De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Christelijke politiek in discussie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Christelijke politiek in discussie

12 minuten leestijd

In Trouw van 17 juli 1.1. stond een artikel onder de titel 'Discussie over toekomst van de christelijke partijen ontbrandt'. Die discussie voltrekt zich blijkens dat artikel rondom de vraag of de drie grote confessionele partijen (K.V.P., A.R.P. en C.H.U.) apart moeten blijven bestaan, eventueel in federatief verband, of dat er één algemene christelijke partij moet komen. De heer J. T. Mellema van de C.H.U. is van dat laatste een vurig voorstander. Drs. G. van Leyenhorst stelde zich in een discussie hierover met de heer Mellema in het C.H.-weekblad De Nederlander kritisch op. Hij stelde aan de orde het grote verschil tussen de katholieken en protestanten inzake de betekenis van de bijbel voor het persoonlijk leven en voor de samenleving. Het gaat, aldus Van Leyenhorst, om de bijbel niet alleen als inspiratiebron, zoals zo vaak wordt gezegd, maar ook als richtlijn. Als schepsel moet men zich afhankelijk weten van zijn Schepper. Het is duidelijk dat Van Leyenhorst hier pleit voor een confessioneel gebonden politiek, waarbij hij duidelijk laat uitkomen dat, zodra de confessie in het geding is, er vooralsnog geen mogelijkheid is voor een politiek samengaan van protestanten en rooms-katholieken.

In dit verband doet het bijzonder vreemd aan van prof. Steenkamp (K.V.P.) en de heer Mellema te vernemen — het staat in het genoemde Trouw artikel te lezen — dat het, bij hun jarenlang lidmaatschap van Eerste of Tweede Kamer, nog bij geen enkele beslissing van belang geweest is dat ze 'gelovig' rooms-katholiek of protestant waren. Met zo'n opmerking heb je je kaarten wel overduidelijk op tafel gelegd en ligt het voor de hand dat van confessioneel gebonden politiek geen sprake kan zijn. Als de geloofsovertuiging er al niet meer toe doet zal de confessie wel helemaal uit het gezicht verdwenen zijn. Dan ligt de weg open naar een algemeen-christelijke partij, waarin roomskatholieken en protestanten elkaar vinden in een soort religieus humanisme. De bijbel zal daarin hoogstens nog inspiratiebron zijn — een boek dat getuigt van hoge levenswijsheid, waarmee ieder zo het zijne doen kan — maar geen richtlijn meer, geen norm voor het hele leven, ook in politiek opzicht. Het verwondert dan ook niet dat prof. Steenkamp zegt: 'Wij staan voor de opgave een brug te slaan tussen het christen-zijn en de waarden van het humanisme'. De gebezigde woorden zijn hier niet zonder betekenis. Met de uitdrukking christen-zijn kan je namelijk alle kanten op. Het wil in genendele zeggen dat de bijbel als Openbaring van God daarbij een rol speelt. Zo'n christen-zijn kan gebaseerd zijn op religieus humanistische gronden, zodat de brug naar het humanisme zélf niet zo moeilijk te slaan is. Inmiddels meen ik dat op deze basis de christelijke politiek wel volledig in de vernieling komt.

De les van de naoorlogse geschiedenis

Wie in de politiek bruggen wil slaan tussen het christen-zijn en de waarden van het humanisme doet er goed aan zich de Nederlandse politieke geschiedenis van de naoorlogse jaren voor de geest te halen. In de doorbraak, zoals die gestalte kreeg in de P.v.dA., werd ook druk gebouwd aan allerlei bruggen tussen uiteenlopende overtuigingen, met name aan een brug, die christendom en humanisme zou verbinden. Binnen één doorbraakpartij zouden rooms-katholieken, protestanten en humanisten, elk vanuit hun inspiratiebron, samen wegen gaan voor politiek handelen. Daarbij zou dat politiek handelen zich niet voltrekken volgens altijd geldende beginselen, maar volgens het zogenaamde Gebot der Stunde, het gebod van het uur. Beslissingen zouden genomen worden uitgaande van de concrete situatie. Elk zou dan vanuit zijn eigen inspiratiebron tot een beslissing komen. Maar gezamenlijk zou men wel tot dezelfde beslissingen komen. Het zou er in de praktijk van de politiek niet toe doen of men christen was of niet-christen.

