Elenchos I
De Here Jezus Christus kan niet gerekend worden tot de wereld. Hij is niet uit de wereld afkomstig, niet van beneden, niet van de aarde aards. Hij komt van elders, van de hoge, van den Vader. Hij is met de wereld in tegenspraak. Hij oordeelt haar. 'Die uit de aarde is voortgekomen, die is uit de aarde en spreekt uit de aarde. Die uit de hemel komt is boven allen. En hetgeen Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij, en zijn getuigenis neemt niemand aan ... Want dien God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods, want God geeft Hem de Geest niet met mate' (Joh. 3 : 31v.). Zoals Christus niet uit de aarde is, maar van boven, - zo zijn ook het Woord en de Geest, die van Hem uitgaan, in tegenspraak met de wereld. Zij kunnen niet gehoord en geloofd worden dan door degene, die zich laat weerspreken en door Hem laat oordelen. Wat door Zijn getuigenis tot ons komt, is voor ons niet geloofwaardig, niet aanvaardbaar, niet waarachtig, tenzij wij de geloofwaardigheid en waarachtigheid van wat uit de wereld tot ons komt, niet meer aanvaarden. Het geldt hier: of het één, of het ander. In de ontmoeting met Christus, met Zijn Woord en Geest, staan wij voor de waarheidsvraag. Hij brengt ons in de laatste ernst. En daarbij valt de beslissing over ons eeuwig wel of wee.
Er wordt in het Nieuwe Testament een eigenaardig woord gebruikt, om de aard van de ontmoeting van Christus met de wereld uit te drukken. Dat is het woord: lenchos. Het kan eigenlijk niet met één Nederlands woord vertaald worden. Het laat zich alleen maar benaderend omschrijven. In de Statenvertaling en de vertaling van het Ned. Bijbel Genootschap wordt het aangeduid met woorden als: beschuldiging, vermaning, tegenspraak, berisping, weerlegging, oordeel, bestraffing, tuchtiging, overtuiging. De bekendste tekst, waarin wij het woord elenchos tegenkomen, is Johannes 16 : 8: En als Hij (de Heilige Geest) komt, zal Hij de wereld overtuigen (elenchein) van zonde en van gerechtigheid en van oordeel'. In die tekst wordt ons duidelijk, wat het inhoudt dat Christus met Zijn Woord en Geest de elenchos der wereld is. Het is een geestelijke ontmoeting, waarbij de Waarheid Gods zich met zulk een overtuigende kracht aan de mens opdringt, dat alle vanzelfsprekendheden en zekerheden, die hij van de wereld ontvangen had, en die daar onbetwiste gelding en gezag hebben, hun waarheidskarakter voor hem verloren hebben, en hij zich een ontredderde, bedrogen en verdwaalde enkeling weet, die de wanhoop nabij is. In die elenchos is hij een ontworteld individu geworden, die niet meer vooruit en achteruit kan. Uit een zoete droom, is hij ontwaakt in een werkelijkheid van zonde, schuld en oordeel.
Wij zouden het woord elenchos dus kunnen omschrijven als een gerichtsbeleven; als het tijdstip van een beslissende ontmoeting met de openbaring Gods. In zulk een moment staat men in een wankel evenwicht op de rand van een afgrond.
Men balanceert in de laatste ernst tussen eeuwig wel en wee. De voorbeelden van zulk een elenchos zijn in de Bijbel vele. In Handelingen 2 vers 37 is er sprake van: 'En toen zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders? ' Maar ook in Handelingen 7 vers 54: 'Als zij dit hoorden, berstten hun harten en zij knersten de tanden tegen hem (Stefanus)'. En ook in Handelingen 16 vers 14: 'En een zekere vrouw met name Lydia . . . hoorde ons, welker hart de Here heeft geopend, dat zij acht gaf op hetgeen door Paulus gesproken werd'. En ook in Handelingen 16 vers 29: 'En hij (de gevangenbewaarder) sprong naar binnen en werd zeer bevende en viel voor Paulus en Silas aan de voeten neer en zei: Wat moet ik doen opdat ik zalig worde? '
De Here Jezus Christus is dus met Zijn Woord en Geest de elenchos, dat wil zeggen de beslissende ontmoeting met de wereld. En uit die beslissende ontmoeting ontstaat nu de Gemeente. Zij is, zoals dat uit het boek Handelingen zo duidelijk blijkt, door die elenchos heengegaan. Zij heeft het getuigenis van Christus aangenomen en heeft met en door haar geloof bezegeld, dat God waarachtig is. Zij is daardoor aan de andere kant van de scheidslijn gekomen en behoort niet meer tot 'dit verkeerd geslacht' (Hand. 2 : 40). De elenchos van Christus is haar behoud geworden. Zij is overgegaan uit de leugen in de waarheid, uit de duisternis ' in het licht, uit de dood in het leven. In die elenchos is de wereld haar gekruisigd en zij der wereld.
