Correspondentie Geref. Bond-Conf. Vereniging
In het jaarverslag van de Conf. Vereniging, geplaatst in het Herv. Weekblad van 27 mei 1.1., maakte de secretaris ds. C. W. Corts melding van een poging, die ondernomen is om te komen tot een gezamenlijk schrijven van de hoofdbesturen van de Geref. Bond en de Conf. Vereniging inzake het minderhedenvraagstuk. Dit schrijven zou aan kerkeraden en besturen van minderheidsgroepen toegezonden worden. Ds. Corts merkt op, dat een door de Geref. Bond opgesteld concept-schrijven door de Conf. Vereniging te weinig concreet en direct werd geacht. Een alternatief concept schrijven van de Conf. Vereniging kon, aldus ds. Corts, geen genade vinden in de ogen van het hoofdbestuur van de Geref. Bond. Vervolgens laat ds. Corts dan de brief van de Conf. Vereniging in z'n geheel volgen. De kern van deze brief is dat het streven naar macht ia de Kerk moet plaats maken voor de erkenning, dat wij inderdaad broeders zijn en dat daarom door kerkeraden naar wegen gezocht moet worden om vervreemding tussen gewone gemeenten en minderheidsgroepen op te heffen. Bijzaken als verschillende accenten in predUdng en liturgie mogen ons in deze tijden van verval niet langer van elkaar vervreemd houden.
Terwille van de duidelijkheid en de evenwichtigheid in de beoordeling laten wij hieronder volgen de tekst van de brief zoals die door het Hoofdbestuur van de Geref. Bond was opgesteld:
’De gemeente van Christus in deze tijd.’
Temidden van alle afbrokkeling en verval zoals deze zich openbaren in het kerkelijke leven van onze dagen, horen wij de roep van onze belijdenis om te blijven geloven in de vastheid van de gemeente van Christus. Deze gemeente is verankerd in de ambtelijke werkzaamheid van de opgestane en verheerlijkte Zahgmaker. Zij is als Zijn lichaam met Hem als het Hoofd verbonden, in Hem verkoren, gewassen door Zijn bloed en geheiligd en verzegeld door Zijn Geest (N.G.B. art. 27). Op deze wijze staat Christus' gemeente als Zijn bruid voor God en gaat zij als het nieuwe Godsvolk door de wereld: de kleine kudde van Gods welbehagen.
Het bestaan en voortbestaan van Christus' gemeente nu is in de H. Schrift ten nauwste gebonden aan de roeping Gods in Christus door het gepredikte Woord en de Heilige Geest. Calvijn noemde het Woord de ziel van de Kerk. In het gewaad van Zijn Woord en in de weg van de ambten, die in het N. Testament een meer dan toevallige betekenis hebben, komt Christus tot Zijn gemeente. Ook in onze tijd, waarin deze gemeente 'soms zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen' blijft Christus zich op deze wijze 'vergaderen, beschermen en onderhouden', wat Hem toebehoort.
De hartslag van alle kerkelijke leven is daarom voor altijd gelegen in de prediking van de rechtvaardiging van de goddeloze. En dat brengt met zich mede, dat Christus' gemeente zich daar in haar wezenlijke en geestelijke gestalte openbaart, waar mensen door de wederbarende werking van Gods Geest vernieuwd worden en door het geloof en door dagelijkse bekering in de gemeenschap van Christus komen ep in de gemeenschap met elkaar. Deze gemeenschap wordt mede onderhouden door de sacramenten.
Eerst in deze weg van de onderhouden en verdiepte kennis van Christus, het Hoofd der gemeente, zal de Kerk haar roeping kunnen realiseren om tegelijk ook een stad op de berg en een zout der wereld te zijn. Deze roeping is met het wezen der gemeente zo verweven als de schering en de inslag van een kleed.
In het licht van deze summiere grondlijnen over de Kerk moet het ons allen zeer bedroeven, dat het peil van onze gemeenten in velerlei opzicht zo ver beneden de maat van het 'heilige' blijft. Er is dode orthodoxie, waarin het leven véin Gods Geest gemist wordt en waardoor de Kerk aan werfkracht zeer heeft ingeboet. Vervolgens is er een prediking, die dermate verschraald is, dat de volle boodschap van het Woord nauwelijks meer doorkomt en weinig brood des levens wordt uitgereikt. En verder openbaart zich een nieuwe vrijzinnigheid, door welke de kerk hoe langer hoe meer ingedrukt wordt in de structuren van de gesaeculariseerde wereld.
