Uit de pers
Voorlopig geen fusie hervormd-gereformeerd
Dat is althans de visie van dr. A. Kruyswijk, de nieuwe synodepraeses der Geref. kerken, zoals deze door Ton van der Hammen in een artikel in Hervormd Nederland van 19 juni is weergegeven.
Het initiatief van de gereformeerd-hervormde jongerengroep 'Samen op weg' heeft op de Geref. synode niét geleid tot een principe-uitspraak; het bleef bij een opiniepeiling. Waarom staan de Gereformeerden zo aarzelend tegenover een fusie? Allereerst omdat men blijft aankijken tegen de vrijzinnigheid in de Hervormde kerk. Het teruggeven van de rechten aan prof. Smits roept juist in Gereformeerde kringen vraagtekens op. Bovendien moeten de Gereformeerde Kerken allereerst met zichzelf in het reine komen. Een oecumenisch optreden zal toch primair in solidariteit met de eigen geloofsgemeenschap dienen te geschieden. Dr. Kruyswijk is beducht voor de koplopers, die een hele groep gemeenteleden als achterban achter zich laten.
Een eerste voorwaarde voor oecumenische samenwerking zal moeten zijn, dat er een akkoord over het belijden tot stand komt. De eenheid in Christus mag niet verworden tot een leus zonder inhoud. Er moet een duidelijke binding aan de belijdenis blijven. Deze binding aan de belijdenis is ook in Gereformeerde kring in discussie.
Een van de belangrijkste kwesties die in de komende gereformeerde synode aan de orde zullen komen, acht de praeses de vraag naar de aard van de binding aan die belijdenis. Dat brengt hem als vanzelf op het verschijnsel verontrusting binnen zijn kerken.
Hij constateert: er zijn veel gereformeerden, die de aard van die binding een uitgemaakte zaak achten, omdat ze de dingen blijven beschouwen als vroeger. Zij kunnen zich moeilijk realiseren dat in de tijd van nu de dingen vanuit andere probleemstellingen en vanuit een ander levensgevoel ook anders gesteld kunnen worden.
Anderzijds zijn er ook gereformeerden die zich van de belijdenisgeschriften in feite niets meer aan willen trekken. Op dit verschijnsel dient naar de mening van dr. Kruyswijk de verontrusting vooral gericht te zijn, omdat het duidelijk polariserend (dus verlammend) werkt.
Het kernprobleem waarvoor de gereformeerde synode gesteld zal worden: hoe moeten we in 1971 aankijken tegen belijdenisgeschriften, die uit een zo geheel andere tijd stammen? Dr. Kruyswijk dacht: de aard van de binding zal anders omschreven moeten worden, nu de wetenschap dingen over de bijbel aan het licht heeft gebracht, die eerder niet bekend waren.
Slaagt de synode erin de aard van de binding nieuw te formuleren dan heeft de praeses goede hoop dat de polarisatiekwestie in zijn kerken een heel eind in de richting van een oplossing kan worden gebracht. Dan blijft er ongetwijfeld verontrusting, maar die is hij geneigd op zichzelf rechtmatig en gezond te achten voorzover er uit blijkt, dat men vanuit de bijbel met open ogen de ontwikkelingen in de kerken kritisch wil volgen.
Daarbij tekenen zich dan twee lijnen af. In de eerste plaats dat men verontrust kan zijn, omdat men moeite heeft met de moderne visie op de belijdenisgeschriften. In de tweede plaats, dat men verontrust kan zijn over de moeite van anderen met de tijd en met het moderne levensgevoel mee te komen. Daarbij zal dan de brug moeten worden geslagen die onderling vertrouwen heet. Komt die brug, er, dan kan er diversiteit bestaan. Komt die brug er niet, dan krijg je polarisatie, die de gereformeerde synodepraeses voor zijn kerken de grootste vijand acht.
