De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geen ander Evangelie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geen ander Evangelie

11 minuten leestijd

In ons vorige artikel over het Schriftgeloof in de Nederlandse Geloofsbelijdenis hebben wij ons vooral beziggehouden met de vraag naar de geschiedenis in verband met allerlei schriftcritische methoden, die zich in onze eeuw opnieuw sterk naar voren dringen. Een tweede punt, waaraan we aandacht willen geven is dat van de evolutie en het moderne vooruitgangsgeloof. We volstaan met enkele opmerkingen, omdat over dit onderwerp al zoveel geschreven is.

Evolutie en modern vooruitgangs geloof

We zagen, dat het grensverkeer tussen theologie en natuurwetenschap met zich mee heeft gebracht, dat men bv. de scheppingsverhalen uit het begin van de Bijbel niet als historisch verifieerbare verhalen opvat, maar op zijn best als historiserende verhalen (de dingen worden in een historisch kader gezet om uitdrukking te geven aan wat gepredikt wil worden).

Maar als Gen. 3 een stukje zielsgeschiedenis heet, als men na de loochening van de historiciteit van Adam ook de historische zondeval wegredeneert (en dat is alleen maar logisch), dan komt uiteraard ook de leer der erfzonde en van de zonde in het algemeen, van zijn historische verbanden losgemaakt, er heel anders uit te zien. Als de mens van het dier afstamt, kan dan het karakter van de zonde als schuld voor God nog wel echt worden doorleefd? Het kwade is immers, volgens de moderne wetenschapsman, altijd al inhaerent geweest aan het mens-zijn! En dat is een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Men kan dan nog wel met veel klem beweren, dat zonde de weigering betekent van de mens om zich aan Gods scheppingswil te onderwerpen. Maar ligt het excuus voor deze weigering niet voorhanden in de dierlijke afkomst van de mens? En mag God, met eerbied gezegd, al niet heel blij zijn, dat we het met elkaar zo ver gebracht hebben in de wereld? Dat er in de kwekerij van het bestaan op aarde zo nu en dan ongelukken gebeuren, dat zijn nu eenmaal storingen in het ontwikkelingsproces, die we met vereende krachten vroeg of laat wel zullen overwinnen. Ziedaar de prediking van het 'doe-het-zelf', van een genade Gods, die slechts helpende genade is en met wedergeboorte in de zin van totale hartsvernieuwing niets te maken heeft.

Zij rust in een ongegrond, hoogmoedig optimistisch mensbeeld, dat door de feiten o.a. van twee wereldoorlogen in één halve eeuw wordt afgestraft en dat daarom of tot een diepe wanhoop en vertwijfeling leiden moet (we kunnen het rondom ons tasten) of tot een overspannenheid, waarin de mens als god vereerd wordt.

Het vooruitgangsgeloof, dat al sedert de dagen van de zogenaamde verlichting (18e eeuw) bij velen leefde, is gebaseerd op een daemonische overschatting van de menselijke rede en op de overtuiging, dat de mens een ingeboren goedheid heeft, waarmee hij zichzelf op een hoger plan brengen kan. Dat heeft met zich meegebracht, dat men tot een ontwikkelingsfilosofie kwam, die in feite de stoot gaf tot de zg. evolutietheorie, die men dan later met gegevens van de biologische en geologische wetenschap heeft gemeend te kunnen dekken. Het vooruitgangsgeloof was er dus al, voordat de evolutieleer er was. En dat is tekenend. Dat moet ons in ieder geval op zijn minst voorzichtig maken in de hantering van gegevens, die ons door de autonome wetenschapsman worden voorgelegd. In hoeverre speelt bij de 'objectieve' wetenschappelijke arbeid vandaag dit verlichte vooruitgangsgeloof een rol en in hoeverre bepaalt dit de beoefening van de wetenschap. Dat is in ieder geval net zo'n dringende vraag als die andere vraag, die altijd gesteld is: in hoeverre de wetenschapsmens vroeger in zijn 'objectieve' onderzoekingen innerlijk afgeremd werd door zijn door de kerk voorgeschreven geloofsvoorstellingen.

Zuivering van het Godsbegrip

Men vrage zich dus voor God en zijn geweten wel af, of het veelgeprezen vooruitgangsgeloof van de moderne mens niet één van de motoren is, waardoor de machine van de Schriftcritiek in beweging komt. Men weet met de. boodschap van zonde en genade in Gereformeerde Bijbelse zin geen raad meer. Men poogt de moderne mens in het gevlei te komen door overal in de Schrift mythische elementen te ontdekken en op deze wijze de ergernis van het moderne verstand ten aanzien van de voorstellingen van de Bijbel op te ruimen. Een Hervormd predikant schreef onlangs: 'Al de figuren, die wij in Gen. 1—11 vinden, hebben nooit bestaan als mensen van vlees en bloed. Het zijn gestalten, die door Isrels geloof geschapen zijn' (sagen)

En tenslotte zal men zich in gemoede dienen af te vragen, of men bij zijn critische beschouwingen ten aanzien van Gen. 1— 3 en ten aanzien van heel de Schrift niet uitgaat van vooronderstellingen, die een zuivering in het godsbegrip bedoelen. Men weet met de God van de Bijbel, Die aan gindse zijde van de tijd woont geen raad. Bestaat deze God en heeft Hij Zich in Schepping en Verlossing, ook door duizend en één wonderen heen, geopenbaard, ja dan neen? !

