Een stukje eigentijdse geschiedenis
Hendrik Algra; Zijn werk - zijn leven
Zo af en toe lees je een boek, dat je van het begin tot het eind blijft boeien. Zo verging het mij met de levensbeschrijving van Hendrik Algra, de man van de populaire geschiedschrijving 'Dispereert niet', de schrijver van 'Het Wonder van de Negentiende Eeuw', waarin overigens helaas Kohlbrugge niet tot dat wonder wordt gerekend, de hoofdredacteur van het Friesch Dagblad — elke dag een hoofdartikel! — en dan verder de Senator, die zich de laatste jaren vanwege zijn opstelling ten aanzien van het cultuurbeleid van de regering in menige periode de benaming kuisheidsridder of fatsoensrakker zag toebedeeld. Achter de man, die hier in dit boek zijn leven en werk beschrijft, ligt een stuk eigentijdse geschiedenis. Personen en gebeurtenissen van de laatste halve eeuw lichten voor je op. Dat is het vooral wat dit boek zo levendig en actueel maakt. Daarom wil ik graag enkele facetten ervan hier weergeven.
De taal van het volk
Algra spreekt en schrijft de taal van het volk, in de eerste plaats het volk van de Friese Wouden, waar hij vooral met zijn publicaties in het Friesch Dagblad midden tussen stond. Zo is ook zijn vaderlandse geschiedenis in verhalende vorm voor het volk geschreven, teinde die geschiedenis een zo breed mogelijke ingang te geven. Zelf zegt hij dat het hem een diepe vreugde was in diepe verbondenheid te leven met het gewone volk waaruit hij zelf is voortgekomen. Met waardering schrijft hij over zijn ouderlijk huis — een boerenwoning met koestallen zonder koeien — of over de vroegere J.V., waar de jongeren uit boerengezinnen en arbeidersgezinnen zich bogen over het Woord.
In de taal van zijn volk is hij blijven spreken. En hij voert ook een pleidooi voor verstaanbaarheid voor het volk in kerk en politiek. Hij zegt: 'Politici spreken vaak een vakjargon en dat is in de Kamer laakbaar, maar in een gesprek met het volk grenst het aan verlakkerij. Bovendien komt er niemand na het aanhoren van zulke politieke geheimtaal aan het woord. Maar brengt de spreker het tot leven, door in de taal van het volk te spreken — In Friesland sprak ik altijd in het Fries, aangepast aan de taalvarianten van de streek — dan komen de tongen los en dan wordt het echt een gesprek. Eens legde ik uit, dat politiek hoe langer hoe meer een zaak wordt van specialisme en dat ieder specialisme altijd nieuwe jonkies krijgt, waardoor het nog moeilijker wordt. Man waar praat je over, het is jouw specialisme niet. Het is ondenkbaar, dat men nog iemand candidaat stelt voor de Tweede Kamer, van wie men alleen maar weet, dat hij leeft uit een beginsel, leeft temidden van zijn volk en bewezen heeft, dat hij van verscheidene markten thuis is.'
Het is goed bij deze opmerkingen de vinger te leggen. Maar al te vaak wordt in de politiek, maar ook in de kerk een taal gesproken, die het volk niet verstaat en die daarom ook niet verder komt dan een aantal ingewijden. Algra signaleert in zijn boek ook het verschijnsel dat predikanten op de universiteit over allerlei geïnformeerd worden maar niet over wat er leeft aan gedachten onder het volk, soms van streek tot streek verschillend, wat de vragen zijn ten aanzien van het geloofsleven, wat de specifieke noden en problemen zijn. Ik dacht dat dit juist was. Bovendien kan men zich in een prediking, die doordrenkt is van theologisch vakjargon ook van het volk afsluiten. Dan spreekt men een andere taal als het volk en wat men te zeggen heeft komt niet over.
