De indentiteit van de Hervormde Kerk
Oecumene
Wat is de Hervormde Kerk voor een kerk? Waaraan is zij te herkennen? Wat is haar identiteit? Een christelijke kerk, een belijdende kerk, een pluriforme kerk, een gereformeerde kerk, welke mogelijkheden zijn er al niet om een kerk aan te duiden? Op de laatstgehouden synode kwam de identiteit van de Hervormde Kerk nogal eens aan de orde, indirect bij de behandeling van de nota over de toelating tot het Heilig Avondmaal, maar vooral ook direct bij de behandeling van een door ds. Landsman opgestelde nota over oecumenische samenwerking. In deze nota werd de structuur van de Hervormde Kerk, met haar organen van bijstand, vergeleken met die van andere kerken, met name de Gereformeerde Kerken met deputaatschappen — soortgelijk als de organen van bijstand in de Hervormde Kerk — en met de R.K. kerk.
De verschillen in structuur van deze kerken manifesteren zich bij het bezig zijn met het maatschappelijk leven. De Hervormde kerk wil, blijkens haar kerkorde van 1951, Christusbelijdende gemeenschap zijn midden in de wereld. Men wil, aldus de nota, geen scheiding tussen de ambtelijke kerk en het kerk-zijn van christenen in de samenleving. De kerk gaat in haar ambtelijke gestalte zo diep mogelijk in'op de 'wereldlijke' taken. Het apostolaat — zo wordt in de nota gezegd — gaat in de kerkorde zelfs aan het belijden vooraf. De Gereformeerde Kerken gaan niet op directe wijze op het maatschappelijke leven in. Het maatschappelijke en culturele werk heeft wel kerkelijke binding maar het vindt plaats in verenigingsverband. De R.K. kerk heeft zich in haar ambtelijke gestalte, vooral na 1960, veel gedistantieerder opgesteld van het rooms-katholieke leven op maatschappelijk en cultureel terrein dan de Gereformeerde Kerken en is in dit opzicht veel terughoudender dan de Hervormde Kerk. Ondanks deze verschillen, zo vervolgt de nota, is het toch mogelijk geweest dat de verschillende kerken elkaar vonden in bepaalde samenwerkingsverbanden, hetzij doordat de andere kerken zich konden vinden in de Hervormde visie (binding van het werk aan de ambtelijke vergaderingen), hetzij door een inbreng van de kerken via de leden, hetzij door een vorm van overleg via de organen van bijstand en de deputaatschappen, hetzij door het creëren van samenwerkingsverbanden die verbonden zijn aan of verwant zijn met de Raad van kerken.
De nota van ds. Landsman signaleert echter een toenemende verzelfstandiging, van deze samenwerkingsorganen en een toenemende veralgemening. Daarom vraagt ds. Landsman zich af of het aanvaardbaar is om onderscheid te maken tussen de primaire functies van de kerk (prediking, catechese, pastoraat, zending, werelddiakonaat) en de secundaire functies (maatschappelijk werk, jeugdwerk, vormingswerk, cultureel werk, politiek, bedrijfsapostolaat). Verschraling van de taak van de kerk tot genoemde primaire functies zou een verloochening betekenen van de identiteit van de Hervormde Kerk, die in de kerkorde van 1951 tot uitdrukking is gebracht. Daarom moet de Hervormde Kerk, aldus de nota, uiterst waakzaam blijven met het afstoten van kerkelijke activiteiten naar interconfessionele of algemene organen, voor wier werkzaamheden de ambtelijke vergaderingen geen directe of indirecte verantwoordelijkheid meer dragen. Anderzijds zal het van tijd, plaats en omstandigheden af blijven hangen in hoeverre en in welke vorm de Ned. Herv. Kerk verantwoordelijkheid zal willen en kunnen blijven dragen in de politieke, sociale en culturele sector anders dan binnen het kader van de uitoefening van haar primaire functies. Zolang bovendien nog geen éénwording tussen de kerken heeft plaats gevonden — met name wordt hier gedoeld op éénwording van de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken — moet de identiteit van elk van de kerken in het oecumenisch bezig zijn duidelijk herkennbaar blijven.