Wij staan als in Elia's dagen op de Karmel. En de keuze gaat tussen de Baal en Jahweh. De natuurgod, de god der evolutie. Hij antwoordt niet door vuur. En Jahweh, de God van het wonder, die beslissend ingrijpt in de geschiedenis. Die twee moeten we niet verwarren. Dat is evenals in Elia's tijd de kwaal van onze tijd. Die twee moeten we als Elia uit elkaar halen. En dan moeten wij het maar zeggen: 'Wie is er nu uiteindelijk God? !’

Schepping en Verlossing

Nog een derde punt willen we ter sprake brengen. Het is immers duidelijk, dat critische beschouwingen met betrekking tot de historiciteit van Adam en de Genesisverhalen bijna nooit op zichzelf staan. Meestal wordt heel de Schrift in deze critiek meegezogen. Dat kan ook moeilijk anders, omdat het begin van de Bijbel verderop in de heilige Schrift telkens terugkeert. Men vergelijke de parallellisering van Adam en Christus in Rom. 5 : 12w (vgl. verder 1 Cor. 11 : 8v; 2 Cor. 11:3; 1 Tim. 2 : 13, 14). Bovendien zijn schepping en verlossing tezeer op elkaar betrokken, dan dat een nieuwe visie op het één ook niet een nieuwe opvatting van het ander zou meebrengen.

De vraag kan gesteld worden, of de af­wijzing van de historiciteit van de zondeval ook niet een totaal nieuwe waardering meebrengt van de historiciteit van Christus en Zijn verlossingwerk. In ieder geval weten we, dat de gegevens van het Nieuwe Testament over de maagdelijke geboorte voor het besef van vele Bijbelcritici ook maar inkleding zijn van het verhaal over Jezus van Nazareth. Hij was per slot van rekening een gewoon mens, geboren uit een man en een vrouw, maar dan een mens met een buitengewone zending en boodschap. Daar komt nog bij, dat men de Evangeliën vaak beschouwt als produkten van de eerste christengemeente. En wie weerhoudt er ons dan van om ook de opstandingsverhalen van de Paasmorgen als mythologische beschrijvingen te beschouwen: als men de hof van Jozef met een historisch en biologisch vergrootglas zou kunnen bekijken, ziet men ... niets!

Inmiddels zou het geloof in Jezus daaronder niet lijden. Het lijdt er o.i. in zoverre onder, dat alles ijdel wordt (1 Cor. 15 : 13—22), dat wij ook niet meer in Jezus de Verlosser ontmoeten. Die door God de Vader in de wereld gezonden is om als de God-mens (naar het klare getuigenis van heel de Schrift) plaatsvervangend de zondeschuld te boeten en de straf, die ons de vrede aanbrengt voor God te dragen.

Voor wie in Jezus nooit meer heeft gezien dan de grote mens, die ons inspireert tot grote daden, verandert er inderdaad niets. Maar men moet wel blind zijn om dan nog vast te houden, dat dat geen ander Evangelie is.

Geen ander Evangelie

Dit andere Evangelie zou ook door de Grieken kunnen zijn uitgedacht en past het niet in het Griekse denken, dan heeft de Israëliet Jezus de Griek in vindingrijkheid overtroffen. Maar het is in ieder geval niet meer het Evangelie, dat eeuwig in Gods hart was en in de geschiedenis van Jezus' kruis en opstanding gestalte kreeg, een Evangelie, dat de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid was. Ik maak me sterk, dat de moderne Jood in zijn 'doen' en de moderne Griek in 'zijn 'denken' door dit moderne humanistische Evangelie goed aanspreekbaar zijn. Maar of ze er ook zo naar willen luisteren? ! Het nieuws is er gauw af. En de kerken worden hoe langer hoe leger.

Onze conclusie is, dat de relativering van de geschiedenis van Gods grote daden in schepping en verlossing vroeg of laat tot soortgelijke beschouwingen leidt als de idealistische in de vorige eeuw en dan zitten we weer midden in de oude vrijzinnigheid.

En om de lijn nog wat door te trekken naar het ethische terrein: het reformatorische Schriftgeloof behoedt er ons voor te verzanden in een situatie-ethiek, waarbij het voorbeeld van Jezus het grote oriëntatiepunt is, maar waarin de mens zelf in een normloos liefdesbesef van stap tot stap zijn eigen weg moet zoeken. De geboden Gods zijn dan niet langer de absolute, door Gods vinger geschreven leefregels voor de mensen uit alle tijden, maar voorbeelden van hoe het in een bepaalde tijd kon en moest. Nu kan en moet het op een gegeven ogenblik heel anders.

