De toelating tot het Heilig Avondmaal
De ontkoppeling van belijdenis en avondmaal en de kindercommunie vormen al geruime tijd een punt van gesprek binnen de Hervormde Kerk. Thans heeft de synode zich gebogen over een discussienota terzake, opgesteld door ds. F. H. Landsman en dr. C. P. van Andel. Nadat een beschrijving is gegeven van de verschillende avondmaalsopvattingen in de Hervormde Kerk, wordt uit de Schrift duidelijk gemaakt dat belijdende gelovigen rondom de tafel des Heeren samen kwamen (Hand. 2 : 43; 1 Cor. 10 : 21; 1 Cor. il : 29). Daarna volgt een historische schets, waaruit blijkt hoe in de oude kerk en in de tijd van de Reformatie de relatie van de kinderen tot het H.A. werd gezien. Luther en Calvijn hebben kinderen tot het H.A. toegelaten, echter niet dan na het afleggen van belijdenis des geloofs. Tegelijkertijd wordt er echter op gewezen dat sindsdien de grens der volwassenheid belangrijk is opgeschoven. Veel kinderen van 10 jaar waren in die tijd al ingeschakeld in het arbeidsproces. Hugo de Groot promoveerde op zijn zeventiende jaar. Melanchton werd op negentienjarige leeftijd professor. Calvijn schreef zijn Institutie toen hij 26 jaar was.
De opstellers van de nota kwamen tot de conclusie dat er in de traditie van onze kerk een onlosmakelijk verband is tussen de toelating tot het H.A. en de openbare belijdenis desv geloofs, na voorafgaande catechese. Letterlijk wordt gezegd: 'Niet alleen doop en avondmaal horen bij elkaar, ook belijdenis en avondmaal. Zo lezen wij de Schriften en zo heeft de kerk het aanvankelijk gezien en het in de tijd van de reformatie opnieuw leren verstaan. Rond de tafel van de Heer zitten belijdende christenen, die in staat zijn het Lichaam van Christus te onderscheiden. Degenen, die momenteel pleiten voor 'ontkoppeling' van belijdenis en avondmaal zullen er rekening mee dienen te houden, dat zij op z'n minst door het getuigenis van het Nieuwe Testament en de reformatorische traditie in het ongelijk worden gesteld.
Om te komen tot het onderscheiden van het Lichaam des Heren is onderricht nodig. Het belijden vooronderstelt catechese. Hier ligt primair een taak bij de ouders. De kerk (en in vele gevallen ook de school) is bereid hen daarbij van dienst te zijn. Belijden vraagt om een keuze. Een keuze kan slechts gedaan worden als men de keuzemogelijkheden kent. Daarom pleiten wij voor een goede catechese'.
Na deze conclusies volgen dan enige richtlijnen, waarin de mogelijkheid wordt gesteld om te komen tot nieuwe vormen van openbare belijdenis, waarbij o.a. ook de kinderen der gemeenten meer dan voorheen betrokken zouden kunnen worden. En dan wordt tenslotte gezegd dat als de kerk tot de beslissing zou komen ook kinderen in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan de viering van het avondmaal, erm§e dient gerekend te worden dat de catechese anders moet gaan functioneren, meer op de eredienst gericht moet zijn, dat ouders een nieuwe verantwoordelijkheid ontvangen, zodat b.v. de huisdienst in ere wordt hersteld, en dat een. andere regeling ontworpen moet worden voor het actieve en passieve kiesrecht, omdat de jongens en meisjes geen verantwoordelijkheid mag worden opgelegd die ze niet kunnen dragen. Verder wordt nog gezegd dat de toelating in gezinsverband een voorlopig karakter zou kunnen dragen, waarvan de kinderen zelf later de consequenties onder ogen dienen te zien door dan belijdenis des geloofs af te leggen. Het zou, aldus de opstellers, ook mogelijk zijn de kinderen op jongere leeftijd dan nu het geval is belijdenis te laten afleggen, onder de belofte hunnerzijds dat ze nog enkele jaren het catechetische onderwijs zullen volgen.