Welke identiteit?
Welke identiteit heeft dan de Ned. Herv. Kerk? Daarover schreef ds. Landsman een andere nota, die was voorgelegd aan de synode. Het beleid van de Hervormde Kerk loopt gevaar, aldus deze nota, een verbrokkeld beleid te worden, vanwege het heen en weer getrokken worden door verschillend gerichte tendenzen en fundamentele verschillen van inzicht. In sommige gemeenten is men b.v., ongeacht de kerkorde, al tot de practijk van gezinscommunie overgegaan. Dat betekent dan echter een ander gemeente-beeld, omdat de belijdenis catechese en de openbare belijdenis geen stadia meer zijn op weg naar de deelneming aan het Heilig Avondmaal.
Maar als deze ontwikkeling zich doorzet, hoe komt de Hervormde Kerk dan aan haar leden? Zal dit haar identiteit, bepaald door haar belijden en haar geschiedenis, dan niet grondig veranderen? En dan wordt in de nota de vraag gesteld: 'Hoe ver kan de discontinuïteit in haar belijden, leven en werken gaan zonder deze identiteit te schaden? Of moet de Herv. Kerk toe naar een gestalte, die énige kenmerken van het gereformeerde kerktype niet meer vertoont, die meer 'evangelisch' dan gereformeerd is? ' In dat verband wordt dan de vraag gesteld of de Hervormde Kerk niet moet besluiten voortaan geen beslissingen te nemen ten aanzien van haar grondstructuur van haar belijden, leven en werken dan in overleg met de generale synode van de Gereformeerde Kerken. Anders zou er wel eens een onoverkomelijke hindernis op de weg naar de eenheid tussen deze kerken kunnen komen te liggen. Er is in bepaalde opzichten nu al sprake van een uit elkaar groeien van beide kerken. Genoemd wordt de Hervormd-Rooms Katholieke samenwerking op Kerk en Wereld.
Vervolgens signaleert de nota enkele verschijnselen binnen de huidige Hervormde practijk, die de identiteit van de kerk onduidelijk maken, namelijk de kerkelijke crisis, die in feite een geloofscrisis is, het zwijgen van de Herv. Kerk terzake van de eigentijdse geloofsproblematiek, en een volkomen ontbreken van een gesprek tussen de richtingen. Wat de eigentijdse geloofsproblematiek betreft, wordt de vraag gesteld of het niet nodig is dat de Hervormde Kerk positie kiest in dé meest centrale geloofsvragen, die momenteel aan de orde zijn. Gezegd wordt: 'Zonder naar een tuchtoefening volgens hoofdstuk IV van ordinantie 11 te verlangen, kan toch anderzijds de huidige situatie, waarin ook de meest wezenlijke aberraties (afwijkingen van het belijden, v. d. G.) onweersproken blijven niet bevredigend worden genoemd. Daardoor maakt de Hervormde Kerk haar eigen boodschap steeds ongeloofwaardiger.' En wat de richtingen betreft, daarover wordt opgemerkt: 'Toch hebben we het gevoel dat het hier (in. de huidige richtingenstrijd, v. d. G.) in zeker opzicht om 'achterhoedegevechten' gaat. De grote strijd om de christelijke-boodschap in een niet-christelijke wereld wordt op een ander front gestreden. Maar staat de Hervormde Kerk op dit front? Of ziekt de geloofsonzekerheid, de innerlijke onklaarheid, de geloofstwijfel alleen maar stil door, tot er menselijkerwijs gesproken geen hoop meer is? De vraag naar de noodzaak van een duidelijker en beslister bezig zijn met het kerkelijk belijden in onze situatie — tegenover de machten — wordt des te dringender naarmate de symptomen van verval van binnenuit veelvuldiger worden.' De vrees wordt tenslotte geuit voor divergenties binnen de kerk, b.v. ook rondom suggesties, die met het rapport 'Gemeentevormen en Gemeenteopbouw' de kerk zouden worden ingebracht. De Hervormde Kerk zal haar eigen identiteit moeten handhaven, een identiteit die in de meest wezenlijke zin is geformuleerd in art. X van de kerkorde. Wij zullen ons dus bewust moeten maken wat voor ons in het gereformeerde-kerk-zijn zo wezenlijk is voor het kerk-zijn in de gemeenschap der kerken, dat wij het gehandhaafd willen zien, zonder variaties daarop in de Hervormde kerk te dulden. De ontwikkeling van de éénwording tussen de Hervormde en de Gereformeerde Kerk brengt met zich mee dat de Hervormde Kerk zich daarop moet bezinnen'.
