De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De kern van de zaak

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De kern van de zaak

8 minuten leestijd

'En zij zullen niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren zeggende: Kent de Here!, want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de Here.' Jeremia 31 : 34

Een wat grof gebouwde man, die zit na te denken; de kin gesteund met de rechterhand, het hoofd doorploegd met rimpels, de baard grauw en rafelend aan de randen, de ogen gesloten. Zo heeft Michel Angelo de de profeet Jeremia geschilderd, gebogen onder de last van zijn dienst, in diep en triest gepeins verzonken. Ik stel mij zo voor, dat hij het hoofd opheft en dat zijn ogen vol stromen met verwondering. Wat hoort hij, wat schouwt hij? God spreekt met hem over het toekomstig heil. God toont hem een nieuwe wereld, de wereld van zijn wonderen. Wat is dat een verrassing voor de man Gods geweest; Ik zal een nieuw verbond met hen maken. Hij wordt zelf getroost met de troost, die hij aan ons doorgeeft, die dit woord des Heren overdenken.

In dat nieuwe verbond zou de wet geen struikelblok meer zijn; God zou haar in het hart van Zijn volk schrijven, zodat zij er gewillig en met vreugde naar gingen leven. En die twee, die door de zonde zo ver uit elkaar geraakt waren, dat Jeremia herhaaldelijk over een breuk moest spreken, zijn in dat verbond weer verenigd: Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Het klinkt hem als muziek in de oren; overoude klanken, dat is waar, maar nieuw getoonzet, zodat ieder die ze hoort er vrolijk van wordt. Jeremia is de profeet van het verbond. Van het oude verbond, dat geschonden en verbroken werd. Van het nieuwe verbond, dat de Here in het vooruitzicht stelt. Het verbond is geen contract, al was het beschreven, al waren er twee delen in begrepen. Stel u voor, dat iemand zich op het huwelijkscontract zou beroepen, als hij het huwelijksverbond bedoelt. Toch werd het Verbond vaak als een contract behandeld, en dat niet alleen onder het volk Israël. Nee, het verbond is veeleer een contract, een levend contact. Het is een over en weer elkaar kennen. Kennen is de kern van de zaak, daar gaat het om. En dat betekent nooit kennis nemen van, en zelfs niet kennis maken met. Het is 'inniger: kennis hebben aan. Zo gebruiken wij het nog een enkele maal, als het twee mensen betreft, die met elkaar 'gaan'. Dat is een flauwe weerglans van dit verbondsmatige kennen, 'waarover Jeremia spreekt. De Here kennen is met Hem verkeren, bij Hem behoren. Hem eren en dienen uit liefde. Het verbond is een levensgemeenschap. Kennen is: in gemeenschap leven met.

Zij zullen Mij allen kennen, verklaart de Here hier. Dat is het leven met de Here als doel en inhoud van het verbond. Het hart van de zaak is een hart, dat klopt. Hoe zal de Here ons tot een God zijn; hoe zullen wij Hem tot een volk zijn? In dit kennen, waarmee alles gezegd is. Verstandelijke kennis is niet voldoende, zij is bovendien zo dood. Hartelijke kennis, waardoor het leven wordt vervuld en bestuurd. Het leven wordt ons in de gemeenschap met God geopenbaard. Wij kennen niet op grond van onze waarneming, of van onze ervaring. Dat legt geen band. Wij kennen, omdat wij met Hem, voor Hem, door Hem, in Hem leven. Zij zullen Mij kennen.

De Here moest er dikwijls over klagen: Mijn volk is dwaas, Mij kennen zij niet. Ze weigeren het rondweg. Dat bleek wel uit hun gedrag. Waarom gehoorzamen ze de Here niet, waarom vertrouwen zij Hem niet? Het schort hen aan de rechte kennis des Heren. Hen? Ons soms niet? Toch lag daarin het oorspronkelijke leven van de mens verklaard en verankerd. Geschapen naar het beeld van God, dat is in ware kennis van God, in echte gemeenschap met Hem. Daartoe stichtte God Zijn verbond, opdat Israël in die kennis zou leven. Het verbond roept ons tot de oorsprong van het leven terug. Wat was er van terecht gekomen? God werd miskend. Hoewel menigeen Zijn Naam op de lippen nam, kenden zij Hem eigenlijk niet en deden daar ook nauwelijks moeite voor.

