’Het Heilig Pinksterfeest’ van Hadrianus Visscherus V
Petrus’ verantwoording
Visscherus kan het zich niet anders voorstellen dan dat de woorden die Petrus gesproken heeft op de Pinksterdag door hem gezegd zijn met de volle instemming van de andere apostelen. De triomfantelijke uitroep van de roomse Bellarminus: Zie je wel dat Petrus in de kring van de apostelen en oerchristelijke gemeente de functie van Opper-bisschop heeft vervuld, immers door hèm is het woord gevoerd op Pinksteren — wijst hij af met de opmerking dat Petrus niet meer geweest is dan de mond van de anderen, met wie hij tezamen één college vormde, en dat die taak door hem vervuld is omdat hij misschien de oudste was, of de welsprekendste of de vrijmoedigste.
Er staat dat Petrus zijn stem verhief. Hoe vrijmoedig en onversaagd is hij thans, heel anders dan in de weken die voorafgingen. Een christen moet zijn ambt bedienen met heilige vrijmoedigheid. Wees niet bang en vreesachtig. Predikanten moeten onbeschroomd de zonden bestraffen, van hoog en van laag. Alleen: vrijmoedigheid is wat anders dan roekeloosheid. De echt vrijmoedige christen weet ook te dulden en te dragen, namelijk wanneer hij aangetast wordt in eigen eer of beurs. Maar gaat het om de eer van God, dan handelt hij zonder aanzien des persoons, gelijk b.v. een Pinehas en David.
Aparte aandacht krijgt even dat Petrus toen hij zijn preek hield niet zat maar stond, immers er staat: Maar Petrus staande met de elven ...
De wederdopers en mennisten — die door Visscherus niet al te duidelijk worden onderscheiden — krijgen bij deze gelegenheid te horen, dat zij slechts een schijn ophouden door zich zozeer te verzetten tegen de preekstoelen in de gereformeerde kerken en het staan van de dominees daarop, als zou het veel 'zediger' en bescheidener zijn om in de vergaderingen der gelovigen te zitten, gelijk hun vermaners gewend zijn te doen. Stoort u daar niet aan, voegt Visscherus zijn collega's bemoedigend toe, te staan op een preekstoel is 'stichtelijk' en bovendien een oude gewoonte, zo kan iedereen de dominee zien, horen en verstaan, en bovendien is het 'eerbiedig' om sprekend het Woord Gods daarbij te staan.
Dat Petrus heeft gepreekt op de Pinksterdag is voor Visscherus een gerede aanleiding geweest nog eens te onderstrepen dat het in ons geloof wel degelijk aankomt op kennis. Het Woord moet worden uitgelegd. God wil dat het rijkelijk in ons zal wonen. Geen lust te hebben aan de kennis der waarheid is een kwalijke zaak. In wereldse dingen tracht iedereen bij de tijd te zijn, en zou je dan in het geestelijke een domoor mogen blijven? Nodig is dat wij God leren kennen, in zijn wezen, eigenschappen en werken, onszelf als doemwaardige zondaren, de Heere Jezus Christus, in zijn persoon, ambten, staten en verdiensten, en nog vele andere dingen meer. Doch met een 'blote keimis' mogen wij niet volstaan, zij moet zijn een kennis des geloofs, der liefde en der gehoorzaamheid.
De roomse Bellarminus verdedigt het zogenaamde 'kolenbranders-geloof', of ook wel 'smids-geloof' genoemd. Men vroeg die arme drommel: wat gelooft u? waarop zijn antwoord was: ik geloof wat de 'kerk gelooft. En of dat nog niet erg genoeg was, toen men hem vroeg: en wat gelooft dan de kerk, wist hij niet beter te zeggen dan: wat ik geloof!
Wij hebben dus nodig kennis der waarheid die naar de godzaligheid is. Je bent al een heel eind als je de 12 artikelen kent, de Wet des Heeren en het Gebed des Heeren, de betekenis verstaat van doop en avondmaal en enigszins op de hoogte bent van de kerkelijke tucht, alleen: het gaat om kennis van de zin van dit alles. Daartoe heb je meer nodig dan alleen een van buiten opzeggen, bovenal de verlichting van de H. Geest.
