijk ons Zijn goddelijke kracht, alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd; door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve de goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid. En gij tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis, en bij de kennis matigheid en bij de matigheid lijdzaamheid en bij de lijdzaamheid Godzaligheid, en bij de Godzaligheid broederlijke liefde en bij de broederlijke liefde, liefde jegens allen. Want zo deze dingen bij u zijn, en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis van onze Heere Jezus Christus.
Want bij welke deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden. Daarom, broeders, benaarstig u te meer om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult gij nimmermeer struikelen. Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus.’
En daar hebt ge dan onze woorden eulabeia en theosebeia — Godzaligheid — Godvruchtigheid. Wij murmureren zo veel over de kerk en het is zelfs in sommige kringen een graadmeter van rechtzinnigheid, als men zoveel mogelijk de kerk afkeurt. En de Hervormde Kerk moet het in en buiten de kerk doorgaans niet het minst ontgelden. Men denkt wel eens, als men al die klachten en bezwaren aan hoort, als zij breed worden uitgemeten: 'Zegt u dit alles nu alleen óver haar of ook tégen haar. En doet u dat ook leed om harentwil? ' Laten wij toch eens bedenken, dat de kerk geloofsartikel is en daar is de kerk als instituut niet los van te denken. Laten wij toch eens bedenken, dat de kerk ons allen raakt, ook onze voorgeslachten, ook onze kinderen. Is de kerk niet in de eerste plaats Gods zaak? Dat wil dan zeggen, dat wij om Zijnentwil het goede voor haar moeten zoeken, maar ook en vooral, dat wij dan ook alle goeds voor haar mogen verwachten van Hem.
Luther zegt: 'God is voor ons, wat wij van Hem verwachten!' Dat betreft dus ook de kerk. God is voor de kerk, wat zij van Hem verwacht, wat zij van Hem naar Zijn Woord gelooft. Nu is dat geloof nodig voor elk geslacht, het zal in elk geslacht opnieuw gewekt moeten worden, van kind tot kind. De bekering tot God in elk mensenkind, die toch zondaar is, is zo nodig. De bekering tot God is buiten en in de kerk voor elk, hoofd voor hoofd, nodig. Grote profeten baden voor zich: 'Heere bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn!' En de profeten riepen altijd weer het hele volk en de priesterschap op tot bekering. De allerhoogste Profeet, de Heere Jezus begon het volk te leren, predikende de bekering tot God. En Jezus zond Zijn apostelen uit om te prediken het geloof en de bekering. Dat heeft dus de buitenkerkelijke wereld nodig, dat heeft ook de kerk nodig. Dat heeft wel zeer zeker de kerk van vandaag nodig. Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen! Zonder geloof is de kerk geen kerk meer, wat zij dan ook verder pretendeert te zijn. Zonder de oprechte bekering staat men van hoog tot laag in de kerk er toch wezenlijk buiten. Dan is men te rekenen tot dat Israël, dat zich slechts Israël noemt. Dan behoort men tot de kinderen van het koninkrijk, üie buitengeworpen zullen worden.
Nu is er over elke zondaar, die zich tot God bekeert blijdschap in de hemel. Daar komt het koninkrijk van de Heere Jezus. Zo komt de kerk, zo zet de kerk zich voort, zo herstelt zich de kerk. Deze kant nu, dacht ik, moet het op met de kerk. Ik kan en mag niet zeggen, dat het wezenlijke geheel ontbrak, maar hebben wij en heeft ons directe voorgeslacht het niet teveel gezocht in het organisatorische herstel der kerk? Hebben öok wij de dingen niet te veel van de onderkant aangevat, al was het met de goede gegevens van Schrift en belijdenis? De grote geloofsstukken kwamen in de kerk wel, daar waar noodzaak was aan de orde, maar zij werden ter discussie gesteld. Als zij aan de orde kwamen, riepen zij niet om geloof, maar om bewijsredenen en hoogstens om instemming. Daarom ging er, als zij al aan. de orde kwamen, zo weinig kracht van uit in de meerdere vergaderingen der kerk en op het volk. Maar belangrijke stukken van het geloof, als de verkiezing en de verzoening, werden gedecimeerd in de hogere vergaderingen en verdwenen op vele plaatsen geheel uit de prediking. Gaf de Synode een vinger dan grepen veel predikanten de hele hand en de kerk zelf ging nog verder in onverschilligheid, of begon minstens te aarzelen.
