Daar valt niets tegen te zeggen
Een behandeling van het vierde artikel van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis lijkt een zaak, die met weinig woorden kan worden afgedaan. Het vierde en zesde artikel over de canonieke en apocryphe boeken van de Bijbel schijnt bovendien het minst aanlokkelijke van al de zevenendertig geloofsartikelen. We weten het zo langzamerhand wel, al vanaf de lagere school. Eindeloos gerepeteerd en eindelijk uit het hoofd precies op een rijtje opgezegd: Genesis, Exodus, Leviticus ... 39 namen van Bijbelboeken uit het. Oude Testament, 27 van het Nieuwe. En als we de moeite nooit genomen hebben om ze vlot achter elkaar op te leren zeggen, dan helpen immers onze kerkboekjes met handgrepen ons wel om in enkele seconden een bepaald Bijbelboek op te slaan.
Aldus geteld
Artikel 4 van de N.G.B, kijkt de handgreep nog eens langs. En 'natuurlijk' ontbreekt er niets aan deze weinig geliefde repetitie, zodat men zich verwonderd zou kunnen afvragen: Moet de Kerk der Reformatie ook aan de hand van deze 'droge' opsomming haar 'geloof' belijden? !
Ja, dat moet zij en zij doet het ook. Omdat de canoniciteit van de heilige Schrift, waarover het nu gaat, hoe weinig dit onderwerp ons nieuwgierig schijnt te kunnen maken, geen vanzelfsprekendheid is, al is ze dat in het geloof gelukkig wel. Maar ook dan blijft het nodig het telkens weer na te kijken, hoe de heilige Schrift tot ons gekomen is en met welk een bijzondere zorg de Heere de eeuwen door over Zijn Woord heeft gewaakt. En als het dan nog een repetitie lijkt, die we allang kennen, laten we het dan nog maar weer eens herhalen. Graag zoals de kinderen, die eens speelden in de tuin naast die van Augustinus' huis en die haast onophoudelijk het refrein van hun kinderversje zongen: Tolle, lege .. .! Dat was voor Augustinus genoeg om naar binnen te gaan en te doen, wat de kinderen hem voorzongen: neem, lees ... neem, lees!
Hij nam de Bijbel en las en het trof hem tot diep in zijn ziel (Rom. 13 : 13, 14). En hij werd erdoor verlost van zijn goddeloze levenswandel. Als onze Nederlandse Geloofsbelijdenis de Bijbelboeken nog eens natelt, mag dat gebeuren om er daardoor des te zekerder van te zijn, dat er niets ontbreekt aan wat God naar Zijn eeuwig voornemen besloot ons te openbaren tot zaligheid. Ze zijn er allemaal... al die Bijbelboeken om ons stuk voor stuk toe te roepen: neem, lees.
Een handgreep. Een harp
Liever dan te spreken over de handgreep aan de gouden rand van ons kerkboek, spreken wij dan ook over de opsomming van de Bijbelboeken in artikel 4 van de N.G.B, als over de snaren van een harp: het imponerende muziekinstrument, met de grote en kleine, de donkere en heldere snaren, die samen een welluidend en harmonieus geluid geven, wanneer daar kundige handen over gaan.
Er zijn historische boeken, die ons de geschiedenis van God met Zijn volk Israël verhalen en wat het Nieuwe Testament betreft de geschiedenis van het vleesgeworden Woord en die van de verhoogde Christus door de handelingen der apostelen. Maar we vinden in onze Bijbel ook de psalmen, die liefelijk zijn en harten treffen en waarin we Gods kind in de leidingen des Geestes diep in het hart kijken. De Schrift geeft ons diepe profetieën, geladen met de Geest van Christus. Maar daarnaast ook boeken, vol levenswijsheid (Spreuken en Prediker). Daar is het boek Hooglied, dat voor de oren van de kerk aller eeuwen steeds gezongen heeft van de liefde tussen de Heere en Zijn gemeente en dat alszodanig de canon van de heilige Schrift is ingedragen. Vergeten we de brieven niet in het Nieuwe Testament, vol apostolisch onderricht en vermaan. En aan 't eind het apocalyptische boek van de ziener van Patmos, dat de geschiedenis doorlicht in nooit geheel doorgronde vergezichten.
Kwistig werkt men tegenwoordig met het begrip literair genre. En dan komen woorden als mythe, legende, enz. opdagen. Wij willen echter alleen maar spreken over verschillende literaire genre's, wanneer de Schrift daar onmiddellijk aanleiding voor geeft. En dan is het ieder duidelijk, dat een geschiedkundige beschrijving iets anders is als een profetisch geschrift (de Joodse kerk spreekt over vroege en late profeten; naast de Pentateuch, de vijf boeken van Mozes, de eerste profeten: Jozua, Richteren, Samuel en Koningen; dan de laatste profeten: Jésaja, Jeremia, Ezechiël en in één boek samengevat de 12 kleine profeten). Daarnaast de wijsheidsliteratuur (de synagoge noemt de rest van het O.T. de 'geschriften'). De brieven in het Nieuwe Testament lezen we dan op hun beurt weer anders dan de apocalyptiek van het laatste Bijbelboek. Bij het boek der Openbaring gaat het er immers om, dat wij door gelovige associatie de daar beschreven schokkende taferelen van de wereldgeschiedenis en de zinrijke woordspelingen en getallensymbolieken leren verstaan.