Als dat echter waarheid is (en het Nieuwe Testament laat ons daarover niet in het onzekere!), dan heeft dat voor het bestaan van de Gemeente in de wereld gewichtige gevolgen! Het kan dan immers niet anders zijn, dan dat de Gemeente, als de Gemeente van de levende Christus, en door Zijn Woord en Geest, evenzeer in tegenspraak komt met de wereld als de Here Christus Zelf. Anders gezegd: ook de Gemeente heeft voor de wereld het elenchos-karakter. Zij heeft zó deel aan Christus, aan Zijn Woord en Geest, dat ook door haar de wereld in het uur van die beslissende ontmoeting gebracht wordt, waarbij het gaat om de laatste ernst van eeuwig wel of wee. Zij deelt in dat bijzondere werk van de Heilige Geest, waarmee Hij de wereld overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel.
Dat nu is een zaak, waar in onze tijd de Gemeente over het algemeen veel te weinig besef van heeft, en waar wij daarom bijzondere aandacht voor willen vragen. Er wordt wel veel gesproken over Kerk en wereld, maar van die elenchos blijkt men nauwelijks enig besef te hebben. En als dat fundamentele besef ontbreekt, komt men bij het spreken over de plaats en taak van de Gemeente in de wereld op allerlei fatale dwaalwegen terecht, die niet anders dan onheil brengen. Het moderne apostolaat is er een overduidelijk bewijs van.
Wat houdt het in, dat de Gemeente in de wereld elenchos-karakter heeft? Op welke wijze komt dat tot uitdrukking? In de woorden, die de Here Jezus tot de twaalven sprak bij de uitzending der apostelen in de wereld, lezen wij er dit over: 'Zie, Ik zend u als schapen in het midden der wolven; weest dan voorzichtig als de slangen en oprecht gelijk de duiven. Wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in hun synagogen zullen zij u geselen. En gij zult voor stadhouders en koningen geleid worden om Mijnentwil, hun en de heidenen tot getuigenis. Doch wanneer zij u overleveren, zo zult gij niet bezorgd zijn hoe of wat gij spreken zult. Want het zal u in die ure gegeven worden wat gij spreken zult. Want gij zijt het niet die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders die in u spreekt... En gij zult door allen gehaat worden om mijn Naam; maar wie standvastig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden... En wie zijn kruis niet op zich neemt en Mij navolgt, is Mij niet waardig' (Matth. 10 : 1—39).
Het is de roeping der Gemeente om tegen de haat en onwil van de wereld in, getuigenis af te leggen van Christus. Dus zó, dat in dat getuigenis de tegenstelling met de wereld, met de synagoge, met de politieke overheid, met de mening der massa tot uitdrukking komt. Tegen het algemeene gevoelen, tegen de publieke opinie in moet zij het Evangelie moedig en klaar als licht in de duisternis laten schijnen. Daarin zal zij in de wereld elenchos zijn, dat wil zeggen het moment van de beslissende ontmoeting met de waarheid Gods.
Wij verstaan dat eerst dan pas goed, als wij zijn gaan beseffen, dat met dat getuigenis bepaald iets anders bedoeld is, dan vanuit eigen geloof de persoonlijk ervaren waarheid van het Evangelie laten doorklinken. Ik wil natuurlijk niet zeggen, dat ook dat niet van waarde is. Maar in het elenchos-karakter Van de Gemeente ligt méér! Het wil zeggen, dat het Evangelie zó vertolkt wordt, dat de tegenspraak tegen alles, wat in de wereld als waarheid geldt, erin tot uitdrukking komt. Zó tot uitdrukking, dat het woord 'bekering' een duidelijke, concrete en actuele inhoud gaat krijgen. Alleen dan is het getuigenis van de Gemeente elenchos, als het Evangelie als waarheid tegenover de leugen gesteld wordt. En daarbij moet uiteraard rekening gehouden worden met haat en felle tegenstand. Zonder dat risico erbij te verdisconteren en voor lief te nemen, kan de Gemeente geen elenchos zijn. Wie dat kruis niet opneemt, is Christus niet waardig.
Dit alles zijn dingen, die over het algemeen te veel in het vergeetboek zijn geraakt, maar die wij in deze tijd, waarin zulke onevangelische, dwaze dingen over de roeping en taak der Gemeente in de wereld uitgekraamd worden, nieuw moeten leren ontdekken. En dat wel zeer in het bijzonder, omdat het 'protestants' karakter van de Gemeente juist daarin gelegen is. Wat oorspronkelijk in de naam 'Protestant' lag uitgedrukt, was immers niets anders dan het elenchos-karakter van de Kerk. Het hield in, dat in en tegenover de wereld en haar wijsheid getuigenis gegeven werd van de waarheid Gods in Christus.