In die tijd heeft met name de C.H.U. nogal wat bloedverlies geleden. De doorbraakgedachte schoot namelijk het diepst wortel in de Hervormde Kerk, waaruit de C.H. haar aanhang goeddeels recruteerde. Vooraanstaanden in het kerkelijk leven hebben zich actief ingezet om de doorbraakgedachte veld te doen winnen. Ik heb daarbij nooit kunnnen begrijpen hoe met name ook zogenaamde Hoedemakerianen met een beroep op Hoedemaker met de doorbraak zijn meegegaan. Het is buiten kijf dat Hoedemaker het gevaar heeft onderkend van christelijke organisaties, die doel in zich zelf werden en zich afsloten van de rest van het volk. Hij bedoelde héél de kerk en héél het volk. Maar inmiddels was hij toch maar de oprichter van de Bond van Friesch Christelijk Historischen. En verder ontwierp hij een program van beginselen, dat gebaseerd was op artikel 36 van de N.G.B., waaruit duidelijk blijkt hoezeer hij doordrongen was van de gedachte dat ook het politieke handelen op beginselen gebaseerd moest zijn. Ik kan bepaald niet zien hoe een doorbraakpartij, waarin geen plaats is voor de erkenning van Christus' heerschappij op alle terreinen van het leven, in het verlengde kan liggen van Hoedemakers visie.

Intussen is wel duidelijk geworden dat van de idealen, die men in de doorbraak gekoesterd heeft, weinig is terecht gekomen. Aanvankelijk waren er nog de verschillende werkgemeenschappen, die elk voor zich bezinningscentra binnen de P.v.d.A. waren voor de verschillende levensovertuigingen. Die zijn al jaren verdwenen en de prot. christelijke inbreng is — voorzover die er al ooit integraal geweest is — onherkenbaar.

Met dit beeld voor ogen zouden de protestants christelijke groeperingen thans moeten beseffen dat echt christelijke politiek alleen verantwoord te voeren is vanuit een centrum, vanuit een beginsel, van uit, een confessie. We hebben om zo te zeggen de voorbeelden van deconfessionalisering in de politiek al achter ons. Met die ervaring is het onbegrijpelijk dat momenteel door sommigen opnieuw de roep om deconfessionalisering opklinkt en men opnieuw wil pogen een politieke organisatie, gebaseerd op algemeen-christelijke en humanistische basis te vormen. Als het startpunt immers niet vastligt zal de weg, die bewandeld wordt, onbestemd zijn.

Een brief

Nu kan gevraagd worden de inhoud van christelijke politiek eens nader te concretiseren. Enige tijd geleden kreeg ik een uitvoerige brief van iemand, die schrijft te willen leven vanuit de beginselen van de reformatie, en tevens lid is van de P.v.d.A. Hij zegt in zijn brief dat hij aan het bestuur van de P.v.d.A. gevraagd heeft of nog wel rekening wordt gehouden met de christenen in de P.v.d.A. en dat hij in dit verband heeft gepleit voor heroprichting van de werkgemeenschappen. Dan stelt hij in zijn brief de vraag naar de inhoud van een schriftgetrouwe of schriftgebonden politiek aan de orde. Hij, zegt: 'Is dat vóór of tegen de N.A.V.O. Vóór of tegen fascistische landen? Zo kan ik wel doorgaan. Als iemand in de 2e kamer de kolonels in Griekenland in bescherming neemt, i.v.m. de verdediging van de christelijke beschaving (hetzelfde gebeurt in Brazilië), dan breekt bij mij als het ware mijn klomp. Ik zou bijna zeggen: dan behoeft het voor mij niet meer. Op zo'n manier wordt de naam van Christus ook ontheiligd! Misschien denkt u: waarom hebben velen wel kritiek op fascistische landen en hoort men ze minder als het gaat om het communisme. Dat is niet moeilijk, aangezien de fascisten zich nog wel eens opwerpen als verdedigers van de zogenaamde christelijke beschaving! Dezen zijn voor mij de grootste vijanden, want zij vallen de kerk in de rug aan als engelen des lichts. Communisten zijn zonder meer ook mijn tegenstanders, want deze stoelen op atheïsme en ongeloof.'