Het verwijt dat zij dronken zouden zijn geweest is door Petrus met kracht van de hand gewezen. Het was ook geen kleinigheid. Er is nauwelijks een verfoeilijker zonde denkbaar. Natuurlijk mag men wel wijn en bier gebruiken, maar met mate. Dronkenschap berooft de mens van zijn zinnen, als een dwaas tuimelt hij door het leven. Zijn gezin lijdt er onder, en niet minder zijn gezondheid, je lever, je longen en wat niet al wordt er door aangetast. Van enige kennis Gods en zijn werken kan er tijdens dronkenschap geen sprake zijn, kortom, het is een groot kwaad. En toch, wij Hollanders staan er voor bekend. Spanjaarden en Fransen drinken niet zoveel als Nederlanders. Niet alleen mannen staan er aan schuldig, ook vrouwen en zelfs kinderen. Zij offeren hun kracht, gezondheid, ziel en zaligheid aan Bacchus. Al 's morgens vroeg zie je dronken mensen op de straat, en nog het meest op de dag des Heeren. Er zijn er die het bestaan om 's morgens aan het avondmaal te zitten en 's avonds zat en vol in het kroeg-huis. Geen wonder dat Petrus met afschuw deze aanklacht van dronkenschap heeft afgewezen. De vuige laster mag door ons christenen worden afgewezen, aan een goede naam is veel gelegen. Job heeft zijn onschuld bepleit voor zijn vrienden en Paulus heeft het gedaan voor Felix en Festus. De nood kan het vereisen dat men opkomt voor eigen naam, dat hoeft nog niet altijd gelijkhebberij te zijn. Alleen, er moet wel onderscheid worden gemaakt tussen wat uw persoon en wat uw positie, uw ambt, uw publiek aanzien betreft. Een christen zal lasteringen die alleen zijn persoon aangaan ootmoedig dragen, maar raken zij zijn ambt en positie, en daarmee de eer en de dienst van zijn God, dan schroomt hij niet zich te verdedigen. Petrus op Pinksteren het ook gedaan, ons tot voorbeeld.
Wat dat vóórbeeld betreft, daarvan is nog wat te zeggen. Men leze eens nauwkeurig wat Petrus heeft gezegd. Deze zijn niet dronken gelijk gij vermoedt... en dan het argument: want het is pas de derde ure van de dag!
Geen omhaal van veel woorden, kort, zakelijk, bovendien zonder bitterheid en zonder schelden heeft hij zijn zaak bepleit. Hij snijdt slechts af een 'verkeerd vermoeden', niet zachter heeft hij het kunnen zeggen. Christenen hakken en houwen niet naar links en naar rechts, zij hebben een eigen 'schuldboek', waarin zij gewend zijn veel te kijken en waarin zij meer dan genoeg vinden. Zij onderzoeken niet 'curieuslijk' het leven van anderen, bemoeien zich niet teveel met de dingen van anderen. Reeds het kwaad denken van een ander is zonde. Zo hebben wel de spotters gedaan, maar Petrus heeft ze niet met gelijke munt betaald. Alle christenen van alle tijden kunnen er van leren.
Maar dit is het wat gesproken is door de profeet Joel. .. Dat is Petrus' allerbeste antwoord en verdediging geweest. Het Woord zal het moeten doen! De geestdrijvers houden het voor een dode letter, een a.b.c.-boek voor kinderen en beginnelingen, maar zij kennen de kracht Gods niet. Erkent de Schrift als de volmaakte regel voor uw geloof en leven! Houdt u er de sectariërs mee van het lijf, de socinianeri, de wederdopers, de coornhertisten en arminianen, zij brengen u van de rechte weg. De een ontkent dat Christus waarlijk God is, de ander dat Hij waarachtig mens is geworden, een derde dat er erfzonde is en een vierde roemt in zijn vrije wil, dat zijn lang geen onschuldige zaken, zij raken de fundamenten van het christendom en niet minder die van uw eeuwige zaligheid.
.Petrus heeft daartegenover zich beroepen op het gezag van God zelf. Terwijl hij citeerde uit Joel stelt hij toch met nadruk: God zegt... De Heilige Schrift is het boek dat door Gods Geest is ingegeven. De hand van profeten en apostelen is door God zelf bij het schrijven bestuurd en geregeerd. De stijl van de Schrift is goddelijk. Er gaat een bijzondere kracht van haar uit. Zij bekeert, sterkt en troost de zondaar.
De roomsen noemen haar een doolhof, een boek van de ketters. Trente stelde de traditie naast en in feite boven haar. Het zou, volgens Bellarminus, de kerk zijn, die gezag heeft gegeven aan de Schrift. Nu wil Visscherus, zegt hij, de kerk allerminst versmaden, maar haar plaats is desniettemin niet boven maar onder de Schrift. Het eigen getuigenis van de Schrift zal het zwaarste moeten wegen.
Wil het echter vast worden in onze harten dan is de Geest nodig, die het bevestigt en bekrachtigt. Leert u aan beide onderwerpen, het Woord en de Geest. Dan zult ge sterk staan, zo sterk als Petrus op de Pinksterdag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's