De priesters zeiden niet: Waar is de Here en die zich met de wet bezig houden, wilden Mij niet kennen. Wat een verschrikkelijke toestand en dat onder het volk des verbonds. Er wordt ook vandaag veel gesproken over een God, die wij niet kennen. Het is te vrezen, dat zij die Hem dood verklaren. Hem inderdaad niet kennen. Maar kent u Hem, ken ik Hem? Zodat ons leven in de kennis des Heren wortel schiet en vrucht draagt? Is dat niet de eigenlijke nood van ons leven? Wie worstelt daarmee, in het gebed en onder het' gehoor? Here, ik ken U niet, al weet ik veel van U. Here, God des levens!

De prediking is voor alle dingen, onderwijzing in de kennis des Heren. De prediking van Jeremia, ontdekkend en onthullend. Het ging hem niet om wat leerregels die men moest onthouden, of om wat leefregels die men in acht moest nemen. Dat is slechts kaf! Het koren is: de Here kennen. Laten wij in de prediking kaf en koren toch onderscheiden. Hoe doods: leerregels en leefregels. Als u zich daar maar aan houdt; licht of zwaar maakt eigenlijk geen verschil. Kaf en koren, dat maakt verschil!

Week in, week uit wordt ons geleerd: Kent de Here. Dat is nodig, dat is heerlijk; want Hij is uw leven zei Mozes reeds. Jong en oud houden wij voor: Kent de Here. Daartoe wordt ons het Woord verkondigd, waarin de Naam ons bekend gemaakt wordt. Niet bij wijze van kennisgeving, dan kunt u het voor kennisgeving aannemen. Maar als een middel om met Hem in contact te komen. Die de God van ons en van onze kinderen wil zijn.

U moet dit echter niet aan de dienaren van het Woord en de ouderlingen overlaten. Een ieder lere zijn naaste en een ieder lere zijn broeder. Er is zo'n schromelijk gebrek aan kennis des Heren in gezin en gemeente, ook in 'onze' gezinnen en in 'onze' gemeenten. Bij voorgangers in en voorstanders van de waarheid. Daarover moesten wij meer bewogen zijn, wij zouden ons dan niet op de borst slaan over onze prediking of over onze kerk. Wij zouden doen wat hier geschreven staat. Daar klopt iemand bij zijn buurman aan, loopt bij hem binnen.

Waarover zullen ze samen spreken? Kent de Here. Is dat onderwerp van gesprek in de gemeente; bij hen die er van vervreemd zijn stellen wij het aan de orde en bij hen, die er aan gewend zijn, zonder dat het hun leven vernieuwde. Wij zitten in een kring, broers en zusters, ouders en kinderen. Waartoe wekken wij elkaar op?

Kent de Here! Wie is de Here? Raadpleegt Zijn Woord, roept Zijn Naam aan. Getuigt van Hem. Kent de Here, dat moet ons als een klaroenstoot wekken uit de dommel van de dood. Laten wij Zijn Naam belijden, niet omdat wij Hem bewijzen, of opdat wij Hem begrijpen. Maar om Hem te kennen en anderen tot die kennis te brengen.

Jeremia is er mee bezig geweest, maar het was een moeizaam werk. Het stuitte op verzet; de onkunde werd door de onwil versterkt. Het volk wilde van alles kennis nemen, maar de Here kennen, ho maar. Wie is de Here, vroegen ze vol wrevel, wat hebben wij met Hem te ma­ ken. Kom ons toch daarmee niet steeds aan boord. En anderen zeiden: Wij kennen Hem wel, dat zit wel goed, terwijl het hart zich verre van Hem hield en het leven er mee in strijd was. Zou hij het maar niet opgeven? Zouden wij het maar niet voor ons houden: Kent de Here. Zeker in deze tijd, van verwijdering en verwildering, van een verbondsverzaking zonder weerga.

De Here stelt wat nieuws in het vooruitzicht: zij zullen niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren, zeggende: Kent de Here. Omdat het toch niets uithaalt? Omdat, overigens rechtzinnige mensen — maar wat mag dat 'overigens' en dat 'rechtzinnig' dan toch betekenen? — schichtig worden als zij rechtstreeks tot de kennis des Heren worden geroepen, en die zich te weer stellen: dat gaat zo maar niet, of zich verontschuldigen met een 'ach mocht'. Nee daarom niet. Maar omdat het overbodig geworden is. Want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe. Dat is een onuitsprekelijk en onuitputtelijk grote belofte. God neemt het zelf ter hand. De kern van de zaak: Hem kennen, daar maakt Hij werk van. Als Hij werkt, wie zal het dan keren?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De kern van de zaak

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's