— Keren wij echter met deze eis van Godsvrucht, met de eis der bekering vooral tot onszelf in. Zij werden ook onder ons schaars goed. Wat wij van anderen vragen, hebben wij in de eerste plaats zelf te bezitten en te betrachten. Anders hebben wij het recht verspeeld, om aan de kerk de eisen Gods te stellen. Leven wij zelf niet uit de genade, dan zal ons vragen, wat wij aan de kerk doen, haar warme hartelijkheid, haar gunning gaan missen. Dan zal ons vragen ook de hoop gaan missen en als iemand niet hoopt, wat hij gaat vragen, waarom zal hij het ook vragen? Bovendien wij staan met onze personen, 'maar ook in onze relatie tot anderen in de kerk, voor de God der Waarheid! En dan hebben de profeten, en ook de apostelen altijd iets gehad van die eulabeia, van dat vrezen, angst hebben, bezorgd zijn voor God. En dat zou ik nu zo graag in de kerk willen zien bij allen, die Zijn naam noemen, die zeggen Zijn zaak voor te staan in de hoge kringen, maar ook bij onszelf, ook bij mij zelf. Wij spreken over zulke heilige dingen van God, van Zijn Christus, van Zijn Woord, van Zijn kerk. Past ons dan niet te vrezen voor Zijn aangezicht? Waar is die angst van Mozes bij het braambos, van Elia op de berg, van de discipelen bij kruis en graf?
Eulabeia — vrome schuchterheid is, dacht ik, het sieraad van de kerk. Bescheidenheid is jarenlang het kenmerk van de Hervormden geweest in hun onderdoen voor vele afgescheidenen. Het brute ongeloof in de Hervormde Kerk is met dit sieraad nooit behept geweest. Maar zijn wij als Hervormd Gereformeerden, hoewel er veel stil volk en bescheiden volk in de achterhoede woont en leeft, gekenmerkt door dit sieraad der christenen: vrome schuchterheid. In de vergaderingen der kerk mogelijk wel, maar zijn wij dat ook onder ons? En wie zijn wij, wij en onze kinderen toch ook voor God? Een stille en zachtmoedige, een nederige geest past onze vrouwen, zowel in de kerk als ook thuis. Maar de bescheidenheid als - van Timotheüs past ook onze mannen. Het heeft in de kerk nog nooit iemand kwaad gedaan, als hij schuchter aanging achter Hem, die gezegd heeft: 'Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart’.
Eulabeia — het betekent ook vrome achting hebben voor Gods gebod. Dit vragen wij te weinig aan de kerk in haar hogere organen. Dit vragen wij te weinig aan onze classes en in onze kerkeraden. Wij spreken veel over kerkelijke zaken, over financiën, over het naar buiten treden van de kerk, over het christen zijn in deze tijd, n.l. in de politiek en in de samenleving, in de techniek, in de cultuur, laat het dan nog zijn over geloofstukken, maar wanneer spreken wij over dat, wat God gewoon beveelt? Waarover geen discussie toegestaan is! Hoe leven onze Synodeleden, hoe leven onze predikanten, hoe leven de gemeenten? Hoe leven wij in onze kringen, predikanten, ambtsdragers en hun gezinnen, de gemeenteleden en hun kinderen? Laat ons maar niet beginnen bij de doodslagen op allerlei wijze, bij de gezagsondermijningen, bij de zedenverwildering. Laat ons eerst eens beginnen bij de geboden van de eerste tafel. Gods persoon, Gods naam, Gods dag. Staan die geboden er dan niet meer?