De ware identiteit gepeild?
Gezegd moet worden dat beide, hier boven omschreven nota's diverse goede elementen bevatten. Bovendien klinkt duidelijk door een bezorgdheid over de huidige ontwikkelingen, waarin naar het schijnt ieder maar doen kan wat goed is in z'n ogen, zonder zich te bekommeren om het belijden aan de kerk. Daarom is , het een goede zaak dat de vraag naar de identiteit van de Hervormde Kerk is gesteld. En toch vraag je je af, is hier de ware identiteit van de kerk gepeild? Ds. H. Binnekamp stelde, tijdens het synodale gesprek over de nota's, dat de identiteit van de Hervormde Kerk vóór 1816 duidelijker was vanwege de gebondenheid aan de Schrift. Hij doelde kennelijk op het duidelijker reformatorische karakter van de Hervormde Kerk, en noemde in dit verband als één van de centrale peilers de rechtvaardiging van de goddeloze, daartegenover stellend huidige uitingen van de kerk, zoals in de beginselverklaring van de Raad van Kerken, die hij typeerde als een stuk slap religieus humanisme.
Ik meen dat de nota over de identiteit van de Hervormde Kerk niet ver genoeg terug gaat. De ware identiteit van onze kerk ligt in de Reformatie. Waarom die niet met name genoemd, alsmede de Reformatorische belijdenisgeschriften? Als in de nota echter onder woorden gebracht wordt wat de identiteit van de Hervormde Kerk is, dan wordt verwezen naar de kerkorde van 1951, waarin méér dan de reformatorische theologie de naoorlogse theologische ontwikkeling terug te vinden is. Waarom wordt in de nota van ds. Landsman uitgerekend nog eens nadrukkelijk onder woorden gebracht dat in deze kerkorde het apostolaat vóór het belijden staat? Ligt daar immers niet de worteloorzaak van de kerkelijke crisis?
De kerk is zó ver de wereld ingetrokken, wilde zich zó ver in de wereld ambtelijk presenteren, dat men vaak ver uit de buurt van het belijden raakte. Is het wonder dat de secundaire functies de primaire gingen overvleugelen, als daartoe in de kerkorde al de aanzet gegeven is door het apostolaat vóór het belijden te plaatsen? Waarom dit niet eerlijk gepeild? Als we de primaire functie van de kerk niet duidelijk in het vizier krijgen dan zullen alle andere functies doodlopen en de kerk naar buiten toe een representatie geven, die weinig herkenningstekens van het kerk-zijn meer biedt. De zorg daarvoor, die het moderamen in de nota van ds. Landsman aan de dag legt, is de onze. Maar ik meen dat de peiling van de oorzaak niet diep genoeg is.
