Reformatie en Revolutie I
Onderscheid
Aanleiding
De bekende kanselredenaar professor J. J. van Oosterzee schreef in het jaar 1867 een vijftigtal aphorismen (korte pittige spreuken) over bovengenoemd onderwerp. Dat geschiedde ter gelegenheid van de Evangelische Alliantie in vergadering te Amsterdam bijeen. Onlangs kwamen ons deze uitspraken onder de ogen en het leek ons goed ze aan de vergetelheid te ontrukken, mede met het oog op het feit, dat tegenwoordig de theologie der revolutie in allerlei kringen opgeld doet en wordt beschouwd als het allernieuwste. In dit en volgende artikelen willen we u een eigen vertolking geven van de gedachten door Van Oosterzee ontwikkeld. De parallellie met onze tijd doet zich vanzelf aan u voor.
Onderscheid
In 1867 viert men het driehonderdvijftigste gedenkjaar van de Kerkhervorming. Maar dat gebeurt in een periode van omwenteling op het gebied der Christelijke kerk en der theologische wetenschap. Van Oosterzee bedoelt de opkomende liberale richting. Enerzijds is er luide toejuiching, anderzijds diepe afschuw. Met het oog daarop is het niet overbodig deze omkering te toetsen aan de geest en de beginselen der reformatie zelf, en daarbij het eeuwig-principiële verschil tussen reformatie en revolutie scherp in het oog te vatten. Immers, nog altijd verandert de Satan ook in dit opzicht zichzelf in een engel des lichts.
De reformatie van de zestiende eeuw is geen eenvoudige terugkeer tot het apostolische Christendom geweest, noch een onbeperkte emancipatie der individuele conscientie, ook geen afval van het Christelijk-Evangelische beginsel, maar veeleer een krachtige loutering van de Kerk des Heeren. Deze reformatie is nog allerminst voltooid te achten. Integendeel aan kerk en theologische wetenschap blijft voortdurend verdere bezinning geboden, vooral ziende de ernst van de tijd. Waarachtige vernieuwing en zuivering moet de leuze wezen, al klinkt de waarschuwing wèl op, niet alle vernieuwing als winst te begroeten, want de Babylonische spraakverwarring van de eeuw maakt het moeilijk vriend en vijand te ónderscheiden.
De voortzetters van het werk der Hervorming zijn degenen, die de beginselen van de reformatie steeds verder willen doorvoeren op de brede terreinen van kerk en staat. Als tegenstanders moeten zij worden aangemerkt, die het principe van de reformatie weerspreken; vooral zij, die ten aanzien van de enige weg der behoudenis een boodschap verkondigen die gespeend is van de Bijbelse leer der verzoening. Reformatie en revolutie zijn niet alleen in graad onderscheiden, maar ook in wezen en soort.
Kern
Het onderscheid tussen reformatie en revolutie valt niet altijd terstond in het oog. Men kan revolutionair optreden en als hervormer eindigen; men kan ook reformatorisch beginnen en revolutionair eindigen. Derhalve is bedachtzaamheid vereist om niet voorbarig als leugenleer af te wijzen, wat allicht tot een dieper inzicht in de geopenbaarde waarheid kan voeren. Aan de andere kant moet men niet een diepte van Christelijke wijsheid in ideeën vermoeden, waarachter zich veeleer een diepte des Satans verschuilt.
De onderscheiding is op de duur niet onmogelijk, mits men slechts bij de beoordeling van anderen de enig ware toetssteen gebruikt, en zélf een oog heeft, verlicht door de Heilige Geest.
Reformatie
In de arbeid der reformatie is het hoofdkenmerk de belijdenis van de waarheid Gods. De reformatie wil bouwen met behoud en bevestiging van het fundament, dat eenmaal gelegd is. Men hoveniert daar door de eeuwenoude stam van slingerplant en waterlot te zuiveren. Ge ziet er strijd voor waarheid en recht, maar het accent valt op het recht Gods. De Hervorming kampt met geestelijke wapens alleen — ze heeft een reveil op het oog. Daarom is haar doel zeker een metamorfose*), maar in paedagogische zin, als de ontwikkeling van het kind, dat tot het standpunt van de jongeman, de man, de vader vooruitstreeft. Het beginsel der reformatie heeft voortgang ten gevolge van een evoluerend proces; dit, in contrast met de idee der revolutie. De geest der reformatie is kenbaar aan de steeds dieper opgevatte en luider herhaalde belijdenis van zonde ter ener en genade ten andere zijde. De zonde wordt daar aanvaard als persoonlijke schuld met al de gevolgen, die uit deze erkentenis onvermijdelijk voortvloeien. Ten aanzien van de vraag van waar het kwaad zijn oorsprong heeft, klinkt in het reformatorische kamp steeds het woord: 'Ik heb gezondigd' en 'Soli Deo Gloria'. Dit beginsel der reformatie mag in zijn strekking heilzaam en weldadig heten; het is de ontwikkeling van een tijdelijk verborgen principe. Het dient als de storm, waardoor het luchtruim wordt gezuiverd. De dragende kracht daarvan is zelfverloochening en dienende liefde. Door smartelijke strijd ontmoet de reformatie toch uiteindelijk haar zegepraal. Deze reformatie predikt vrijheid, maar is gegrond in een hoger beginsel van onbepaalde onderwerping en is als zodanig de onverzoenlijke vijand der revolutie. Het reformatorisch beginsel, door Luther vertegenwoordigd, heeft het wilde vuur van Münzer en de zijnen niet ontstoken, maar gestuit en geblust. Zou Luther nog eens in ons midden terugkeren, geloof het genist, dat hij zich kras zou teweerstellen tegen allen, die zich ontslagen achten van de gehoorzaamheid des geloofs aan het Woord van Christus en zijn apostelen. De reformatie roepe nooit de revolutie als tijdelijke bondgenoot in, want daardoor vernietigt zij ten enenmale haar eigen zaak.
