De christelijke levenswandel III
De beschouwing van Calvijn
In 1550 verscheen voor het eerst te Geneve een boekje onder de titel 'Het christelijk leven'. Deze uitgave was in het latijn en bevatte de laatste hoofdstukken van de eerste uitgave van de Institutie van Calvijn (1536). In de latere uitgaven vinden we de tekst in de hoofdstukken 6—10 van het derde boek (zie wat de nederlandse vertaling betreft, die van dr. A. Sizoo). Na verschillende vertalingen in het Frans en Duits, verscheen er in Nederland een vertaling van bovengenoemd boekje in 1859. De vertaler gaf het boekje een nieuwe titel, nl. 'Gulden boekske'. In 1938 verscheen (in béter Nederlands) een vertaling van ds. W. H. van der Vegt.
Uit dit werkje, dat sporadisch in de handel is, willen we enkele hoofdlijnen naar voren halen om te laten zien van hoe groot belang Calvijn een christelijke levenswandel achtte.
Merkwaardig is, dat Calvijn telkens, wanneer hij spreekt over de wedergeboorte (regeneratio) hij deze in de ruimere zin van het woord neemt, dus de gehele levensheiliging erin betrekt. Hij zegt dan, dat het doel der wedergeboorte is, dat in het leven der gelovigen een gehoorzaamheid gezien wordt, die de goddelijke gerechtigheid. eist, om daardoor te bevestigen, dat wij tot kinderen Gods zijn aangenomen. Dit nieuwe leven, deze herstelling van Gods beeld in ons, ligt wel in de onderwijzing van God besloten, maar onze natuurlijke traagheid heeft telkens een aansporing nodig. De Schrift leert, dat wij moeten geheiligd worden omdat onze God een heilig God is. Heiligheid van hart is de band van de gemeenschap met God. Niet dat wij deze gemeenschap kunnen verdienen, maar omdat het strekt tot Zijn verheerlijking. God houdt geen gemeenschap met onreinheid en ongerechtigheid. Want, wat zou het voor zin hebben dat Hij ons uit de ellende en besmetting dezer wereld, waarin wij verzonken waren, ophief, als wij ons mochten veroorloven (om zo lang wij leven) ons daaraan weer óver te geven? Willen wij dus tot het volk van God gerekend worden dan leert ons de Schrift, dat er een heilig, de Heere gewijd volk moet wonen in Jeruzalem, dat door onreinheid zijner bewoners niet mag ontheiligd worden. Wij moeten gevormd worden naar het beeld van Christus. In ons leven moeten wij Zijn gestalte tot uitdrukking brengen. En hij vraagt: 'Zweren wij onze Heiland niet af wanneer wij ons niet van ganser harte op gerechtigheid toeleggen? ' Daar God Zich een Vader ons betoond heeft, maken wij ons aan de grootste ondankbaarheid schuldig, als wij niet wederkerig tonen Zijn kinderen te zijn. Daar Christus, Die ons hoofd is, ten hemel gevaren is, is het onze roeping al het aardse te verzaken en alleen naar het hemelse te trachten. Daar wij naar lichaam en ziel bestemd zijn voor de hemelse onverderfelijkheid, voor de onverwelkelijke kroon, moeten wij ijverig onze beste krachten aan wenden om lichaam en ziel onbesmet te bewaren tot de toekomst des Heeren.
De apostel Paulus maakt ons duidelijk, dat niemand Christus kent, die niet geleerd heeft de oude mens af te leggen, die verdorven wordt door de begeerlijkheid der verleiding en dat men moet vernieuwd worden in de geest des gemoeds (Efeze 4 : 22). Want het Evangelie is geen taal voor de lippen maar voor het hart. Het wordt niet enkel door verstand en geheugen aangeleerd, maar eerst dan recht omhelsd wanneer de ziel er gehéél mee ingenomen is en het zijn zetel en schuilplaats gevonden heeft in de diepste schuilhoeken van het hart. De leer van het Evangelie moet levendig zijn in ons hart en zich in onze wandel tonen. Wij moeten veranderd worden naar het beeld, dat zij ons voorschildert, anders is alles vergeefs.
