Zendingsdag G.Z.B.
Zendingsdag G.Z.B.
Als je enkele impressies wil geven van de Zendingsdag van de G.Z.B., evenals vorige jaren gehouden op de eerste donderdag in augustus op de bekende open plek in het Rijssenburgsebos, dan moet je wel selecteren uit het vele dat je op zo'n dag hoort en ziet.
Weer waren er meer mensen dan vorige jaren. Het wordt zo langzamerhand moeilijk om een verantwoorde schatting te maken van het aantal bezoekers. De politie schatte 14.000. Het doet er ook allemaal niet toe. Voldoende is te zeggen dat het verheugend is dat in onze tijd, met z'n afkabbelend kerkelijk leven, nog zo'n stuk trouw en liefde aan de dag gelegd wordt voor het werk Gods, dat je op een dag als deze in wereldwijd perspectief ziet.
Het zendingswerk van de G.Z.B. is van een klein stekje, op 6 februari 1901 geplant, uitgegroeid tot een boom. Ds. J. v. Sliedregt stond in zijn openingswoord stil bij een gedeelte uit Jeremia over de 70-jarige ballingschap van het volk Israël. Ondanks de ballingschap zou God Zijn volk gedenken. Zo heeft God — evenals over het volk Israël — ook gedachten des vredes en niet des kwaads gehad over het werk van de G.Z.B. Het begin was, zeventig jaar geleden, moeilijk. Lang moest gewacht worden alvorens de eerste zendeling kon worden uitgezonden. Enkele jaren na zijn uitzending werd zendeling A. A. V. d. Loosdrecht vermoord. Zijn lichaam werd gezaaid in de Zendingsakker.
Ds. H. Harkema, terug van zijn bezoek aan Indonesië, gaf enkele indrukken van de kerk in de Toradjalanden. Verheugende groei, maar ook reden tot zorg. Het komt nog voor dat er gemeenten zijn, waar maar één bijbel is. Verder is er een gebrek aan krachten. Hij herinnerde aan een nota van de zendingsman H. Kraemer, die in 1939 het zendingsterrein van de G.Z.B, bezocht. Daarin werd gepleit voor een steviger bezetting van het terrein, omdat het er om gaat een heel volk voor Christus te winnen. Niet onze mogelijkheden moeten de norm zijn van de zendingspropaganda maar de opdracht van Christuswege. In die nota signaleerde Kraemer drie problemen: taaie weerstand van het heidendom, druk van de Islam en gewroet van Rome.
Ds. Harkema merkte op dat het er nu, zovele jaren na 1939, nog niet eenvoudiger op is geworden. Opleidingsscholen voor Islamitische godsdienstleraren worden b.v. volledig door de staat gesubsidieerd, terwijl de kerken de opleiding van leerkrachten geheel zelf moeten betalen. Verder signaleerde ds. Harkema de herhaaldelijk voorkomende infiltraties van R.K. geestelijken. De G.Z.B. blijft dan ook haar verantwoordelijkheid zien voor de Toradjakerk. Het tekort van ƒ 375.000 van de Toradjakerk, waarvoor de G.Z.B. zich garant had gesteld, is voor ruim ƒ 270.000 gedekt door de tiengulden-actie, die is gevoerd. De rest is door de G.Z.B. uit de reserves betaald. Maar nu is de koek op, aldus ds. Harkema.
Ds. Harkema ging ook in op de weigering van de G.Z.B. om mee te doen aan de tweede actie Kom over de Brug. Verweten is aan de G.Z.B. dat ze zo 'oude ruzies' uitvecht op de rug van de derde wereld. Dat bestreed ds. Harkema ten stelligste. Het werk overzee zal door deze beslissing van de G.Z.B, niet mogen worden geschaad. De G.Z.B, zal moeten proberen de 1 1/2 miljoen gulden, die ze door niet mee doen aan Kom over de Brug derven zal voor haar werk overzee, langs andere weg te krijgen. Men wil daarvoor niet in troebel water vissen en een actie voeren, die parallel loopt met K.v.d.B (II), waarbij men dan van de publiciteit van deze actie gebruik zou maken. Wel kondigde ds. Harkema een actie in termijnen aan onder het motto 'Blijf niet achter'. Inmiddels rekende hij voor dat' om het benodigde bedrag binnen te krijgen 400 giro-overschrijvingen van ƒ 15 per dag zouden moeten binnenkomen, en dat een jaar lang 5 dagen per week.