Prof. Van Niftrik hekelde ter synode de overspannen aandacht voor het secundaire, hekelde ook de kwalijke symptomen van geloofsverkondiging, b.v. het voorlezen van de geloofsbelijdenis van Dorothee Sölle in de Laurenskerk in Rotterdam (uitgerekend op Pinksteren!). De kerk moet opnieuw het primaire gaan vertolken, de rechtvaardiging waarop de heiliging volgt, waarbij dan de secundaire taken een noodzakelijke vormgeving zijn van het primaire. Toen ds. H. Binnekamp — in ander verband — stelde dat het centrum van de oecumene dient te zijn de gehoorzaamheid aan de Schrift en de rechtvaardiging van de goddeloze, wierp ds. Landsman hem tegen dat dit eenzijdig Luthers was. Bij Calvijn ging het om de rechtvaardiging èn de komst van het Rijk. Ik neem aan dat ds. Binnekamp dat laatste allerminst zal hebben willen ontkennen, maar feit is dat noties als rechtvaardiging van de goddeloze en zoveel meer wezenlijke noties, die de kern van het reformatorisch belijden raken, in de beide genoemde nota's niet aan bod kwamen. En alle spreken over het belijden blijft vaag. als het geen concrete vulling krijgt. D|aarom was het terecht dat ds. W. Kalkman ter synode de vraag stelde: Wat bedoelen we met artikel X, wat bedoelen we met Christusbelijdenis, met belijdende kerk? Herkennen we elkaar rondom Efeze 4? Zodra het gaat om een concretisering van het belijden dan blijken in onze kerk de wegen fundamenteel uiteen te gaan.
Op een bepaald moment bracht prof. dr. Roscam Abbing de identiteit van de Hervormde Kerk in drie cirkels naar voren. De ruimste cirkel: de Hervormde Kerk is een christelijke kerk. De engere cirkel: een gereformeerde kerk. De binnenste cirkel: een calvinistische kerk. De ruimste cirkel is, volgens prof. Roscam Abbing, momenteel-het meest relevant. We moeten diegenen, die zich om één of ander punt in onze kerk niet vinden kunnen (b.v. op het punt van de kinderdoop) niet naar een andere kerk verwijzen. We moeten als Hervormde Kerk een veel pluriformer beeld gaan vertonen, niet liberalistisch, maar geestelijk strijdend voor Gods waarheid. We moeten als Hervormde Kerk de oecumene in eigen boezem gaan vertonen. Het is duidelijk dat prof. Roscam Abbings pleidooi voor een pluriforme kerk in feite een pleidooi is voor een andere kerk, voor een kerk met een andere identiteit dan de reformatorische. En daarheen zijn we naar het schijnt inmiddels wel goed op weg. Dat wil kennelijk het moderamen niet, naar ik meen vooral ook vanwege het practische motief van de éénwording met de Gereformeerde Kerken. Maar twee dingen zijn niet gepeild. In de eerste plaats dat de ontwikkeling naar een pluriforme kerk met de naoorlogse ontwikkeling gegeven was, omdat men het belijden niet duidelijk vóór het apostolaat heeft geplaatst. In plaats dat het belijden der kerk de samenleving ging doorzuren is een werelds denken de kerk binnengedrongen.
In de tweede plaats gaat men op de klank af als men de huidige Gereformeerde Kerken nog zonder meer gereformeerd noemt. Men zal dat gereformeerde van de Gereformeerde Kerken — trouwens van iedere kerk die die naam wil dragen — moeten toetsen aan het Reformatorische, d.w.z. aan het bijbelse. En dan zou het wel eens kunnen zijn dan èn de Hervormde Kerk èn de Gereformeerde Kerken hetzelfde beeld vertonen, waarin allerlei wezenlijke kenmerken van de Reformatie ten enenmale ontbreken. Toen ds. Binnekamp op de synode de rechtvaardiging van de goddeloze centraal stelde was daarmee de kern van het Reformatorisch belijden gegrepen. Zou daarover binnen beide kerken nog eenstemmigheid bestaan of liever zou daarop nog zicht zijn? Zou het nog functioneren in prediking en pastoraat?
De nota's, die op de synode besproken werden, waren duidelijk geïnspireerd door de vurig begeerde eenwording tussen de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken. Daarbij stond toch het practische wel teveel op de voorgrond. De echte identiteit die een kerk, waarin beide kerken moeten opgaan, moet vertonen is niet gepeild. Het zou wel eens kunnen zijn dat een dergelijke kerk als de huidige ontwikkeling zich doorzet, inderdaad niet een gereformeerde maar een pluriforme is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1971
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1971
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's