Wie toch de dag Gods eenvoudig en alleen voor de dienst Gods en voor de Naam Gods wil reserveren, eren en eerbiedigen, die wordt toch eenvoudig niet meer voor vol aangezien! Is het wonder, dat de zedelijkheid in de ruimste zin van de tweede tafel wèg is, als wij met de geboden van de eerste tafel zo handelen?
De predikanten zoeken allerlei wegen, om dit liturgisch hoofdstuk der wet te vervangen. Wat de lust van de echte vroomheid is, is de sta-in-de-weg van de gemak-en verandering zoekende semi-kerkelijkheid.
Eulabeia — vrome achting hebben voor Gods gebod, wil niet een wettische gerechtigheid hieruit opbouwen, maar zij wil het gebod Gods eren met de vroomheid, waarom Psalm 25 bidt en waarvan Psalm 119 eindeloos zingt. Mij dunkt hiermee kunnen wij de kerk dienen, kan èlk de kerk dienen. En in het onderhouden van Gods geboden, ook en daaruit vanzelf vloeiend, die van de tweede tafel, is grote loon. Dit bouwt de kerk van onderop, van binnenuit. En het zij de Jozefs van Arimathea en de Nicodémussen in de hoogste raad en vergaderingen der kerk, ten zegen gerekend, dat vele oversten des volks en priesters het geloof gehoorzaam geworden zijn op hun voorbeeld. Het is niet onvruchtbaar God te dienen, niet in de laagste kringen, niet in de hoogste.
Tenslotte nog de theosebeia — de Godsvrucht. Opdat niemand mene, dat wij de vrome mens op het oog hebben, maar in de kerk niemand minder dan God Zelf, dan Christus: graag ook dit parallelle woord. De kerk moet op God aanwerken van hoog tot laag. Het is niet de vraag, wat de Synode voor de kerk, eventueel voor de wereld gedaan heeft, 't is de vraag, wat zij voor God en voor Christus gedaan heeft. Een schare mensen leiden, eventueel elk en elke groep geven haar bescheiden deel, is niet genoeg. God moet het Zijne hebben. Zijn eer. Zijn Woord, Zijn kerk. En dat alles geheel! Het is ook niet de vraag, wat wij voor eigen mensen, voor eigen zaak, voor eigen gemeenten, voor eigen beginsel zelfs, maar wat wij voor God gedaan hebben — ook als Gereformeerdgezinde mensen.
De eerste betekenis van theosebeia is dan Godsvrucht. Wij kunnen en hebben Hem niets te leveren dan vrucht, en al de vrucht van het geloof is uit God gevonden. 'Die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht, zegt Christus, maar zonder Mij kunt gij niets doen'. Het gaat God om vrucht van Zijn kerk. Daarin is Hij verheerlijkt. Wordt in Johannes 15 gesproken over takken die vrucht dragen en over takken, die geen vrucht dragen, dan wordt als het ware elke tak apart bekeken, dan gaat het bij wijze van spreken een vruchtbare tak niets aan, als een andere tak, die geen vrucht draagt, afgesneden wordt. Wij maken ons in de kerk zo vaak druk over anderer onvruchtbaarheid. Laat ons voor onszelf toezien! Wordt God in ons leven, in onze gezinnen, in onze gemeente verheerlijkt met veel vrucht? Wat zal het ons baten, als anderen afgesneden worden èn wij met hen? Het is niet de eerste vraag, of wij het goed maken, of onze gemeente het goed maakt, of de kerk het goed maakt. God moet vrucht hebben. Daarom zijn de vragen naar het welzijn van ons, van onze gemeenten van onze kerk zo belangrijk, opdat God het Zijne krijgt. Hij geeft alles; Zichzelf, Zijn Zoon, Zijn Geest, Zijn Woord, Zijn dienst, maar wil er dan ook wat voor terugzien, als vrucht, als dank — al is dat ook Zijn eigen werk — en dat is ook juist ons alles!