In de bespreking op deze nota kwam allereerst aan de orde de kwestie van de noodzaak van het geloof i.v.m. de sacramenten. Sommigen hadden de nadruk gelegd op de objectieve werking van de sacramenten (ds. M. V. d. Bosch) waardoor ook kinderen ten avondmaal mogen. Prof. dr. G. C. van Niftrik gaf in dit verband toen een stukje college weg dat indruk maakte. Hij begon met een 'zonde van zijn jeugd' te biechten. Enkele jaren geleden had hij i.v.m. de doop gezegd dat het heil — objectief gezien — zó overweldigend is dat de doopvragen bij de doop wel afgeschaft kunnen worden. Nu is inderdaad Gods heil zó overweldigend dat het menselijk antwoord eigenlijk niet ter zake doet. De Dordtse Leerregels spreken er over dat het bloed van Christus voldoende is tot bedekking van de zonde van de ganse wereld. Maar men kan deze objectiviteit van het heil maken tot een ideologie, waardoor men een tegenstelling gaat scheppen tussen het objectieve enerzijds en het subjectieve van de toeeigening van het heil anderzijds! Het objectieve wordt dan tegen het subjectieve uitgespeeld, een tendens die de laatste jaren in kerk en theologie duidelijk aan het licht treedt. Maar het subjectieve element is er óók. We zijn met Christus begraven (niet Christus met ons, dat zeggen ze momenteel in Amsterdam!). We zoeken het heil buiten onszelf in Christus. Dit alles wijst enerzijds op het objectieve van het heil, maar teven op het subjectieve. Wij zoeken (subjectief) het heil buiten ons zelf (objectief). Wij moeten dus zoeken en vinden. Indien gij gelooft, zo is het geoorloofd zegt de Schrift'.
Prof. dr. A. J. Bronkhorst stelde de vraag of kinderen in staat zijn het lichaam des Heren te onderscheiden. Daarvan hangt het af of toelating van kinderen tot het avondmaal mogelijk is. Ds. H. Binnekamp had er al eerder op gewezen dat openstelling van het avondmaal voor kinderen het avondmaal verlaagt tot een liefdemaaltijd. Hij stelde de vraag voor wie het Avondmaal is ingesteld en citeerde daarbij het antwoord uit de Heidelbergse Catechismus. Maar een kind kan toch ook geloven? In dit verband haalde ds. Binnekamp echter het woord van Paulus aan: Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, maar nu ...
Al kan een kind wel geloven, dan wil dat nog niet zeggen dat het de kern, waarom het gaat, aan het avondmaal kan onderscheiden. Ds. Binnekamp vreesde toch \dat openstelling van het avondmaal voor kinderen een ondermij ing van het belijden der kerk zou zijn.
Ds. W. Kalkman wees in dit verband op het gevaarlijke van de richtlijnen aan het eind van de nota, waarin andere vormen van belijdenis doen werden bepleit. Ds. F. J. Goethals zei: eerst (in de nota) kan het allemaal niet en tenslotte kan het toch allemaal wel.
Inmiddels echter bleek ter synode ook al wel dat de zaken, waarom het in de bespreking ging, binnen de kerk al functioneren. Ds. Posthumus Meijjes van Amsterdam sprak al over de traditie van de Maranatha kerk in Amsterdam, waar de lagere schooUeeftijd de meest geschikte leeftijd blijkt te zijn om kinderen tot het avondmaal toe te laten.
In dit verband nog een vraag van prof. Van Niftrik: 'Zijn we niet krampachtig bezig om in Schrift en Belijdenis te zoeken naar dingen die we allang doen? '
Toen tenslotte over het stuk gestemd werd bleken 7 synodeleden er bezwaren tegen te hebben dat het stuk als praatstuk dg kerk inging. De rest was voor. Dus gaat het stuk de kerk in om op kerkeraden en gemeenteavonden besproken te worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's