Die een vriend der eerste wil zijn, wordt als een vijand der laatste gesteld. Voortgezette reformering in Bijbelse zin is juist het doeltreffendste middel om de geest der revolutie te stuiten in kerk en wereld. Daartoe moet ze zelf de bronnen der revolutie stoppen en die behoefte bevredigen, die de revolutie wel aan de dag brengt, maar niet stilt. Elke waarachtige reformatie der kerk gaat vroeger of later gepaard met een reformatie der theologie, , en ook omgekeerd.
Toch is in de regel de reformatie der kerk de oorsprong en bron van de vernieuwing en zuivering der theologie. Het leven wordt weliswaar in geen geringe mate bepaald door de leer, maar toch wordt tenslotte de ware leer eerst uit het nieuwe leven geboren. Men zou voor onze tijd kunnen zeggen: geen structuurverandering baat, alleen wedergeboorte. Hoe meer de gemeente van Christus een kerk van gelovigen is des te zekerder zal de theologie het karakter van een levende geloof soefening dragen, ja, de theologen zelf zullen wedergeboren zijn en wandelaars naar Boven. Het einddoel van het reformatorisch streven is immers op het gebied van leer en leven de kerstening van de tijdgeest, niet de modernisering van het Christendom. Hoe wordt de volle zegepraal van het reformatorische beginsel verkregen? Niet door vrede tot iedere prijs, maar door strijd tegen iedere vijand. Er zal dan ook beslist geen waarachtige vernieuwing van kerk en wetenschap kunnen komen zonder een beslissende crisis. De vertraging en ontwijking daarvan tot elke prijs stelt de zieke bloot aan het nog veel groter gevaar van de tering. Vredelievend te zijn is uit dien hoofde wel een deugd voor de theoloog, maar een vrede tot elke prijs zij nimmer zijn hoogste doel.
Revolutie
Het kenmerk van het streven naar revolutie bestaat in ontkenning van alle verworven goed van oudsher. Bij voorkeur verwerpt ze het fundament dat eenmaal is gelegd en verklaart het voor verouderd en de verdwijning nabij. De bijl gaat al spoedig aan de wortel van de boom, terwijl het uitgangspunt van de revolutie ligt in de souvereiniteit van de mens. Ook strijdt de omwenteling lichtelijk met de vleselijke arm, desnoods met het zwaard of de vuist. De revolte is haar bondgenoot.
De overgang tot een nieuwe stand van zaken wil men niet bereiken langs geleidelijke weg, neen, 'de overgang heeft een bont, niet zelden wildromantische kleur als in de sprookjes der kinderwereld, waar de boer tot een prins, of wederom de prins tot een boer wordt'. Reformatie beoogt geleidelijke ontwikkeling, revolutie wenst substitutie (vervanging). Vraagt ge nu naar de kern-woorden van de revolutie dan zijn dat hét woordeke 'Ik' en het woordeke 'Neen'. Geen wonder is dat, omdat de revolutie beweert, dat de mens, hoezeer onvolmaakt, echter oorspronkelijk goed is, zodat de diepste oorzaak van het natuurlijk en zedelijk kwaad in uitwendige toestanden ligt. Ten opzichte van de vraag: vanwaar het kwaad? - is geen ander drijvend beginsel dan dit het antwoord: Ge zult als God wezen. Met andere woorden: de autonomie van de mens en de zelfverbetering!
De revolutie kan in haar uitkomst wel gezegend zijn, maar alleen in zoverre als men weet dat de Heere de duivel wel eens het initiatief laat grijpen, wanneer Hijzelf iets goeds wil doen. Hij regeert dus ook al het kwade naar Zijn wil. Voor het overige blijft gelden: de revolutie is een ontkluistering van een tot dusver geboeide dodende macht. Het is de bliksemstraal, die de ceder velt.
In de revolutie wordt de macht der zelfzucht geopenbaard en gesterkt. Tijdelijk mag zij triumferen, haar vernietiging is zeker. In dit verband is het uiterst merkwaardig, dat in het kamp van de theologen der revolutie de aandacht weer ontwaakt voor de wederdopers. Daar immers grijpt men ook bij voorkeur hardhandig in in de bestaande structuren. Op de achtergrond van heel dit proeces zit het verstaan van de genade. De wederdopers zien de verhouding van natuur en genade niet recht. Revolutionair ingrijpen achten ze nodig omdat de reformatorische orde hun te langzaam gaat. Dezelfde trekken ziet men thans. De Bijbel toont ons de gelijkenis van het zuurdeeg, dat het gehele deeg doorzuurt. De wereld en evenzeer de theologie der revolutie wil de benzinebom. Het resultaat is markant: brood of .... vuur. De moderne theologie der revolutie is al heel oud ... helaas kan ze niet bogen op een befaamde afkomst.
*) gedaanteverandering
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's