Het is duidelijk, dat de samenwerking en een eventueel samengaan van hervormden én gereformeerden niet zo snel verloopt, als velen zich gedacht hadden. Dat is m.i. een teken aan de wand. Zouden we met de oecumenische beweging niet in een slop zijn geraakt, omdat men zo dikwijls de kernkwesties omzeilt. De vragen van het Schriftgezag en de betekenis en de functie van de belijdenisgeschriften zijn de wezenlijke vragen. Het ziet er naar uit, dat ook binnen de Gereformeerde kerken zich om deze vragen richtingen, zo u wilt modaliteiten, zich vormen. Practisch gaan de Gereformeerde kerken hoe langer hoe meer de gestalte van de Hervormde kerk vertonen. Maar juist dat betekent een belemmering voor een samengaan. Omdat er altijd groepen zijn, die de beslissing — hoe die dan ook uitvalt — negatief beoordelen. Koerst de Gereformeerde kerk te zeer, in midden-orthodoxe richting dan krijgt ze moeite met de verontrusten in eigen kring. Houdt ze de boot af vanwege de vrijzinnigheid in onze kerk, dan krijgt ze de wind van voren van progressieven.
Toch ziet het er voor de toekomst van de beide grootste reformatorische kerken in ons land naar uit, dat er klaarheid moet komen inzake de waardering van het reformatorisch-belijdend karakter van deze kerken. De vragen die in de vorige eeuw scheiding teweeg brachten, spelen ook nu voluit mee. Ook wat dat betreft is de negentiende eeuw echt nog niet verouderd.
Nogmaals het IKOR
In een vorige persschouw is een gedeelte overgenomen uit het artikel van prof. dr. G. P. van Itterzon over de TV-uitzending 'Dubio', waarin ds. M. A. Krop zijn visie gaf op het leven na dit leven.
Op de jaarvergadering van de Confessionele vereniging op 1 juni jl. zijn harde noten gekraakt over de uitzendingen van IKOR/CVK. Dat heeft in de dagbladpers nogal wat discussie gegeven. Ds. W. J. Koole en prof. dr. G. N. Lammens gaven hun zienswijze, terwijl prof. dr. A. F. N. Lekkerkerker hen van repliek diende.
In het nummer van 17 juni van het Hervormd weekblad gaat prof. Van Itterzon nogmaals in op het artikel van ds. Koole. Na enkele dingen recht gezet te hebben haakt de utrechtse hoogleraar in op de zinsnede van ds. Koole, als zouden kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders namens hun achterban het IKOR tot zondebok maken. Prof. Van Itterzon maakt terecht bezwaar tegen het woord 'achterban'. Zo mag men de gemeente niet aanduiden. Bovendien wijst hij de critiek als zou de Confessionele vereniging zonder argumenten critiek leveren van de hand. Prof. Van Itterzon noemt dan nogmaals de volgende dingen, in een geduldige poging positief critiek te leveren.
1. Ds. Koole spreekt puur negatief over de Confessionele vereniging, die hij blijkbaar niet kent. Ik heb hem bij mijn weten ook nooit op onze conferentie gezien. Het is dan ook niet te verwachten, dat hij, sprekend over een hem uit eigen kennisneming onbekende vereniging, aan zijn massamedia en aan de pers zinvolle informatie kan verschaffen. Dit moet wel wat scherp worden neergeschreven, niet omdat ik 'verbijsterd' ben, maar wel omdat ds. Koole in de pers heeft laten opnemen, dat hij er zelfs toe komt 'te denken, dat deze vereniging haar bestaansrecht ontleent aan het zoeken van zondebokken'. De pers had wel gelijk: 'Wim Koole verbijsterd'. Bij leven en welzijn moet ds. Koole onze volgende conferentie toch eens van het begin tot het einde komen bezoeken. Ik nodig hem hierbij nadrukkelijk uit. Positief.
2. Ik constateer met dankbaarheid, dat het IKOR bepaalde aanstootgevende programma's heeft gestopt. Ik denk aan sommige gesprekken van een hoogleraar met anti-of a-kerkelijke jongeren, waarbij het evangelie zuinig weinig doorkwam. Ik denk aan de toezegging, dat de serie 'Werken op zondag' in het komende winterseizoen niet zal worden voortgezet.
3. Ik constateer even verheugd, dat er programma's zijn gekomen als die van Mehrtens, waarbij ook de jeugd het voortreffelijk doet in zang en 'snarenspel'. Ik denk ook aan sommige kerkdiensten, die bij zieken, die niet meer naar de kerk kunnen en toch graag gewoon met de gemeente meeleven, goed aankomen. Ik memoreer ook de wilde ganzen, die enorm, veel goodwill kweken.