Even eerder merkte de briefschrijver in zijn brief op: 'Juist een christen kan in het politieke leven (beter gezegd moet) christen en sociaal zijn. In de vorige eeuw hebben we grotendeels de arbeidersklasse van ons vervreemd; moeten we op deze weg doorgaan? Wat is er op tegen om b.v. de gehele grond in gemeenschapsbanden te brengen of b.v. vitale bedrijven of de grondstoffen? Zijn daar schriftuurlijke argumenten tegen in te brengen? Als u bezwaar hebt tegen de 'voetbalpool of de staatsloterij' dan vindt u mij aan uw zijde maar waarom dit niet doortrekken t.o.v. Wallstreet en Damrak? ' De briefschrijver zegt ook dat hij met zijn politieke keuze ook wel gewetenswroeging heeft. 'Persoonlijk zit ik met het theocratisch probleem. Vele malen weet ik het ook niet meer. Van één ding ben ik overtuigd, namelijk dat we midden in de wereld moeten staan, zonder van de wereld te zijn en dat geloof en politiek alles met elkaar te maken heeft.' Maar ook zegt hij: 'We kunnen een prachtige theocratische filosofie opbouwen en dan staan we straks in een verenigd Europa. Met wie moeten we dan samenwerken? Een C.D.U. met Strauss, wiens ideeën nationalistisch zijn? Nationalisme ontaardt zeer snel in de verafgoding van ras, bloed en bodem. En als men nu naar de stembus gaat, dan moeten wij al deze problemen in onze keuze verdisconteren. En nu ik dit allemaal geschreven heb, dan weet ik het bijna ook niet meer; maar van één ding ben ik zeker dat Gods Woord waar is en dat Jezus Christus Heere is. . Ook dit weet ik, dat we ons niet uit deze wereld mogen terugtrekken en dat we een taak hebben. Misschien wordt het in de toekomst zo dat we automatisch naar de eenheid toegroeien, dat de dagen zo kwaad worden dat we nog maar alleen kunnen getuigen van deze Hogepriester, Koning en Profeet Jezus Christus.'

Uit twee kwaden de beste?

Ik wil niet op alle practische punten, die de briefschrijver hier aanroert, ingaan. Ik voel wel terdege aan de spanning waaruit deze brief geschreven is.

Is het nu echter zo dat men uit twee kwaden de beste zal moeten kiezen? Moet men persé tot de P.v.d.A. behoren om so­ ciaal denkend te kunnen zijn? En moet men andere dingen dan maar op de koop toenemen? Sociale bewogenheid is toch bepaald ook wel in christelijke partijen mogelijk? Ik dacht dat het juist één van de grote opdrachten van de christelijke politiek is om zich in te zetten voor sociale gerechtigheid. Uiteindelijk houdt politiek zich bezig met aardse structuren en ordeningen. Daar liggen dus ook de opdrachten. Christelijke politiek, die niet sociaal gericht is, is met zichzelf in tegenspraak. Maar er is méér. Christelijke politiek heeft een dimensie meer, waardoor ze zich juist onderscheidt van een politiek, waarin de heerschappij van Christus over het hele leven niet wordt erkend. In de christelijke politiek is er als het goed is zich op de wet Gods, die om toepassing vraagt in het maatschappelijk leven. Dan komen allerlei ethische vragen in het gezichtsveld, waarop christenen in de politiek een andere visie zullen hebben als niet-christenen, omdat ze weet hebben van de ontbindende macht van de zonde en de roeping van Godswege om ook in het openbare leven de zonde tegen te gaan. Dan kan het zelfs wel eens zijn dat christelijke politiek, wanneer ze het gebod Gods echt ernstig neemt, de schijn op zich laadt van a-sociaal, ondemocratisch en intolerant te zijn. De eisen, die God in Zijn Woord stelt kimnen wel eens rakelings gaan langs intolerantie omdat ze haaks staan op ontwikkelingen in het volksleven. Maar dan is toch altijd het oogmerk het welzijn van de samenleving, die alleen gebaat is bij een leven in overeenstemming met Gods geboden.