Nu komt men hier op aarde nimmer tot de volmaaktheid. Er bestaat niemand of hij is nog vèr van het doel verwijderd, velen hebben nog slechts geringe vorderingen gernaakt, en kunnen toch niet afgewezen worden. Maar, men mag z'n hart niet verdelen tussen God en de wereld, zodat men een gedeelte van hetgeen in Zijn Woord bevolen wordt aanneemt en een ander gedeelte willekeurig verontachtzaamt. Eerst dan is er een begeerte van een nieuwe geestelijke wandel als de innigste neiging des harten zich de Heere toewijdt om ongeveinsde heiligheid te beoefenen. Maar omdat niemand in dit aardse lichaam kracht genoeg bezit om altijd met frisse moed voort te gaan — omdat veeleer de meesten zó zwak zijn, dat zij niet dan wankelend, waggelend en kruipend een weinig vooruitkomen — moeten wij, ieder naar de geringe mate zijner krachten, voorwaarts streven en de ingeslagen weg vervolgen. Niemand heeft zóvele moeilijkheden te bekampen of hij vordert dagelijks een eind weegs. Wat wij gedurende ons gehele leven zoeken en najagen zullen wij bereiken, als wij van alle zwakheden des vleses verlost en in de volle gemeenschap Gods opgenomen zullen zijn. Vervolgens laat Calvijn dan zien hoe de zelfverloochening noodzakelijk is voor een recht christelijke levenswandel. Hij neemt daarbij als uitgangspunt Rom. 12 : 1: Ik bid u dan broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst'. Hieruit volgt de eis, dat de gelovigen zich niet mogen voegen naar de gedaante dezer wereld, maar vernieuwd moeten worden naar de vernieuwing van hun gemoed om te onderzoeken wat de wil van God is. Wij behoren niet aan onszelf daarom mogen wij niet trachten naar hetgeen ons vlees bekoort. Wij behoren niet aan onszelf, daarom moeten wij zoveel doenlijk is onszelf en al het onze vergeten. Wij behoren de Heere, daarom moeten wij Hem als het enige richtsnoer van ons leven aannemen. Want evenals geen kortere weg leidt ten verderve van de mens dan wanneer hij z'n eigen neiging volgt, evenzo is er géén andere veilige haven voor ons dan dat wij zelf niets weten, niet willen maar alleen de Heere volgen waar Hij ons leidt. De ware gehoorzaamheid bestaat daarin dat de mens, vrij van eigendunk des vleses, zijn wil en zin geheel buigt naar de wil van de Geest Gods. Deze verandering wordt door Paulus de vernieuwing des gemoeds genoemd en is aan alle wijsgeren onbekend.
De christelijke wijsbegeerte gebiedt het verstand plaats te maken voor de Heilige Geest, zich aan Hèm te onderwerpen en Hèm te gehoorzamen, zodat de mens niet meer zichzelf leeft, maar ter ere van Christus, Die hem liefgehad en zich voor hem heeft overgegeven (Gal. 2 : 20).
Het moet bij een christen zó gesteld zijn, dat hij nimmer uit het oog verliest dat zijn gehele leven aan de Heere gewijd is, zodat hij alles wat daarop betrekking heeft aan de wil en leiding Gods toevertrouwt. Dit is de zelfverloochening, die Christus Zijn jongeren van hun eerste leertijd af zozeer aanbeveelt (Math. 16 : 24). Zodra deze eenmaal heerschappij in ons hart verkregen heeft, blijft er voor hoogmoed, pronkzucht, praal, voor gierigheid noch wellust die uit eigenliefde voortspruiten, plaats over. Terecht is reeds door de ouden gezegd, dat in 's mensen hart een wereld vol van zonden verborgen ligt en er géén ander geneesmiddel te vinden is dan zichzelf te verloochenen, alle zelfzucht te laten varen en uit alle macht te zoeken wat de Heere van ons vordert, en dit alleen daarom, dat het Hèm welgevallig is.
Calvijn wijst dan nog op een andere tekst uit de brieven van Paulus, nl. Titus 2 : 11—14. Hij zegt: De apostel stelt ons hier eerst voor ogen de gunst en genade van God om ons de weg te banen tot de ware dienst van God. Daarna ruimt hij twee grote hinderpalen uit de weg, nl. het verzaken der goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden. En daarna vat de apostel alle omstandigheden des levens in drie hoofdpunten samen: matigheid, rechtvaardigheid en godzaligheid.
Matigheid betekent: kuisheid en ingetogenheid, benevens tevredenheid met aardse goederen en lijdzaamheid bij armoede. Rechtvaardigheid bevat alle plichten der billijkheid, zodat wij elk geven wat hem toekomt.
Godzaligheid houdt ons terug van de besmetting der wereld en verbindt ons in ware heiligheid met de Heere. In déze drie onafscheidelijk samenverbonden stukken is een volkomen christelijke volmaaktheid gelegen. Tot zover Calvijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's