De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Elenchos II

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Elenchos II

11 minuten leestijd

Wij willen nu ook een antwoord trachten te geven op de vraag wat het in het huidige tijdsbestek inhoudt om als Gemeente van Jezus Christus het Evangelie als elenchos in de wereld te vertegenwoordigen. In welk opzicht is zij geroepen om zó der waarheid Gods getuigenis te geven dat daarin de leugen van het ongeloof en bijgeloof weersproken wordt?

In de eeuw van de Hervorming trad de leugen der wereld naar voren in de gestalte van 'de vrije wil' van 'de goede werken' van 'natuur en genade'. Daartegenover stelde de Kerk der Reformatie in haar belijden de volkomenheid en alleengeldigheid van Jezus Christus en Zijn volbrachte werk. Maar zij deed dat in de vorm van 'de rechtvaardiging door het loof alléén dat wil zeggen op zulk een wijze dat de tegenstelling tussen Gemeente en wereld duidelijk aan het daglicht trad. Aan de vrije wil, aan de goede werken, aan de natuur werd elke heilsbetekenis ontzegd. Het gaat in het Evangelie om de zaligheid alléén-door Christus, alléén door genade, alléén door geloof, zonder enige medewerking van de kant van de mens. Door nu de Waarheid Gods zo te belijden kreeg de Kerk weer elenchos-karakter. Het woord 'bekering' kreeg een concrete en actuele inhoud. Het geloof werd weer duidelijk afgegrensd van ongeloof en bijgeloof. Het christen-zijn werd een aanwijsbare zaak die te onderscheiden was van humanisme, moralisme, rationalisme. Dat was de geestelijke zegen van de tijd der Hervorming

Wij leven nu vier eeuwen later. En in die vier eeuwen is er ontzaggelijk veel gebeurd. Wil dat zeggen dat er wezenlijk veel veranderd is? Hebben het ongeloof en bijgeloof in de huidige wereld een totaal ander karakter gekregen?

Als dat zo zou zijn, betekent dat, dat het elenchos-karakter van het reformatorisch belijden zijn tijd gehad heeft. Het zou inhouden, dat thans op een nieuwe, andere wijze de Waarheid Gods tegenover de leugen vastgesteld en uitgedragen zou moeten worden, wil de Kerk geen smakeloos zout worden in de wereld. En aldus denken en spreken niet weinigen in deze tijd. Zij zien de huidige situatie als zó fundamenteel verschillend van die uit de zestiende eeuw, dat zij met het reformatorisch belijden geen raad meer weten. Zij beschouwen het als louter nog een historisch document.

Wie echter niet oppervlakkig en uiterlijk, doch diep en innerlijk de machten van deze eeuw heeft ontmoet; wie de geest van de tijd zelf heeft geproefd en doorleefd, er in eigen geloofsleven door in een ernstige crisis is gekomen, en er door het Evangelie aan ontrukt en van bevrijd is, — die doet een wonderlijke ontdekking. De belijdenis van de Hervorming betekent voor hem de schok der herkenning.

Hij is immers gaan zien, dat de leugen van het ongeloof en bijgeloof in de moderne wereld in wezen geen andere is dan die van de zestiende eeuw met haar 'vrije wil', haar 'goede werken' en haar 'natuur en genade' maar dezelfde leugen in nog nadrukkelijker, bewuster en consequenter gestalte. Hij beseft op eens de actualiteit van het reformatorisch belijden in het huidige tijdsgewricht. En daarmee is voor hem de vraag, of de moderne tijd niet een nieuw en ander kerkelijk belijden eist, eigenlijk geen vraag meer. Het enige wat hem in de huidige situatie als een dringende zaak voorkomt, is dat het zestiende eeuwse belijden in de Gemeente van deze eeuw tot nieuw leven komt en tegenover het ongeloof van vandaag eens te nadrukkelijker, ernstiger en bewuster uitgedragen wordt.

Dat de Gemeente thans in zulk een geestelijke malaise verkeert en er zo bitter weinig elenchos-kracht van haar uitgaat, vindt dus zijn diepste oorzaak in het feit dat zij in de benauwenissen en gevaren van deze tijd de brandende actualiteit van het reformatorische belijden nog niet ontdekt heeft. Zij is misschien nog wel in meerdere of mindere mate confessioneel gebonden, maar dat is een louter traditionele en conservatieve gebondenheid.

Zij heeft nog niet zo diep en geestelijk met het ongeloof en bijgeloof van de moderne wereld geworsteld, dat zij daardoor de wezenlijke eenheid van haar geloofsstrijd met die uit de tijd van de Hervorming is gaan zien. Zij heeft in de zestiende eeuwse belijdenis nog niet de schok der herkenning beleefd. En daartoe zal het moeten komen, wil de huidige Gemeente uit haar slaap ontwaken en weer elenchos-karakter krijgen.