4. De luisteraars moeten ook niet vergeten, dat alle (letterlijk: alle) omroepinstanties hun 'bedrijfsongevallen' hebben. D.w.z.: in het programma van elke omroeporganisatie e.d. komen vlekken voor, die nauwelijks kunnen worden voorkomen. Wie als een 'jager' op jacht gaat om een 'prooi' te zoeken, komt nooit onverrichterzake thuis. Vooral bij rechtstreekse uitzendingen heeft men de sprekers niet volledig in de hand. Er zit altijd een groot risico in. Ongelukken komen ook in radioland gemakkelijk voor. En in televisieland nog sneller. Er zijn luisteraars, die dan haastig voor hun organisatie bedanken en zo hun vereniging straffen. Bij het IKOR kan dat niet, omdat dit geen leden heeft en volkomen eigenmachtig kan te werk gaan. Zonder een instantie van controle.
5. Ter vergadering is aanmerking gemaakt op de uitzendingen: Dood is dood. Mocht ds. Koole mijn artikelen hierover niet hebben gelezen, de drukinkt is nog nauwelijks droog. Als hij het wil, zal ik een fotocopie laten vervaardigen. Hij krijgt die gratis. Omdat ds. Koole om 'argumenten' heeft gevraagd, noem ik ze nu heel concreet. Als het IKOR twee uitzendingen over 'dood is dood' in de serie 'Dubio' projecteert, is er m.i. bezwaar tegen in te brengen, dat vanwege de Gereformeerde Kerken er drie theologen zijn, die deze leus willen bestrijden, doch dat van Hervormde zijde slechts één theoloog aanwezig is. En als die éne theoloog dan nog ds. Krop is, die belijdt, dat dood dood is, komt onze Hervormde kerk er bekaaid af. Dan moet iedereen denken, dat de gehele Hervormde kerk er precies zo over denkt en dat wij niemand anders in het veld wisten te brengen dan juist ds. Krop met zijn extremistische ideeën. Als ds. Koole enigermate in het kerkelijk leven thuis is (en dat wil ik aannemen), dan kan hij toch zonder enige moeite op de naam van prof. Van Niftrik komen, die in heel Nederland bekend is als de schrijver van boeken als: De hemel; — Waar zijn onze doden? — Het bestaan van God. Mag de kerk weten, waarom wél ds. Krop is gevraagd en prof. Van Niftrik niet? Is dat eenvoudig een dom en dwaas gebeuren, waarbij ds. Koole niet heeft nagedacht, of viel de keuze opzettelijk zo uit?
Het kan soms wonderlijk gaan in de wereld. Ik hoorde kort geleden van iemand (ik noem hem X en u moogt niet raden!), die de leus 'dood is dood' tot de zijne heeft gemaakt, maar die nog, jaren na het overlijden van zijn vrouw, alles met haar overlegt. "
Dood is dood? En toch overleggen met een overledene? Dat is óf wartaal, öf het reinste spiritisme. Het gesprek over 'dood is dood' eindigde zo, dat de luisteraar de conclusie kon trekken, dat het kon vriezen of dooien. De een kon gelijk hebben, maar de ander ook. De leider bracht dit dan ook zo onder woorden. M.i. kan elk gesprek zo eindigen, maar niet een gesprek, dat onder de auspiciën der kerk wordt gehouden. Dan moeten we met nadruk (als onze kerkorde nog enige geestelijke waarde heeft) eindigen met te spreken over Gods beloften en geboden. Dan moeten we besluiten, niet met een staalkaart van menselijke redeneirngen en een bonte reeks van grillige beweringen, maar met het evangelie. Met het Woord Gods. De kijker moet weten, wat hij doet. Hij kan naar dat Woord horen. Hij kan het ook voor zich verwerpen. Maar in een kerkelijke uitzending moet dat Woord doorkomen. Is dit geen positieve kritiek?