Het Evangelie wordt versmald tot een nieuwe moraal in een sterk verhumaniseerde en versocialiseerde prediking met als vrucht een totaal andere visie op het gemeente-zijn. In dat raam wordt de Bijbel ontmythologiseerd en worden alle bijbelse begrippen zogenaamd vertolkt in de taal van de wereld. Onnodig te vragen, wat er in zulk een modernistisch gedachtenklimaat overblijft van de dodelijke ernst van de zonde als een van God gescheiden zijn, van Gods toorn, van de noodzakelijkheid van verandering van de gezindheid in de toekeer tot God, van de vragen rondom de persoonlijke toeeigening des heils, van de schriftuurlijke eis om zich onbesmet te bewaren van de wereld, en van de crisis (het grote oordeel).
De gemeente van Christus verliest hoe langer hoe meer het aanzien, dat zij heeft gehad kort na Christus' Hemelvaart en in de dagen van de Reformatie. Wij kennen allen het helaas vaak zo bloedloze en geesteloze kerkelijke leven van onze tijd. En het is vooral met het oog daarop, dat de beide hoofdbesturen van de Confessionele Vereniging en van de Gereformeerde Bond de behoefte gevoelen in een gezamenlijk schrijven aan u elkander te herinneren aan de hoge roeping, die wij ontvangen hebben om ons te meer te stellen tegen de machten die de gemeente van de Here Jezus Christus pogen te ondermijnen. Wij hebben in verootmoediging over onze persoonlijke en kerkelijke zonden slechts heil te verwachten van een gezamenlijke terugkeer tot de kracht van de reformatorische prediking, waarin de dynamis (de kracht) van het koninkrijk Gods zich onder ons openbaart. Het verval van de Kerk begint niet zelden bij haar ambtsdragers. Zijn niet juist de ambten gegeven voor de toerusting van de heilgen tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus? Daarom past het in het bijzonder de ambtsdragers van een mannelijke rijpheid te zijn in Christus en uit de volheid van de Zaligmaker te leven in hartelijke geloofsvereniging met Hem. Dat zal zijn vruchten dragen in een onversaagd bezig zijn in de gemeente. En de gemeente zelf zal daardoor kunnen worden opgewekt uit haar slaperigheid. Zij kan dan niet langer in de kinderschoenen staan, laat zich niet meer door allerlei wind van leer meevoeren om een prooi te worden van het 'valse dobbelspel' van dwaalleraars. Zo lezen wij het in Ef. 4.
Deze mannelijke rijpheid brengt met zich mede, dat kinderlijke ruzies moeten worden vermeden. Alle ambtsdragers en leden der gemeente hebben zich te houden aan de rechte leer en de rechte bediening der sacraimenten, zoals wij deze vertolkt vinden naar de Schrift in de belijdenisgeschriften van onze Kerk. Daarom moet er gezocht worden naar een gerichte oplossing wanneer met behoud van de rechte leer zich toch verschillen kunnen openbaren, b.v. in liturgische aangelegenheden, waardoor een breuk in de gemeente zou kunnen ontstaan. Wanneer een dergelijke breuk reeds is ontstaan, is het zaak de vraag ernstig onder ogen te zien, of deze en op welke wijze deze zal kunnen worden geheeld.
Wij hebben onszelf en elkaar te houden aan de volle waarheid van het Woord Gods. De roeping tot eenheid vanuit een diepere doorleving van de gemeenschap des geloofs met Christus bewege in het bijzonder degenen, die op het vlak van de gemeente leiding geven om het gesprek met elkaar niet te vermijden, maar biddende te zoeken naar wegen, waarlangs de gemeente van Christus haar 'aanzienlijkheid' kan behouden onder degenen, die buiten zijn. 'Maar het volk hield hen in grote achting' (Hand. 5 : 13).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's