De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Daarmee is alles gezegd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Daarmee is alles gezegd

10 minuten leestijd

In de Bijbel heeft God alles gezegd, wat Hij eeuwig in Zijn hart had om ons bekend te maken tot zaligheid. Daarin heeft God Zich dus helemaal' uitgesproken. Ieder kind van God mag nu weten, wat hij aan deze God heeft. En iedere gelovige zal zich wel tienmaal bedenken, voordat hij daar iets van af wil doen. Hij heeft er ook geen behoefte aan er wat aan toe te voegen.

Bij onze vorige behandeling van artikel 4 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis hebben we gezien, hoe de geschriften van het Oude en Nieuwe Testament het gezag hebben gekregen, dat ze als canonieke boeken van de Bijbel, ieder voor zich en alle tezamen, de eeuwen door hebben behouden. Kort gezegd komt het, om met dr. H. Bavinck te spreken, hierop neer: 'Deze geschriften der apostelen hadden van stonde aan autoriteit in de gemeenten, waar zij bekend waren. Zij werden spoedig verbreid en kregen daardoor steeds uitgebreider gezag' (Dogm. I, 419). De canoniciteit der Bijbelboeken wortelt in hun existentie.

Open of gesloten canon?

Daarop doorgaande, komt echter de vraag boven, of daarmee alles is gezegd. Zijn er niet naast de bestaande boeken van de heilige Schrift misschien nog eindere, die van oorsprong net zo gezaghebbend zijn geweest en dus evenzeer onderscheiden van de apocryphe boeken als alle Bijbelboeken, maar die nu eenmaal niet bewaard zijn. Uit de twee Corinthische brieven, die wij in het Nieuwe Testament hebben, blijkt met grote zekerheid, dat Paulus minstens nog één brief'geschreven heeft naast de twee die wij kennen, gericht aan de christelijke gemeente te Corinthe. Stel, dat deze verloren gegane brief nog eens zou worden gevonden. Wie weet, wat nog in het zand van Egypte op ons wacht (K. Barth). Als we spreken over een gesloten canon, dan zouden we de grenzen van de heilige Schrift gesloten houden, zelfs wanneer we, om bij het voorbeeld te blijven, zeker zouden weten, dat we een nieuwe brief van Paulus gevonden hadden.

Is de canon van de Bijbel dan in die zin hermetisch gesloten, dat we er geen woord meer aan toevoegen, zelfs geen apostolisch woord, nu en nooit? Deze vraag is moeilijk, omdat ze een academische vraag is. Maar juist daarom is ze minder moeilijk dan men op het eerste gezicht denkt. Als we nl. in de bewaring van de canonieke boeken van de Bijbel Gods goede hand opmerken mogen en dankbaar gebruik maken van wat Hij ons daarin als genoegzaam tot zaligheid heeft gegeven, dan behoeven we er geen nacht van wakker te liggen, dat niet alle woorden en geschriften van profeten en apostelen ons zijn overgeleverd. Wat God ons in Zijn Woord gaf is niet een minimum, waar we amper mee rond kunnen komen, zodat we eigenlijk wel een beetje zitten te verlangen naar meer. Het geloof beaamt het, als we zeggen: Hier is ons het maximum gegeven. Dit is meer dan genoeg. Daarom behoeven we ons niet lang bezig te houden met het hypothetisch geval van wat het zand van Egypte ooit nog eens zou kunnen opleveren. Bovendien willen we hieraan geen argument ontlenen om de principiële openheid van de canon te bepleiten. Wat zouden we daarmee willen bereiken? ! Stel, dat we in het bezit zouden komen van 'dokumenten', waarvan we met zekerheid zouden kunnen vaststellen, dat ze door het apostolische gezag gedekt zijn en stel, dat we op grond daarvan het aantal van 27 Nieuw-Testamentische Bijbelboeken zouden gaan uitbreiden met één of twee, zou daardoor iets veranderen aan de canon van de Schrift, is daarmee de genoegzaamheid van de Schrift en de zekerheid des heils in het geding, ja dan nee? En als men op deze vraag nee antwoordt (dat zal men toch moeten doen), waarom heeft men er dan zoveel belang bij om het beginsel van de geslotenheid van de canon aan te vechten? !