Men kan zich aan die opgave niet onttrekken door te beweren dat men met die moderne wereld niets te maken wil hebben. Want wie men ook is, waar men ook woont, en hoe men ook leeft, — het moderne tijdsbewustzijn overspoelt ons allen. Niemand kan er zich aan onttrekken. Door school, beroep, krant, radio, auto, verzekering, medische verzorging hebben wij er mee te maken. Dagelijks profiteren wij ervan, dagelijks klagen wij erover. Meer dan wij ons bewust zijn, heeft het moderne leven ons in zijn greep. Zonder het te beseffen leven wij als eertijds Israël in een Egyptische slavernij en in een Babylonische ballingschap. Het is daarom een dringende opgave om tot geestelijk inzicht te komen in onze situatie.

Het is bijna een banaliteit geworden om te zeggen, dat de moderne mens getypeerd wordt door zijn mondigheid. De betekenis van dat woord gaat terug op het oude begrip 'mont', dat 'macht, voogd' betekent. Mondig-zijn houdt dan dus in, dat men zich vrijgemaakt heeft van bevoogdende machten. Zó beleeft de huidige mens zijn staan in de wereld. Was er voorheen nog een religieus besef van een heilige werkelijkheid boven hem; een erkenning van algemeen geldende, ingeschapen zedelijke normen, waarvan ieder afhankelijk was; — thans heeft de mens die schuchterheid, geremdheid en onderworpenheid van zich afgeschud als overblijfselen van bevoogding uit de tijd van zijn onvolwassenheid. De huidige mens wil niet meer staan onder wat voor macht of wet ook, tenzij uit vrije wil en met rede. Hij heeft afgerekend met religie, met het hiernamaals, met God. Hij wil de verantwoordelijkheid voor zichzelf, voor de wereld, voor de toekomst dragen.

Door deze mondigheid is nu het bestaan grondig veranderd. De geschiedenis is erdoor versneld. Alles is in beweging geraakt. Het duidelijkst is het zichtbaar in de macht van de wetenschap, waarmee de mens met de aarde manipuleert, en aan de schepping zijn eigen ontwerp oplegt. De samenleving, het leefmilieu krijgt een andere gestalte. Maar ook op zedelijk, sociaal en politiek gebied voert deze mondigheid tot revolutionaire veranderingen. Alles wat deze dynamiek in de weg staat, wekt wrevel en ergernis. Gezag en gevestigde orde zijn belemmeringen op de weg der vooruitgang. Het is een messiaanse, fanatieke, revolutionaire geestdrift, die met die mondigheid over de moderne mens vaardig is geworden. Het is een valse religie, waarin het heil beleefd wordt.

Maar als de Gemeente dit met geestelijk onderscheidingsvermogen gadeslaat, hoe kan zij het dan anders duiden, dan als het volwassen geworden humanisme uit de zestiende eeuw? Hoe kan zij er iets anders in ontwaren, dan de volrijpe vruchten van het zondige beginsel van 'de vrije wil', van 'de goede werken', van 'natuur en genade'? Wat kan zij er anders in constateren, dan de zonde van Adam?

Tot die schok der herkenning zal het moeten komen in de Gemeente. En van daaruit zal zij dan ontdekken, dat wat in het huidige tijdsgewricht van haar gevraagd wordt, wil zij haar elenchos-karakter niet verliezen en smakeloos zout worden, bovenal dit is: dat zij tegenover dit mondige ongeloof en bijgeloof van het volwassen geworden humanisme met te groter ernst en geloofskracht de reformatorische tegenstem laat klinken. Wee haar als zij zich laat bekoren en meeslepen door deze leugen, als zij zich door zelfbehoud laat terugdringen in een angstig Nicodemisme. Nu meer dan ooit, en misschien wel als Gemeente van de eindtijd, heeft zij tegenover dit mondige en directe ongeloof getuigenis af te leggen van het heilswerk van Christus, die het voor ons volbracht heeft.