Het woord theosebeia wil ook zeggen: Godsverering in de zin van de cultus. De openbare eredienst wil in stand gehouden zijn. Dit mag in deze tijd, waarin alles er op aangelegd is om de eredienst te doen versmallen, te doen verkorten, te doen uithollen door er de wezenlijke bestanddelen uit weg te nemen, wel met kracht gesteld worden.
Na de hausse van liturgie, die de vormen van de Godsdienstoefeningen, tot in het uiterste doordacht aan de orde stelde, is weer de neergang gekomen, die alle vorm van eredienst wil weg hebben voor het intermenselijke gesprek. Hierbij is vooral van belang te horen en te zeggen wat mèn denkt, wat mèn wil, wat mèn van de kerk verwacht en ook wat mèn meent van God te mogen verwachten, zelfs tot wat men God en de Goddelijke dingen meent te mogen reduceren. Hier tegenover zouden wij graag de eredienst in zijn Calvinistische vorm willen handhaven. De dienst des Woords, de prediking des Woords, de prediking van Christus en de dienst der verzoening is naar de opdracht van Christus in het Nieuwe Testament de van God verordineerde vorm, waarin Hij vereerd wil zijn.
Dat is het werk der kerk — dat is de ziel der kerk! Daaruit alleen zal de kerk leven, omdat daarin in eerste aanleg God vereerd en verheerlijkt wordt. Daar woont God Zelf — Daar wordt Zijn heil verkregen — En 't leven tot in eeuwigheid.
Ten laatste betekent theosebeia ook een onzichtbare, een cultusloze Godsverering. En daar hebt ge dan die stille Godsvrucht van het persoonlijke leven bij de inwendige mens des harten. Dat is dat stille en ingetogen leven van de verborgen omgang met God. Dit maakt geen reclame, dit treedt niet naar buiten. Het is ook niet bepaald een ingekeerd leven, dat tot zichzelf inkeert. Het is dat leven, dat met God geleefd wordt, in het spreken met God, in het leven voor Gods oog in schulderkentenis, in boetvaardigheid, in onderworpenheid in kruis en druk, in dankbare gedachtenis in dagen van voorspoed, in het benodigen van Christus en Zijn genade, in het benodigen en aanvaarden door het geloof van al Christus' heilsweldaden. Daar is ook de lofzang, die in stilheid tot God is. Dat eenzame zingen in verafgelegen streken. Dat doen van geloften. Dat betalen van die geloften.
Zie dit leven des geloofs desnoods van enkelingen, desnoods van gemeenten zo hier en zo daar, zal zegen hebben van de God onzes heils. Dit zal de kerk bouwen en in stand houden. Daar kunnen zijn oprukkende legerscharen Gods, die de strijd des Heeren voeren. Daar kunnen ook zijn kloeke getuigen, die het voor het Woord en de zaak des Heeren opnemen: de Elia's, de Petrussen, de Paulussen, een Anthanasius en een Luther. Maar daar is ook nodig in ieders leven en ook in de kerk een achtergrond, een volk dat God vreest. Het laatste bouwt en behoudt de kerk zo goed als het eerste.
De Godzaligheid toch is tot alle dingen nut en zij heeft de beloften voor dit en voor het toekomende leven. Wij weten, dat de grondslag der kerk is Christus en Zijn werk, dat ook de leer der Apostelen het fundament der kerk genoemd wordt, maar ook worden de Godvruchtigen wel genoemd de kurken waarop de kerk drijft. In de tijd van groot verval der kerk lette men dan wel op de waarde van de Godsvrucht, meer nog op de leer der Apostelen en allermeest op het enig fundament Christus en Zijn heil.
Deze rede werd uitgesproken op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's