Wil men door te spreken over een open canon de Bijbel dan toch 'slechts' waarderen als een model van de openbaring Gods? God zou dan Zijn Kerk onderweg door Zijn Geest verder leiden ...! Helaas zijn soortgelijke beweringen aangewend om de vrouw in het ambt te verdedigen. Helaas schijnt de openbaring Gods in de geschiedenis (lees: in allerlei revolutionaire bewegingen op politiek en sociaal terrein) in moderne humanstische 'theologieën' zo ongeveer (of helemaal) in het verlengde te liggen van de Openbaring Gods in de Bijbel. En op sommige scholen, die de naam van Christelijk dragen, begint men misschien daarom de dag net zo lief met een spreuk uit het Rode boekje van Mao als met het lezen van een gedeelte uit de Bijbel. Maar dan is het, hoop ik, uit dit krasse voorbeeld wel duidelijk, dat we op een bijzonder onveilige weg zijn, wanneer wij uitgaan van de openheid van de canon van de Bijbel.

Wij voor ons hebben er geen behoefte aan om de grenzen van de Schrift dusdanig vloeiend te houden, dat er een mogelijkheid is van constante import van dwaalleringen. Dan zeggen wij liever, dat het Woord Gods in de Schrift gestold is. God heeft Zich helemaal uitgesproken. En wat de Geest van God vandaag doet in al de leidingen van Christus' gemeente, dat is niets anders dan dit: Hij doorlicht en actualiseert het Woord Gods en leidt op deze wijze de Kerk des Heeren naar de voleinding.

Evenzeer mogen we daarom wel beducht zijn voor een onderwaardering van het Woord van God, die steeds het kenmerk is geweest van de doperse geest. En dat is het geval, wanneer men de Bijbel slechts hanteert als een bevestiging van wat God ons in een directe openbaring door 'inwendig licht', door stemmen of visioenen zou leren. Wij leven niet meer in de tijd der directe openbaringen. Wat wij dus als de wil van God voor ons leven, hier en nu, door de profetische verlichting van de heilige Geest aan de weet kunnen komen (en dat is een wezenlijke zaak), dat kan alleen voor God bestaan, wanneer wij het ook meteen kunnen aflezen uit de Schriften. Ja ook is de heilige Schrift de inspiratiebron om deze wil van God over 's mensen bestaan te leren kennen.

Als dus de canon gesloten.is, dan moeten we daarbij ook willen leven. En dat is bepaald geen benauwd bestaan.

De vraagtekens van de Reformatie

Een andere vraag echter dringt zich op. Als wij nl. het aantal Bijbelboeken niet zullen uitbreiden, betekent dat dan ook, dat hier van geen inkrimping sprake kan zijn? Niets-toedoen, niets afdoen? En verviel de Reformatie, althans bepaalde reformatoren niet in dezelfde fout als Rome, toen zij critiek oefenden op de canoniciteit van bepaalde Bijbelboeken? Rome rekende de apocryphe boeken bij de canon. Maar Luther vond de 'strooien brief' van Jacobus bepaald niet zo apostolisch, vooral vanwege het daarin gestelde over de rechtvaardiging van Abraham door de werken. Polman zegt in zijn verklaring van de N.G.B.: 'In Luthers tafelgesprekken beweert hij, dat hij aan degene, die de brief van Jacobus met Paulus' leer in overeenstemming weet te brengen, gaarne zijn baret wil opzetten en zich een nar wil laten schelden.' Ook vindt Luther (aldus Polman), .dat de brief van Judas een onnodig epistel is onder de hoofdboeken, die de grond voor het geloof leggen, terwijl hij het boek van de Openbaring duister en onbegrijpelijk vindt.

Nu is het bekend, dat Luthers oordeel op deze punten later veel milder is geworden. De brief aan de Hebreeën, die hij eerst voor een apocryph geschrift hield, heeft in later tijd zijn grote waardering.