Wij zullen er allen wel van overtuigd zijn, dat er van het elenchos-karakter, zoals de Kerk der Hervorming dat gekend heeft, thans geen sprake meer is. De belangrijkste oorzaak daarvan is, dat het geloven voor verreweg de meesten een geloven zonder bekering is. Ik bedoel daarmee allerminst, om van de bekering een zaak van nauwgezet en pijnlijk zelfonderzoek te maken aan de hand van een aantal bekeringskenmerken. Wat ik ermee onder woorden tracht te brengen, is dit: dat geloven in de bijbelse en reformatorische betekenis altijd gepaard ging met een zeer duidelijk gemarkeerde overgang van een bepaalde levensinstelling naar een zo totaal andere levensinstelling, dat men het besef had uit de duisternis en de leugen in het licht en de waarheid overgezet te zijn. Geloven betekende altijd een duidelijke breuk met het er aan voorafgaande natuurlijke, algemene en werelds vanzelfsprekende bestaan. Geloven was nooit een natuurlijke, overgeërfde en ingeboren aanleg of ontwikkeling. En dat is nu iets, wat aan het geloof van verreweg de meeste kerkmensen ontbreekt. Zij hebben daar geen notie meer van. Het speelt bij het doen van geloofsbelijdenis nauwelijks een rol meer. Dat is een kwalijke zaak!

Men zou hier kunnen spreken van een vicieuse cirkel. Omdat de Kerk geen elenchos-karakter meer heeft, is er geen sprake meer van geloof door bekering. En omdat er geen geloof door bekering meer is, gaat het elenchos-karakter van de Kerk hoe langer hoe meer verloren. De gevolgen van deze fatale ontwikkeling worden in de Gemeente hoe langer hoe duidelijker zichtbaar. Er is geen werkelijke breuklijn meer tussen Gemeente en wereld, tussen geloof en ongeloof. Er is een proces van uitwissing der grenzen aan de gang, dat het eigen leven der Gemeente hoe langer hoe meer verwoest en ondermijnt.

Het is menselijkerwijs gesproken dan ook-een uitzichtloze zaak. In ieder geval is hierbij niets te verwachten van een ijveren voor een betere organisatie of van een inspanning voor restauratie van het verleden. Het enige, wat werkelijk een belofte van vernieuwing in zich zou dragen, zou de geestelijke doorbraak zijn van een levend besef van de brandende actualiteit van het reformatorisch belijden in deze moderne wereld. Zulk een doorbraak kan alleen geschieden, wanneer zich onder de druk en benauwdheid van deze tijd binnen de Gemeente ten opzichte van haar Confessie de schok der herkenning zou voltrekken. Daar zou dus een geestelijke worsteling en crisis Binnen de Gemeente aan vooraf moeten gaan. En zijn er in de toenemende verontrusting. die men overal in de kerken waarneemt niet tekenen van zulke barensweeën? Ligt daar niet een belofte in?

Het is niet anders te verwachten, dan dat zulk een doorbraak in het begin alleen maar bij spaarzamelijke enkelingen plaats grijpt. Maar is het in het verleden van de Kerk en van het volk Israël niet altijd zo geweest, dat een opwekking en verlevendiging van de Gemeente inzette bij een klein getal, en soms zelfs bij een eenzame en onbegrepen enkeling? In het werk van Christus en van de Heilige Geest speelt het getal geen rol. Waar immers het geloof uit een werkelijke bekering voortkomt, is de kracht van zijn elenchos zo groot, dat velen erdoor aangegrepen en ook tot bekering gebracht worden. Is uit het getuigenis van één man op de Pinksterdag niet een schare van drieduizend tot het geloof gekomen? En zou dat ook in onze tijd niet opnieuw het geval kunnen zijn?

Maar wij zullen ons daarbij dan dit heel goed bewust moeten zijn, dat Ievend geloven, getuigen en belijden zonder lijden ondenkbaar is. Nooit is het anders geweest. En met name in deze tijd, waarin de zuigkracht van het mondig geworden ongeloof groter is dan ooit, zal dat het geval zijn. Daarvan heeft Christus geweten. toen Hij de woorden sprak: 'In de wereld zult gij verdrukking lijden'.

Er komt echter nog een factor bij, die het lijden van het belijden in deze tijd verzwaart. Dat is, dat degenen, in wie het elenchos-karakter van het geloof zich vernieuwd heeft, leven in een Kerk, die van de breuk tussen Waarheid en leugen, tussen Gemeente en wereld, nauwelijks weet meer heeft. Dat heeft tot gevolg, dat het vernieuwde belijden ook stoten zal op de vijandschap en haat van de door de wereld geïnfecteerde, onbekeerde gelovigen. Het betekent een dubbele eenzaamheid.

In zulk een situatie geen Nicodemiet worden, maar moedig en trouw tegen alle minachting, verdachtmaking, laster en bespotting in de opdracht van het geloof volvoeren, is menselijk gesproken een onuitvoerbare en onmenselijke zaak. Ons geloof en gebed redden het niet; Maar er is de belofte van Christus: 'Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude'. En de verwerkelijking daarvan is: de Trooster. Daarom, is er toch toekomst voor de Gemeente; toekomst voor haar elenchos, waarmee zij in deze wereld zoutend zout is.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1971

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Elenchos II

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1971

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's