Een oecumenisch raakvlak

We eindigen onze opmerkingen over artikel 3 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis door een paar voorbeelden te geven van een radicale verandering in de Schriftbeschouwing in bepaalde Rooms-katholieke kringen. Daardoor zal het ons duidelijk worden, dat hier een oecumenisch raakvlak ligt, dat voor ons bepaald geen aanbeveling betekent om mee te doen in de toenadering tussen Rome en Reformatie, zoals deze zo druk wordt voorgestaan.

In de vorige eeuw, zo meldt Polman (a.w., blz. 188) greep de Bijbelcommissie te Rome telkens in, als progressieve theologen tot bepaalde resultaten kwamen, die met het eeuwenlange belijden van de christelijke kerk onverenigbaar waren. De Bijbelcommissie handhaafde de Mozaïsche echtheid van de eerste vijf Bijbelboeken (tegen de geleerden, die de theorieën van de bronnensplitsing aanhingen), zij bestreed de gedachte, dat Jes. 40—66 van een Deutero-Jesaja zou zijn, geschreven dus door een ander dan de Jesaja van hoofdstuk 1—39 en daterend uit de tijd van de ballingschap. Ook werd de mening verworpen, dat Gen. 1—3 geen verhalen zouden bevatten van werkelijke gebeurtenissen, die beantwoorden aan de objectieve werkelijkheid en de historische waarheid, maar dat zij ofwel fabels zouden zijn ofwel allegorieën of symbolen, die in de vorm van een geschiedkundig verhaal zijn voorgesteld om godsdienstige en wijsgerige waarheden ingang te doen vinden, ofwel tenslotte legenden, die deels historisch, deels gefingeerd zijn en bij wier samenstelling men vrij te werk is gegaan om de mensen kennis en stichting bij te brengen.

Welnu, dat is wel heel wat adders dan wat men leest in de nieuwe catechismus van de Nederlandse Rooms-katholieke kerkprovincie. Daar wordt gezegd: 'Gen. 1—11, dat zijn oerverhalen: Adam, Kaïn, Noach, Babel. Wij weten, dat zij geen beschrijving zijn van losse historische feiten. Zij gaan dieper. In symbolische verhalen wordt de kern van heel de mensengeschiedenis beschreven, ook van die welke nog komen moet. Adam, hij is de Mens, Kaïn, hij staat in de krent en hij kan te zien zijn in ons eigen hart, Noach en de Babelbouwers, wij zijn het zelf ... Viermaal beschrijft de oergeschiedenis een zondeval: het eten van de verboden vrucht, de broedermoord, de bedorvenheid van Noachs tijdgenoten, het bouwen van Babel. Deze daden zijn symbolen van onze grote zonden ...' Hier dus geen beschrijving van het begin van de mensheid, maar beeldrijke verwoording van heel de glorie en misère van ons mens-zijn.

We zouden vele uitspraken uit deze nieuwe R.K. catechismus neer kunnen schrijven om duidelijk te maken, hoezeer men hier het standpunt van de Bijbelcommissie uit de vorige eeuw heeft verlaten, de evolutiegedachte radicaal in alle beschouwingen heeft verwerkt, de maagdelijke geboorte bv. als een uitdrukking van de Evangelisten ziet om te verkondigen, dat Jezus' geboorte, oneindig meer dan die van enig mensenkind, in geen enkele ver- houding staat tot wat mensen uit zich kunnen denken. Kortom, aan de hand van het zogenaamde litteraire genre komt men hier tot een totaal andere omgang met de Bijbel. Twee voorbeelden mogen dat tenslotte nog adstrueren: het verhaal van Samuels roeping wordt aldus verpsychologiseerd: en jongen weet niet, of hij geroepen is; hij denkt erover na; hij denkt ja, hij denkt nee; 's nachts ligt hij erover te peinzen; hij spreekt er met anderen over...' En van de twaalfjarige Jezus zegt deze nieuwe catechismus ergens, dat hij blijkens het verhaal van zijn eerste gang naar de tempel (Luk 2 : 41vv) 'een intelligente jongen is, die zijn roeping ontdekt’.

Er zou veel meer te noemen zijn. We laten het hierbij. Er is veel aan het veranderen, zowel in het protestantse als in het Rooms-katholieke kamp. Maar elke verandering is nog geen verbetering. En als wij vandaag dwars door alle kerken heen een aantasting van het Schriftgeloof der gemeente en van het Schriftgezag in de prediking in modernistische zin zich zien openbaren, dan weigeren wij beslist om deze dure prijs te betalen voor een hooggeroemde eenheid en op deze wijze elkaar te vinden in de dwaling. Dan roepen wij elkaar liever op tot een gehoorzaam buigen onder het getuigenis van de Schrift, met hoofd en hart, in leven en sterven. In de persoonlijke ontmoeting met de opgestane Christus door het Woord en door de Geest wordt een mens van heel wat ongeloof en twijfels verlost. En alleen "zo komt hij tot een kinderlijk en onvoorwaardelijk: ijn Heere en mijn God (Joh. 20:28).

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Geen ander Evangelie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's