Algra bespreekt in dit boek ergens de bekende kwestie Hardegarijp, waar jaren geleden het stichten van een christelijke school werd tegengewerkt door o.a. de plaatselijke kerkeraad, daarin gesteund door de Hervormde Raad voor Kerk en School, onder invloed van de doorbraakgedachte. Prof. Van Niftrik sprak toen in Utrecht over 'Hardegarijp een teken'. In zijn rede kwam de zinsnede voor dat de christelijke school werkt met een mensbeeld dat tegenover de bijbel eenvoudig niet te handhaven is.
Dan zegt Algra: 'Daar kwam een eenvoudig man uit de boerenstand naar voren, een man op jaren, de voorzitter van het schoolbestuur in Hardegarijp. En hij zegt na al die geleerdheid op een eenvoudige manier, op een duidelijke manier, zonder een zweem van geleerdheid, waarom hij en zijn vrienden in Hardegarijp zo graag een christelijke school willen hebben, een school met de Bijbel voor hun kinderen en kleinkinderen. Toen was prof. Van Niftrik zo eerlijk en zo Christelijk, ronduit te zeggen dat hij van dat eenvoudige getuigenis toch wel onder de indruk was. Deze eenvoudige man was met lood in de schoenen naar Utrecht gegaan en was bijna overdonderd door alle gepersonifieerde en geformuleerde geleerdheid, die daar was om het streven van hem en zijn vrienden te verdoemen, maar hij was gesterkt, hij heeft het later gezegd op de vergadering van de schoolvereniging, door de belofte van de Heere dat de Geest hem in die ure wel indachtig zou maken wat hij spreken moest.'
Met dit alles wil uiteraard niet gezegd zijn dat kerk en theologie het kunnen doen zonder systematische doordenking, zonder dogmatiek, zonder wetenschappelijke fundering, maar het wordt een ernstige zaak als men één en ander niet meer voor het volk vertalen kan in de taal van het volk. Dat geldt voor de prediking, dat geldt ook voor kerkelijke stukken. Moeilijke dingen zullen eenvoudig moeten worden gemaakt. En dat blijkt wel eens moeilijker te zijn dan gemakkelijke dingen moeilijk te maken.
Sint Michiels Gestel
Na deze algemene opmerkingen enkele concrete zaken. Algra was ook in Sint Michiels Gestel, in het kamp waar veel 'kopstukken' van na de oorlog, samen met de gewone man door de Duitsers in gijzeling werden gehouden. De gijzelaars stonden open voor de medegijzelaars, en daarbij deed het er niet toe of iemand seinwachter of professor was. 'De enige seinwachter trouwens liet er zich op voorstaan dat hij de hoogste post had in Nederland, namelijk in een hoog seinwachtershuis boven Heerlen'. Allerlei personen die in Gestel zaten haalt Algra voor het voetlicht: prof. dr. K. Dijk, die in het kamp preekte, en bijbelkring leidde en lezingen hield o.a. over de christen en de haat, maar die na nog maar één lezing te hebben gehouden over dit onderwerp werd ontslagen uit het kamp, zodat de anderen met 'de rest van de haat' bleven zitten; dan verder Banning en Schermerhorn, de oprichters van de naoorlogse P.v.d.A., prof. dr. J. Huizinga, Tilanus, Rutgers, Van Drimmelen, prof. dr. H. Kraemer, die in het kamp over het feit van de Opstanding preekte, ds. O. G. Heldring van de Zettense inrichtingen, en de Gorcumse burgemeester Ridder van Rappardt, die toen hem na afloop van een lezing gevraagd werd of ze het met hem eens waren antwoordde: 'Maar dan had ik het immers niet behoeven te beweren'.