6. De uitzendingen 'Werken op zondag' zijn ook volgens de redactie van Hervormd Nederland beneden de maat. Ds. Koole kan nalezen, wat ik daar kort geleden over heb geschreven. Hij wil graag argumenten, opdat ik me achter de achterban niet kan verschuilen. Welnu: Een lidmaat uit Rotterdam heeft aan alle synodeleden een brief geschreven, waarin o.m. te lezen staat, welke taal de dominee uitsloeg, toen hij op rouwbezoek moest gaan en ook hoe ongehoord ordinair hij zich uitte, toen hij terugkwam. Ben ik nu voor ds. Koole duidelijk? En dat is nog maar een staaltje van wat er is gezegd en vertoond. Staat ds. Koole er werkelijk achter? Ik vind hem veel te beschaafd om dit te veronderstellen. Als hij mij het script toezendt, zal ik met rood potlood (als fatsoensrakker) aanstrepen, wat ik beneden peil vind. Ik ben dan in gezelschap van de redactie van Hervormd Nederland. Er zal geen woord Frans bij zijn. Dat kan ik ds. Koole verzekeren. Maar ik veronderstel, dat hij me nu zeer duidelijk begrijpt. We moeten als kerkelijke omroep niet in het volslagen decadente vervallen. Dan kunnen we wel inpakken. Misschien is het ds. Koole nu duidelijk, dat prof. Lekkerkerker heeft gezegd dat de uitzendingen, als onder 5 bedoeld, kerkverwoestend hebben gewerkt. En ook, dat ik hier geen enkele zinnige verklaring voor kan geven, of het moest zijn, dat we moedwillig-links-destructief het kerkelijk leven als verouderd willen vernietigen. Dat mag ik van ds. Koole niet aannemen. Maar, zo vraagt de kerkganger, die nog kerkt en bijdraagt, zich af: Wat willen die 'jongens in Hilversum' toch? Wat bezielt ze? Aan ds. Koole het woord. Onze kolommen staan voor hem open. Het behoeft echt niet tot de volgende conferentie te wachten.
7. Kijkdichtheid is geen maatstaf voor het kerkelijk getuigen, En een gezelschap van t.v.-kritici oordeelt blijkbaar heel anders dan de kijkers. Ook de buitenkerkelijke.
8. Met spanning zie ik die musicals tegemoet over het Hooglied, Jonah, De val, e.d. De ervaring leert, dat het zeer riskant is Bijbelse gegevens in spel en musical te verwerken.
9. Tenslotte. Het IKOR werkt mij te eigenmachtig. Het is een stichting, en elke stichting kan een eigen leven leiden. Uit synodale kring is me gezegd, dat het zo 'moeilijk' is hier wat aan te doen. Ik begrijp dat niet goed. Synodale figuren zijn er juist om het moeilijkste werk te doen. Naar mijn smaak zou het, positief, een goede zaak zijn, als het synodaal moderamen, dat elke dinsdagmorgen vergadert, na vulgaire uitzendingen als de afbrekende serie Werken op zondag openlijk publiceerde, dat het zich van zulke experimenten distantieerde. Dat zou voor kerk, volk en IKOR genezend wer ken. Nu neemt bedoeld moderamen (afgezien van wat binnenskamers geheim geschiedt) voor het forum van de kerk de Eli-houding aan. Waarom zou dat moderamen het IKOR openlijk niet zuur mogen aanzien? Want dat dit niet is geschied, ervaar ik als een nalatigheid, die wellicht te danken is aan het vele werk, dat toch al gedaan moet worden, maar die de kerk meer schaadt dan men denkt.
Het is wat vermoeiend telkens maar weer op hetzelfde aambeeld te moeten hameren zonder dat er serieus geluisterd wordt. Juist van mensen die nauw betrokken zijn bij de communicatie-middelen zou men wat meer openheid en bereidheid tot luisteren mogen verwachten. Maar het IKOR gaat rustig door. De honden blaffen, maar de karavaan trekt verder. Intussen moet dat ons niet verhinderen toch te blijven spreken. Zeker als dat gebeurt op een zo positieve wijze als in het hierboven weergegeven stuk.
De leidende figuren bij het IKOR zullen prof. Van Itterzon er niet van kunnen beschuldigen, dat hij geen waardering heeft voor allerlei uitzendingen en geen begrip voor de moeilijkheden. Waarom dan toch niet gerechtvaardigde critiek serieus genomen? Of zouden hier zulke diepgaande verschillen inzake de opvattingen over de evangelieverkondiging aan de moderne mens een rol spelen, dat de kloof bij voorbaat niet te dempen is? Wij menen inderdaad dat de vraag van 'verkondiging en massa-media' ons midden in de theologische discussie brengt inzake apostolaat, kerk-zijn, gemeente en wereld, evangelie en cultuur. Voor onze kerk een reden te meer op zijn qui-vive te zijn. Er staat immers in onze kerkorde altijd nog zoiets als: 'de kerk weert wat haar belijden weerspreekt'. Dat blijft staan, ook als het de arbeid van een stichting betreft, waar onze kerk zo nauw mee verbonden is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1971
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1971
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's