Vandaar dat in de reformatorische Kerken zo grote nadruk gelegd werd op de belijdenis. Want in die belijdenis drukte zij immers voor allen en iedereen uit, wat voor haar waarheid en wat leugen was. Haar belijdenis had een bewust publiek karakter. De oude 'Formulieren van enigheid' waren de publieke vormgeving van haar gemeenschappelijke gevoelens tegenover de anderen, de ongelovigen en bijgelovigen. Zich voegen bij de Gemeente betekende daarom: deelnemen aan dat belijden. Door mee te belijden, wat de Kerk in haar belijdenis openlijk tegenover de wereld uitsprak, werd. men pas echt en volledig lid van de Kerk; werd men een mondige gelovige. Daarin kwam het ambt der gelovigen tot uitdrukking. Vandaar ook dat in artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis nadrukkelijk uitgesproken wordt, dat 'een iegelijk schuldig is, zich bij de ware Kerk te voegen'. Terwille van de versterking van de belijdenis der Kerk is het noodzakelijk 'om zich af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn, en zich te voegen tot deze vergadering'. Doet men dat niet, dan 'handelt men tegen de ordinantie Gods'. Men verzwakt dan immers de elenchos van de Gemeente.
Er wordt in dat artikel dan bij gezegd, dat daarbij wereldse veiligheid en maatschappelijke zekerheid geen overwegingen mogen zijn. Tot het elenchos-karskter der Gemeente hoort het gevaar en de bedreiging van de kant der wereld. In de tijd van de Hervorming was men zich dat zeer bewust. Waarachtig, levend, actueel belijden is zonder lijden niet denkbaar. Het ganse belijden van de Kerk der Reformatie is een lijdensweg geweest. De bekende Trigland heeft terecht geschreven: 'Men moet de Nederlandse Belijdenis niet simpelijk aanmerken als een menselijk geschrift, maar als een geschrift door Godvruchtige en getrouwe leraars der ware Kerk onzes Heren uit den Woorde Gods gesteld, om te dienen voor een gezonde en schriftmatige belijdenis des geloofs, bij de vrome martelaren, in gevangenissen, op pijnbanken en in vuren, onder, zwaard en galg standvastig bekend; om welke vele duizenden hun goed en bloed in gevaar hebben gesteld, naakt en bloot uit hun vaderland naar andere landen in ballingschap zijn getrokken; welke alle de Gereformeerde Kerken in de Nederlanden en in Frankrijk voor gezond en conform Gods Woord hebben erkend, en door welke de Gereformeerde Kerken van de antichristelijke Roomse Kerk en van allerlei vreemde en verwarde secten zijn afgezonderd. Dat is wat meer dan simpelijk een geschrift door mensen gesteld'.
Een waarachtige 'protestantse' Kerk is dus een belijdende Kerk; dat wil zeggen: een Kerk, die door haar belijdenis uitdrukking geeft aan de tegenstelling van Gemeente en wereld. Tegenover de wereld, die met haar vermeende zekerheden aan alle kanten het geloof in de Waarheid Gods ondermijnt, aanvalt en ontkent, richt de Kerk zich met haar belijdenis tot degenen, die buiten haar staan om hun geweten te wekken. Zij weert af om te kwetsen; zij kwetst om te lokken. Het belijden der Gemeente is dus nooit afgesloten en eens voor altijd geschied. Het is bewegelijk en het vernieuwt zich voortdurend in andere vormen, omdat ook de vijandschap en bestrijding van de kant der wereld zich in steeds nieuwe vormen openbaart.
Een Kerk, waarin het belijden geen levende, actuele, publieke gerichtheid meer heeft tegenover de wereld, is een Kerk, die haar elenchos-karakter verloren heeft. Zij is smakeloos zout geworden.
Er is niemand, die dat zo duidelijk gezien en in zijn geschriften benadrukt heeft als Calvijn. Telkens en telkens waarschuwt hij de gelovigen, dat zij geen Nicodomieten mogen zijn, die (zoals eertijds Nicodemus) in het verborgene christen willen zijn, zonder zich openlijk uit te spreken. Het geloof kan en mag niet een schat zijn, die bewaard wordt in het hart, maar het moet tot publieke belijdenis komen. Gebeurt dat niet, dan brandmerkt Calvijn het als huichelarij. Het is een wezenstrek van het geloof om zich in de wereld publiek kenbaar te maken, al was het alleen maar door zich bij de ware Kerk te voegen, en daarvan door de samenkomsten der Gemeente bij te wonen openlijk blijk te geven. Dat Calvijn dit alles zo nadrukkelijk stelde, hing samen met zijn weten van het elenchos-karakter van de Gemeente in de wereld!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1971
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1971
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's