Het is bekend dat in het kamp van Gestel de basis gelegd werd voor naoorlogse ontwikkelingen in kerk en politiek. De Hervormde Kerk zou vernieuwd uit de oorlog te voorschijn komen. Richtingen zouden plaats maken voor modaliteiten. Het bekende driemanschap Banning-Kraemer-Gravemeyer trok na de oorlog het land door om één en ander uit te werken. De oecumenische toenadering tussen de kerken zou op gang komen. En in de politiek zouden de christelijke politieke partijen plaats maken voor één grote doorbraakpartij, waarin christenen en nietchristenen elkaar vinden zouden. Toen na de oorlog één en ander tot ontplooiing kwam werd veelvuldig gebezigd de uitdrukking 'De geest van Gestel', om daarmee aan te geven de geest van verbondenheid, die in het kamp door kerkmuren en organisaties was heengebroken en die daarom model moest staan voor de naoorlogse ontwikkelingen in kerk en politiek. Bepaald veelzeggend is het nu in dit boek van Algra te lezen dat hij deze 'geest van Gestel' niet heeft ontmoet, maar dat het een zaak was van een kleine selecte kring. Het was in het kamp bepaald kennelijk geen volksbeweging.
Maar dat neemt niet weg dat Gestel na de oorlog wel van zich heeft laten horen. Het kan niet ontkend worden dat er een verstrekkende ontwikkeling mee op gang is gebracht. Wat ons betreft zijn we met die ontwikkelingen niet zo gelukkig geweest. Integendeel! Van wezenlijke vernieuwing, van Reformatie, die kerk en volk omvatte, is geen sprake geweest. Het mhoet ook wel opmerkelijk worden genoemd dat verschillende vooraanstaande personen uit de begintijd van Gemeenteopbouw (in kerkelijk opzicht) en de Doorbraak (in politiek opzicht) later op hun schreden zijn teruggekeerd.
Algra laat er in zijn boek geen twijfel over bestaan dat hij - en velen met hem - in de Doorbraak geen basis voor bijbels geïnspireerde politiek heeft gezien. De geschiedenis heeft hem in het gelijk gesteld. Wat is in de P.v.d.A. ooit terecht gekomen van bijbels geïnspireerde politiek? Velen, met name in de Hervormde Kerk, hebben er echter in de begintijd wonderen van verwacht. En wie nog vasthield aan de gedachte van een christelijke politieke partij kreeg de wind van voren. In Friesland kregen de Hervormden een gedrukt advies, ondertekend door ds. J. T. Wiersma, Hervormd predikant te Hallum (thans te Wassenaar) inzake de keuze voor een krant (er moest toen gestemd worden voor een krant): 'De Synode adviseert u in geen geval te stemmen op het Friesch Dagblad of De Waarheid'. De keus diende te vallen op de Leeuwarder Koerier of op ht Vrije Volk, beide felle tegenstanders van een christelijke politieke partij. Inmidels steeg bij de krantenstemming echter het aantal abonnees op het Friesch Dagblad — met in haar program, tot ongenoegen van het Vrije Volk, een paragraaf betreffende de zondagsrust vóór de sociale paragraaf — in overeenstemming met de volgorde van de Tien Geboden — met enkele duizenden.
Parlementariër
Algra weet uit zijn jarenlange ervaring als Senator boeiend te vertellen over de naoorlogse politiek en de daarin optredende politici. Om enkele voorbeelden te noemen: prof. dr. G. C. Gerretson (bekend als dichter onder de naam Geerten Gossaert) schreef tegelijk met zijn redevoeringen voor de Eerste Kamer ook de repliek, omdat hij toch al wist wat de minister in zijn antwoord zeggen zou. Over prof. dr. R. H. Woltjer vertelt hij dat deze, toen de voorzitter van de eerste Kamer een lang betoog van hem onderbrak met de opmerkingen dat anderen vóór hem er al het nodige van hadden gezegd, ten antwoord gaf: 'Maar ik zie niet in waarom ik er niet over zou mogen spreken als anderen het wèl hebben gedaan!' Zo zou meer te noemen zijn. Maar ik beperk me tenslotte tot een tweetal facetten van het politieke leven, waaraan Algra uitvoerig aandacht besteedt. In de eerste plaats de ommezwaai van de A.R.P. inzake de kwestie Nieuw Guinea. Toen de A.R.-fractie omging en haar standpunt inzake het zelfbeschikkingsrecht van Nieuw Guinea prijs gaf ten gunste van een overdracht aan Indonesië, werd dit later niet verklaard als een noodzakelijke heroriëntering onder de druk van de feiten, maar 'als een gelukkig en bemoedigend teken dat de A.R.P. de doodlopende weg van verstarring tijdig had verlaten en nu echt ging bewijzen dat zij een levende, zichzelf vernieuwende door het Evangelie geïnspireerde partij was'. Niet zonder spijt merkt Algra op dat diegenen, die deze ommezwaai niet op die wijze wensten te verdedigen in de hoek van de 'steriele reactie' werden gedrukt.