Zo kreeg de zakelijke kant van het werk op de zendingsdag alle nadruk. Maar de Woordverkondiging stond, zoals altijd, centraal. Dr. C. Graaf land uit Amsterdam sprak over het thema: 'Bij God bestaat geen rassendiscriminatie', n.a.v. de geschiedenis van Filippus en de kamerling uit Hand. 8. Het was Gods strategie, aldus dr. Graafland, dat de kamerling, die bij een uitwendige tempelgodsdienst in Jeruzalem geen antwoord gekregen had op zijn vragen en nu door de woeste weg van Gaza reisde, alléén met het Woord van God uit de profeet Jesaja, uitgerekend daar Filippus mocht ontmoeten, die uit Samaria was weggeroepen om op die weg de Schriften voor hem te openen. Dr. Graafland tekende de aanvechting van dienaren des Woords, die door God worden weggeroepen vanuit bloeiende gemeenten naar streken, die voor het oog geen aantrekkelijkheid hebben. Dan kan men jaloers zijn op de bereidwilligheid van Filippus, die zonder tegenspreken ging en wiens gemeente hem ook zonder tegenspreken liet gaan.
Indringend tekende dr. Graafland de situatie, waarin de kamerling verkeerde: een gesnedene, een vervloekte naar Deut. 23, iemand, die uitgestoten was uit de gemeenschap met God, bovendien een Chammiet, die de vloek van God moest dragen. Maar nadat hij uit de boekrol Jesaja 53 had gelezen over het Lam Gods, mocht hij ook Jesaja 56 lezen: de gesnedene zegge niet, ik ben een dorre boom. Want de gesnedenen, die Gods Verbond houden, krijgen een plaats in Gods huis beter dan der zonen en der dochteren. Eén en ander bracht dr. Graafland over op het persoonlijk leven en de zending. Dr. Graafland vroeg in zijn toespraak ook aandacht voor de situatie dichtbij, die door de schrikbarende afval die zich aan het voltrekken is ook zendingssituatie is. Er liggen vlakbij zoveel zendingsterreinen braak, 'in uw stad, in uw dorp, in uw straat, misschien wel in uw eigen gezin', aldus dr. Graafland.
Na de middagpauze veranderde het terrein enkele malen in een groot afdak van parapluies, omdat de regen neergutste. De aanwezigen bleven echter luisteren, allereerst naar de toespraken van ds. G. Veldjesgraaf uit Wouterswoude over graafwerk in het land van de heidenen naar aanleiding van 2 Kon. 3 : 16, 17 en 20, waarin vermeld wordt hoe de legers van koning Joram en Josafath zonder water kwamen te zitten en van Godswege d.m.v. de profeet Elisa de opdracht kregen om grachten te graven, terwijl er geen water te zien was. God gaf evenwel de belofte ze te zullen vullen met water. Eén en ander bracht ds. Veldjesgraaf over op het zendingswerk. In de dorre akker van het zendingsveld moet vaak veel graafwerk vooraf, verricht worden, alvorens Gods water daarin uitgegoten wordt.
Ds. G. Boer sprak tenslotte over Filippenzen 4:6, 7: Wees in geen ding bezorgd. Niet bezorgd zijn betekent wat anders dan geen zorg hebben vóór. Bezorgd zijn is uiting van hoogmoed tegenover God en Zijn regering. Het 'weest in geen ding bezorgd' wordt echter ten diepste verstaan door opzien tot de Gekruisigde. Van daaruit kunnen ook de begeerten door bidden en smeken, zoals de tekst zegt, bekend worden gemaakt bij God, zowel voor het persoonlijk leven als voor het zendingswerk. Ds. Boer benadrukte dat het daarbij niet alleen mocht gaan om de volkeren van Indonesië en Afrika, maar ook voor ons eigen volk en onze eigen kerk, die in grote nood zijn en steeds meer ontzinken aan de roeping, waarmee de Heere roept.
Met de toespraak van ds. Boer werd deze rijke dag afgesloten.
De collecte bedroeg ƒ75.000 (in 1969: ƒ49.000; in 1970: ƒ63.000). De bruto opbrengst, waarin dus de gelden van de verkochte artikelen begrepen zijn, bedroeg ƒ 136.700. Rest nog te vermelden dat de toespraken in brochurevorm te krijgen zijn voor de prijs van ƒ 2, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's