De Heilige Geest en de prediking (I)
Het geloof in de Geest
Laat mij beginnen met één van de oudste uitspraken en ook één van de meest gedane uitspraken van de kerk: 'Ik geloof in de Heilige Geest'. Ze wordt door elke dienaar des Woords bij allerlei gelegenheden, die de kerkelijke samenkomsten bieden, uitgesproken en zij wordt uitgesproken namens de gemeente of samen met de gemeente. Dat dit geloof in de H. Geest betrekking heeft op de prediking, mag blijken uit de artikelen 9 en 10, die in het Credo direct op deze uitspraak volgen, namelijk: 'Ik geloof een heilige, algemene. Christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen, vergeving der zonden', en vooral ook hieruit, dat het artikel van de H. Geest geplaatst is tussen al wat van Christus beleden is en wat over de kerk geloofd wordt.
Het is merkwaardig, dat er alleen maar gezegd wordt Ik 'geloof' in de Heilige Geest. Kon hier op bijbelse gronden niet iets meer gezegd worden, zoiets als: wij ervaren de aanwezigheid, wij gevoelen de werking, wij zien de leiding van de Heilige Geest. Hoezeer die dingen meespelen in het geloof, wij willen het toch gaarne houden bij die oud-kerkelijke uitspraak. Het geloof is een geboden zaak, het is een geschonken zaak, het is ook meer dan zien, dan gevoelen en ervaren tezamen. Het is in de eerste plaats een kwestie van gehoorzaamheid, van eerbiedig opzien tot Hem, Die God is. Prof. dr. J. H. Bavinck handelt in zijn boek 'Ik geloof in de Heilige Geest' over de God, Die zich verborgen houdt, pag. 5, pag. 10— 16. Inderdaad is God voor Israël geweest de God Die Zich verborgen houdt, de God Die in de donkerheid woont, de God rondom Wien zijn wolken en donkerheid. Hij is zelfs de God, Die Zich bedekt met het licht. Die een ontoegankelijk licht bewoont, Ps. 97 : 2. Zijn gedachten zijn hoger dan onze gedachten. Zijn wereldbestuur is onnaspeurlijk en stelt ons voor onoplosbare raadselen. Boven alles, maar dan ook boven alles, staat Zijn raad en doet Hij al Zijn welbehagen. Wij kunnen slechts met Job zeggen: Zie God is groot en wij begrijpen Hem niet.' Job 36 : 26.
Wat de Zoon Gods, Jezus Christus betreft, al wat de kerk van Hem gelooft en belijdt, dat is alles in het historische vlak gelegd. Al zijn er getuigen geweest van Zijn geboorte, van Zijn prediking, van Zijn wonderen, van Zijn lijden en sterven, van Zijn opstanding en van Zijn hemelvaart, het zijn allemaal dingen geweest, die gebeurd zijn. Hoe zeer ook het 'God met ons' ons aanspreekt in heel het spreken en handelen, in heel het zijn van Christus, 'wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen' 2 Cor. 5 : 7. Al zijn daar betrouwbare getuigen, ook hier blijft, om in Oud Testamentische termen te spreken, de hele dienst der verzoening besloten tussen de donkerheid van Golgotha, als binnen het heilige der heiligen. En vooral dat éénmaal en vooral dat tóén houdt het heil in Christus alleen benaderbaar door het geloof. Zoals Abraham vóór Hem van verre Zijn dag gezien heeft, zo hebben ook wij na Hem slechts Zijn dag gezien!
De Persoon van de Geest
En nu de Heilige Geest! God is de God Die Zich bedekt, de God, Die Zich verborgen houdt. Christus hult Zijn openbaring in Zijn vernedering, in Zijn knechtsgestalte, ook in Zijn woord, maar Hij is toch 'God met ons'. Wat is de Geest voor ons? Hij verschijnt in het Oude Testament niet zichtbaar, niet bij de Schepping, niet bij de inspiratie der profeten, niet bij de bekwaammaking van kunstenaars en Richters. Ook in het Nieuwe Testament verschijnt Hij onder symbolen. Hij daalt neder bij Jezus' doop 'onder de gedaante' van een duif. Op de dag van de zending der apostelen blies Jezus op de discipelenen zeide: Ontvangt de Heilige Geest'. Hier hebt u het Oud Testamentisch motief voor de Geest, van de ruach, de wind, de ademing Gods. En op de Pinksterdag verschijnt de Geest onder de tekenen, van een geluid als van een stormvlaag en onder de tekenen van vlammen als van vuur. Symbolen zijn zij! De Geest wordt voorts gekend aan de werkingen, die Hij doet, aan de uitwerkingen die Zijn komst heeft, maar Zelf is Hij verborgen. Hij spreekt van Zichzelf niet. Op de Pinksterdag laat Hij Petrus in de grote Pinksterrede van Christus getuigen. Zelf blijft Hij verborgen. Zeer bescheiden, als wij dat zeggen mogen, gaat Hij Zijn weg. Hoewel Hij onwederstandelijk is, Hij twist niet langer met het geslacht van de oude mensheid (Gen. 6:3). Hoewel Hij onwederstandelijk is, Hij dringt Zich niet op. Nergens treedt Hij op de voorgrond, nergens treedt Hij in de openbaarheid — maar Hij is er. Hij is er overal. Heel de aeon van de Geest, de bedeling van de Geest, het laatst der dagen, is van Hem vervuld. Zoals Hij de Schepping vervulde, bedekte, zo vervult Hij nu de geschiedenis van de volkéren en van de kerk, op een bijzondere wijze. Hij is God, de waarachtige God, de overal tegenwoordige God. Hij is overal, zoals de God, Die Zich verborgen hield en houdt, overal is; als Hij Zich gedekt met de duisternis. Hij is daar; als Hij Zich bedekt met het licht. Hij is daar. Hij is overal, zoals Christus overal is in Zijn woord, dat de wereld draagt en doorloopt, overal daar is, waar Hij Zich kleedde in Zijn vernedering, waar Hij Zich omhult in Zijn Woord, en ook overal daar is, waar Hij Zich dekt in de volheid van Zijn Godheid.