Ik kan met moeilijk voorstellen hoe iemand theocratisch denken wil en toch — zoals genoemde briefschrijver doet — een actief aandeel hebben kan in de P.v.d.A. Is daar een vertolking van de theocratische gedachte in de volle zin van het woord mogelijk? Dan moet dit niet alleen gelden voor de sociale vragen in nationaal en internationaal verband, maar ook betrekking hebben op de ethische vragen, zoals abortus, homofilie, echtscheidingsrecht, bezitsvorming, of op vragen ten aanzien van de zondagsrust, het subsidiebeleid in de kunst en andere culturele sectoren. Ik. kan me niet voorstellen dat het hier om vragen gaat, waarbij het er niet toe doet of iemand uit een waarachtig geloof leeft of niet. En wat het sociale betreft, ik geloof dat wanneer de visie in sociaal opzicht niet gedragen wordt door en opkomt uit de lijnen, die hierover in de Schrift getrokken worden, deze in feite ook fundamentele tekorten zal vertonen.

Ik ben bang dat in menige politieke conceptie, ook van protestantse politici, een dimensie ontbreekt, die nu juist aan christelijk politiek handelen de diepere zin geeft. Ir. L. v. d. Waal schreef in een artikel in Wapenveld (juli 1971), dat de kerk niet zozeer een verbeterde wereld verwacht alswel een beter vaderland. Dat is eén perspectief ten aanzien van het Rijk Gods, dat ook in christelijke politiek moet doorkomen en aan christelijke politiek een meerwaarde geeft boven niet-christelijke politiek.

Heeft men daarvoor dan persé een christelijke politieke partij nodig? Ik dacht dat het een goede zaak is als christenen zich bundelen om samen aan de evangelische opdracht gehoorzaam te zijn. Als de aangehaalde briefschrijver namelijk zegt dat communisten zijn tegenstanders zijn vanwege hun ongeloof en atheïsme, dan zou ik zeggen dat dit niet alleen van communisten geldt. Hier ligt eveneens een motief waarom men niet met andere ongelovigen of atheïsten een doorbraakpartij kan vormen. Wanneer iemand vanuit de norm van het Woord wil spreken en handelen dan komt hij onvermijdelijk in conflict met hen, die het gezag van dat Woord niet erkennen.

Tenslotte nog dit. Ik geloof dat het element van getuige-zijn in de christelijke politiek niet ontbreken kan en mag. Mellema verweet drs. Van Leyenhorst in de discussie met hem dat hij in feite een getuigende christelijke beginselpartij wil. Hoewel ik er van overtuigd ben dat getuige zijn in de politiek gepaard zal moeten gaan met het meedragen van verantwoordelijkheid, geloof ik toch dat het getuige-karakter steeds meer op de voorgrond zal treden. Dat brengt de minderheidspositie van de christelijke politiek in de huidige situatie al met zich mee, maar méér nog, dat wordt ook ingegeven door wat de Schrift zegt ten aanzien van Gods recht op het hele leven. En bij dat getuige zijn kunnen we elkaar niet missen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Christelijke politiek in discussie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's