Eén ding is echter voor het geloof vast: er moet een kundige hand zijn geweest, die ze bespelen. Alleen het hart, dat gelovig heeft leren buigen voor Gods Woord en zich erop heeft verlaten, vermag op de juiste wijze met dit heilig instrument van de Bijbel om te gaan.
De opsomming
De nauwkeurige lezer van artikel 4 van onze N.G.B, heeft al wel opgemerkt, dat niet alle namen van de Bijbelboeken, zoals deze in het betreffende artikel genoemd worden, kloppen met de namen, die wij gewend zijn aan de Bijbelboeken te geven. Zo wordt bv. het tweetal Kronieken-boeken Paralipomenon genoemd, een oude, uit de Griekse vertaling van het Oude Testament (de Septuagint) afkomstige benaming, die 'aanvulling' betekent.
En als Nehemia als het tweede boek van Ezra beschouwd wordt, dan is dat op zijn beurt een benaming, die ontleend is aan de eeuwenoude Latijnse vertaling van de Bijbel, de Vulgata. Voorts is het duidelijk, dat onze belijdenis ons niet wil leren, dat alle psalmen van David zijn, hoewel er zonder meer over de Psalmen van David wordt gesproken. Wij weten, dat ook Asaf en vele anderen door God gebruikt zijn en dat hun liederen ons bewaard zijn in het psalmboek. Tenslotte heeft niet alleen Calvijn, maar velen met hem, het auteurschap van Paulus ten aanzien van de Hebreeënbrief betwijfeld, hoewel deze brief als één van de Paulinische in artikel 4 van de N.G.B, genoemd wordt.
Wanneer wij daar uitvoeriger op zouden willen ingaan, zouden wij ons moeten verdiepen in de vragen van de inleidingswetenschap, die zich bezighoudt met de achtergronden, het ontstaan, enz. van de Bijbelboeken. Dat willen we echter niet doen. We begrijpen ook wel, dat onze belijdenis op dit punt geen bindende uitspraken heeft willen geven, maar dat zij zich wat dit betreft eenvoudig heeft' aangesloten bij het bestaande woordgebruik en bij opvattingen van hun dagen, die het meest waarschijnlijk leken. Het gaat dan ook in artikel 4 niet over de vraag, of de brief aan de Hebreeën bv. van Paulus is, maar het gaat wel om de canoniciteit ook van dit Bijbelboek.
Wat is canoniek?
Reeds verschillende keren is het woord canoniek gevallen. Wat wordt daarmee nu bedoeld? De belijdenis verklaart dit woord zelf enigermate door eraan toe te voegen: daar valt niets tegen te zeggen. Als een Bijbelboek canoniek heet, dan is daarmee aangeduid, dat wij het beschouwen als een onderdeel van het onfeilbare Woord van God. In tegenstelling tot de apocrypbe boeken, die daartoe niet gerekend worden en waarover het in artikel 6 van onze N.G.B. gaat. Het woord 'canon' betekent oorspronkelijk meet-staf, richtsnoer, norm. (Vergelijk het woord in de Bijbel o.a. Gal. 6 : 16). Wat God ons dus in de canonieke boeken van de Bijbel op de handen legt, is gegeven als een lineaal, een norm, waarmee en waaraan wij ai het onze, zowel in leer als in leven, hebben te meten. Artikel 5 zegt het aldus: deze boeken ontvangen wij voor heilig en canoniek om ons geloof daarnaar te reguleren, daarop te gronden en daarmee te bevestigen.
Het Woord des Heeren is de slijpsteen voor onze botte gewetens, het stramien, waarop al onze levensdraden moeten worden geweven. Daar valt niets tegenin te brengen. Wij hebben ons wel voor God af te vragen, of wij voor Hem aan de maat zijn, aan deze maat, die ons toegemeten is in Zijn Woord.
Later is het spraakgebruik van het woord 'canoniek' dusdanig geworden, dat canon eenvoudig betekent: lijst van door de kerk als Goddelijk erkende boeken.