Calvijn, hoewel hij ten onrechte de vader van het critisch Bijbelonderzoek is genoemd, gaat veel bedaarder tewerk. Dat hij de drie boeken van Salomo niet gecommentarieerd heeft, wettigt nog niet de conclusie, dat hij ze voor niet-canoniek hield. Uit Calvijns verklaring van Ps. 45 moet in ieder geval wel blijken dat hij het boek Hooglied niet 'onverklaard' liet, omdat hij er geen raad mee wist. Trouwens in het proces van Castellio handhaaft Calvijn de canoniciteit van het Hooglied uitdrukkelijk. Verder citeert Calvijn vaak uit de andere boeken, die door hem niet zijn uitgelegd. Ook de Openbaring van Johannes wordt telkens aangehaald in deze zin: 'De Schrift zegt' of 'De Geest getuigt'. Verder lezen we bij Polman: 'Dat 1 Johannes door Calvijn vaak als 'de canonieke brief van Johannes' wordt geciteerd, was een gewoonte van oude tijden af bij een aanhaling uit één van de zeven katholieke brieven (en niet een bewijs, dat Calvijn de andere Johanneïsche brieven voor onecht en nietcanoniek hield). Ook spreekt Calvijn van de canonieke brief van Judas'. Om het feit, dat Calvijn geen Schriftverklaring heeft gegeven van 2 en 3 Johannes en van het boek der Openbaring van Johannes kan men hem derhalve niet maken tot een voorloper van de Schriftcritici. Wie dat doet, maakt zich schuldig aan geschiedvervalsing. Calvijn is al voor heel wat wagens gespannen. Blijkbaar wil ook hier 'elke ketter zijn letter' hebben. Dat Calvijn de hele Schrift heeft uitgelegd op enkele Bijbelboeken na zou er misschien ook getuigenis van kunnen afleggen, dat het uitgangspunt voor zijn theologische en kerkelijke arbeid niet slechts in een deel van de Bijbel, maar in heel de Bijbel lag, heel bewust. En dat hij niettemin een klein aantal van die Bijbelboeken niet van een exegese 'woord voor woord' voorzag, zou ons kunnen doen vermoeden, dat ook hij wist een beperkt mens te zijn, beperkt niet alleen in tijd, maar ook in inzicht. Ik denk bij dit laatst vooral aan het boek der Openbaring.

Het valt dus in feite met de vraagtekens, die de Reformatie rondom de canon zette, wel mee. Calvijn heeft trouwens ook 'eens aan Henri Bullinger over Luthers heftigheid geschreven en gezegd, dat hij (Luther) 'een teugelloos, onstuimig en driest karakter' had. Dat is ook wellicht in rekening te brengen, als we de opmerkingen van Luther over bepaalde Bijbelboeken lezen. En wie weet, hoe graag Luther nog eens zijn baret had opgezet aan bepaalde theologen uit andere tijden, die zich dankbaar hebben beziggehouden met de verklaring van de Jacobusbrief, omdat deze brief er ons voor bewaart om verkeerde conclusies te trekken uit de gezegende leer van de rechtvaardignig van de goddeloze. Het antinomianisme, waarin de mens zich boven de wet verheven waant met een beroep op de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze, heeft in ieder geval aanleiding gegeven om te denken, dat deze leer 'goddeloze en zorgeloze mensen' maakt. En dan kan Jacobus ons uitnemend van deze waan verlossen.

Met deze opmerkingen zijn we nog niet aan het eind van onze behandeling van artikel 4 der N.G.B. Minstens één zaak vraagt nog om een bespreking. Dat is de verhouding Oude en Nieuwe Testament en in verband daarmee de vraag naar de éénheid van de Schrift. Maar daarover wil ik graag enkele kanttekeningen maken in een apart artikel. Het zij ons voor dit keer genoeg te weten, dat God ons in de canon van de Schrift een 'gedrukte, geschudde en overlopende maat' heeft gegeven. En als God Zich op deze wijze helemaal uitgesproken heeft, dan mag het geloof niet alleen weten, wat het aan die God heeft, maar Zich ook geheel aan Hem toevertrouwen. Jezus zei: Onderzoekt de Schriften; die zijn het, die van Mij getuigen'. (Joh. 5 : 39).

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Daarmee is alles gezegd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's