Zo is de Geest als de waarachtige God, gelijk de Vader en de Zoon, verhuld Zich openbarend. En wij gevoelen ons zeer gelukkig met dat 'Ik geloof' van het Credo. Wij doen dat met de kerk, wij zeggen dat met de kerk, wij belijden dat met de kerk. Het geloof is niet onze armoede, het is onze rijkdom. Daarin ervaren wij Zijn werkzaamheid, daarin gevoelen wij Zijn nabijheid, daarin zien wij Zijn leiding, maar ons geloof is veel meer dan ervaren, veel meer dan gevoelen, veel meer dan zien. In dit geloof raakt de Heilige Geest onze gehele mens, de kerk geheel, de wereld waarin wij leven geheel, zodat wij zeggen 'In Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij!'
Als prof. Berkhof de Heilige Geest, noch de Zoon, noch de Vader wil zien als persoon, dan wil hij van de onderscheiding in personen af en legt hij al de nadruk op de enen God. Hij beroept zich op Barth: Kirchliche Dogmatik I, 2, § 16, waar de Heilige Geest genoemd wordt De subjectieve werkelijkheid der openbaring en in paragraaf 13, I correspondeert dat met Jezus Christus, de objectieve werkelijkheid der openbaring. (Zie pag. 23—24 De Leer van de Heilige Geest, dr. H. Berkhof). Voorzichtig stelt Berkhof dan: 'De Geest is dus een tweede realiteit naast Christus, maar geheel aan hem ondergeschikt, dienende voor de toepassing van zijn verzoenend werk, voor de verwerkelijking van de rechtvaardiging door het geloof. Dr. Berkhof stelt daarna de vraag, of deze voorstelling van zaken in de pneumatologie volledig recht doet aan de prediking van het Nieuwe Testament over de Geest. Hij beantwoordt die vraag ontkennend! De Geest is veel meer dan een bemiddelende macht, dan de subjectieve keerzijde van Christus' werk. Dat hij tot ons is gekomen, is een grote nieuwe gebeurtenis in de reeks van Gods reddende daden. Hij schept een eigen wereld, een wereld van bekering, bevinding, heiliging; van tongen, profetiën, wonderen; van zending; van het opbouwen en leiden der kerk. Hij wijst ambtsdragers aan; hij organiseert; hij verlicht, inspireert en steunt. Hij doet voorbede voor de heiligen en helpt hen in hun zwakheid. Hij onderzoekt alles, zelfs de diepten van God; hij leidt in alle waarheid; hij schenkt tal van gaven; hij overtuigt de wereld; hij verkondigt de dingen, die komen zullen.' Via de Rooms katholieke Ingo Hermann en via Alan Richardson komt Berkhof ertoe om Christus en de Geest identiek te stellen, zodat de Geest de handelende Christus is. In zijn zesde lezing komt dr. Berkhof tot deze slotsom: 'Wat wij in de bijbelse openbaring voor ons zien, is een grote goddelijke beweging, een beweging van God als Geest, gaande naar de Zoon toe en van de Zoon uit. Het is een beweging, die ons dwingt drie woorden te gebruiken: God-Christus - Geest, of, naar de volgorde van onze ervaring: Geest - Zoon - Vader. Deze drie namen tezamen wijzen op een beweging van de ene God en niet op een statische gemeenschap van drie personen.' (De leer v.d. H. Geest, pag. 128—129.) Zo komt Berkhof er toe, om de Geest te noemen: 'God in actie'. En hij zegt: 'niet het statische van drie personen, maar de namen zijn de beschrijving van een voortgaande beweging van nederdalen waarin God zich dieper en dieper uit strekt naar de mens in zijn zonde en nood, totdat Hij uiteindelijk als de Geest van Christus het hart van de enkeling met de kracht van de wedergeboorte bereikt. Dan leidt de Geest de mens tot Christus en in Christus vindt de mens God. De drieënige God omvat niet drie personen: Hijzelf is persoon en Hij ontmoet ons in de Zoon en in diens Geest. (De leer v.d. H. Geest, pag. 129.)
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's