De geschiedenis van de canon
Over dit onderwerp zou veel meer te zeggen zijn, dan wij in de enkele regels, die nu volgen, doen. We geven slechts een indruk van het geheel van vragen om de lezer duidelijk te maken, waarom het hier gaat. Niet slechts ieder Bijbelboek, maar ook de verzameling van de Bijbelse geschriften en daarmee annex de afstoting van wat we noemen de apocryphe geschriften heeft zijn geschiedenis. De Joodse Kerk heeft altijd gemeten bij de beoordeling van de vraag, of een geschrift tot de canon gerekend mocht worden of niet met de maatstaf van de Pentateuch, later met de norm van wet en profeten. Inmiddels zijn bepaalde Bijbelboeken, die wij thans in onze Bijbel hebben, lange tijd 'in discussie' geweest. We denken aan het boek Esther, waarin de naam van God in het geheel niet voorkomt. Voor de Nieuw-Testamentische 'gemeente lag het gezaghebbende van meetafaan in de Schriften, zoals ze deze door bemiddeling van de Joodse Kerk had overgeleverd gekregen (Augustinus heeft de Joden de boekbewaarders der christelijke kerk genoemd). Maar naast het Oude Testament kregen al spoedig de apostolische ge schriften gezag, hoewel de erkenning van deze niet overal gelijk was. Omstreeks het jaar tweehonderd na Christus zijn de thans in het Nieuwe Testament voorkomende boeken in het Westen algemeen erkend, met uitzondering van Hebreeën, Jacobus, 3 Johannes en 2 Petrus. Met Judas en 2 Johannes is men slechts bekend. Andere geschriften, o.a. de Pastor van Hermas hebben daarnaast een zeker gezag. De ontwikkeling in het Oosten na tweehonderd na Christus moeten wij ons als volgt indenken: Op het voetspoor van Origenes, beoordeelt Eusebius de geschriften van het Nieuwe Testament naar hun al dan niet algemene erkenning in de kerk. Alle geschriften, die later in de canon komen, blijken dan erkend te zijn, behalve het boek Openbaring. O.a. Chrysostomus, Basilius en Gregorius van Nazianze (rondom vierhonderd na Christus) verwerpen nog de Openbaring van Johannes. In de Paasbrief van Athanasius echter (367), die grote invloed gaat uitoefenen in het Westen, worden voor het eerst alle 27 boeken van het Nieuwe Testament als canoniek beschouwd. Op de synodes van Hippo Regius (393) en Carthago (397 en 419) wordt dan de canon in het Westen in navolging van het Oosten officieel vastgesteld.
Eén ding echter moet aan het slot van onze opmerkingen over de canoniciteit van de boeken van de Bijbel niet onvermeld blijven. Iemand zou nl. kunnen denken, dat we de Bijbel, wanneer ze op de boven aangegeven wijze tot ons is gekomen, slechts te danken hebben aan menselijke, al is het dan synodale beslissingen van de kerk. En hebben we dan een leerstuk als de onfeilbaarheid van het kerkelijke (c.q. pauselijke) leergezag niet nodig om te blijven geloven, dat de Bijbel het onweersprekelijke Woord van God is? Met andere woorden: waarom heeft de kerk bv. wel de profetieën van Jeremia, opgetekend door Baruch, maar niet het apocryphe geschrift Baruch als canoniek erkend? Zit daar niet iets willekeurigs in?
Ons antwoord kan kort en bondig zijn. Noch de Joodse noch de Christelijke Kerk hebben in feite op haar gezag bepaald hoe de Bijbel er uit zou komen te zien.
De Kerk heeft de Bijbel niet het gezag gegeven. De Kerk heeft de geschriften van de Bijbel slechts als gezaghebbend en canoniek ontvangen en ze daarna alszodanig erkend. De Bijbelboeken hadden dat gezag reeds. God de Heere heeft door de geschiedenis heen (ook door alle aanvechtingen van satan heen) de thans erkende Bijbelboeken gezag verleend in de harten en levens van Zijn vromen. Die Geest, die ze ingaf, gaf ze ook de hun toekomende plaats in de gemeente des Heeren. Daar werden immers de woorden Gods niet alleen gelezen, maar ook opgegeten. Daar leefden ze. En op deze wijze heeft de Heere ook Zelf door Zijn Geest geweerd wat geweerd moest worden. De apocryphe boeken hebben nooit dat gezag gehad, dat andere Bijbelboeken hadden, althans niet in het hart van Gods Kerk.
Maar als dat zo is, dan durven wij wel heel wat aan als we de stem verheffen tegen datgene wat in Gods welbehagen altijd de 'Leidsstar' van Christus' gemeente is geweest. Wij vermogen niets tegen de Waarheid. Daar valt niets tegen te zeggen. Daar moeten wij allen alleen maar stil en vol verwondering onder buigen.
Wat wij zelf verzonnen hebben, al lijkt het nog zo mooi en vroom, moet immers eenmaal worden afgestaan. Maar 'het Woord Gods houdt stand in eeuwigheid en zal geen duimbreed wijken'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1971
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1971
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's