Zat Algra, die samen met Tjalma tegen overdracht aan Indonesië stemde, in de hoek van de steriele reactie? Het is hem de laatste jaren veelvuldig verweten, met name ook — en dat is het tweede punt dat ik hier noemen wil — inzake zijn visie op het cultuurbeleid van de regering. Algra heeft voortdurend de laatste jaren gevraagd naar de normen, die de regering meent te moeten hanteren inzake de subsidiëring van de kunt. Hij signaleerde herhaaldelijk — wat hij ook in dit boek doet — de verwording van de moderne kunst, die vaak, zoals hij met dr. C. Rijnsdorp zegt, neerkomt op faecaliën werpen naar het Kruis. Velen, zegt Algra, hadden gehoopt dat na de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog een kunst zou opbloeien, waarin het volk zichzelf zou terug vinden in zijn zorg en verlangen, en waardoor 't vergezichten zou zien tot achter de aardse horizon. Helaas is er veel voor de dag gekomen, dat neigde naar nihilisme en dat roerde in stilstaande poelen, waar het geluk wordt verstikt en het leven sterft. En verder zegt hij: 'Ook voor de kunstenaar geldt: Wie Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.' Algra's pleidooien voor normbesef in de kunst en de subsidiëring daarvan zijn inmiddels aanleiding geweest tot felle, soms smalende kritieken, tot in kerkelij ke periodieken toe. Hij noemt daarvan zelf treffende voorbeelden. Bij elk internu van het IKOR is of van het Vrije Volk, dit uit-de-tijdse-standpunt van een voorbije generatie, waar men bij voorbaat de schouder over ophaalt of het laatdunkend afdoet. Inmiddels stond Algra echter niet helemaal alleen. In de Eerste Kamer vond hij de C.H. Senator ds. Beerekamp aan zijn zijde. En de dichter-politicus Fedde Schurer verdedigde hem tegen onheuse aanvallen van letterkundigen.
Karakter
Ik heb slechts enkele facetten van Algra's boek kunnen noemen. Genoeg hopelijk om tot lezen te stimuleren. Algra heeft de laatste jaren bepaald wel eens op de tocht gestaan. Het siert iemand echter als hij het aandurft en volhoudt om kritisch view moet het ter sprake komen, of het weerbaar te zijn vanuit de opdracht van het evangelie in een samenleving, waarin het nihilisme hoogtij viert, zoals dat met name ook in het politieke leven op de voorgrond treedt en daar z'n consequenties doet voelen. Bij diepere confrontatie met Algra zou het best mogelijk zijn een aantal critische noties te plaatsen — Kuyper, Colijn! — maar dat dringt toch naar de achtergrond wanneer je op je laat inwerken de vastberaden inzet voor Bijbelse normen, waarvoor de schrijver zich heeft gegeven op menig terrein. Aan mensen met karakter heeft onze tijd meer dan ooit behoefte. In dit boek is een man met karakter aan het woord. Daarom heb ik hem hier aan het woord gelaten.
* N.a.v. Hendrik Algra; mijn werk/mijn leven; Uitgave van Gorcum en Co, Assen; 204 pag. ƒ 14, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's