De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De toepassing van het heil

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De toepassing van het heil

Een geestelijk testament

11 minuten leestijd

In 'De Waarheidsvriend' van 13, 20 en 27 mëi Is een algemene bespreking gegeven van het februari/maart nummer van 'Wapenveld', dat een uitvoerig artikel bevatte van prof. dr. A. A. van Ruler, onder de titel: 'Ultra-Gereformeerd en Vrijzinnig'. Aangekondigd werd dat de diverse onderdelen van dit artikel nader zouden worden behandeld. De predikanten H. G. Abma, G. Boer, A. van Brummelen, C. Graafland en L. Kievit hebben nu elk enkele aspecten van prof. Van Rulers artikelen voor hun rekening genomen. In een onafgebroken serie worden deze artikelen thans geplaatst. Het gaat in deze serie artikelen om de kern van de leer des heils en de beleving daarvan in de gemeente. Het geestelijk testament, dat prof. Van Ruler naliet, hopen wij op deze wijze alle aandacht gegeven te hebben die het verdient. De Redactie

I. Grove vereenzijdiging

Wie een artikel gaat schrijven over de toepassing van het werk van Christus aan onze harten, kan al terstond op grote belangstelling rekenen. Dat is immers de klacht van velen: we horen niet meer van het werk des Geestes in de harten. Voorwerpelijk beschouwd is op vele preken niets aan te merken. Maar wanneer men denkt: nu komt het, dan is het juist tot onze spijt, amen. Met volledige erkenning van de noodzaak der toepassing in de prediking, willen we in dit artikel evenwel een andere kant uit. Professor Van Ruler heeft in Wapenveld van Februari-Maart 1971 breedvoerig geschreven over Ultra-Gereformeerd en Vrijzinnig. Daarin wijst hij op een verabsolutering van het werk des Geestes.

'Pas als er wat in het hart, in het binnenste innerlijk van de mens gebeurt, pas als daar iets fundamenteels gebeurt, als de mens daar in zijn zijn wordt aangeraakt, en omgezet — pas dan kan men van Geesteswerk gaan spreken. Voor de rest zijn we alleen met de duivel, maximaal met God de Vader in de wereld'. Hij spreekt daar van een grote eenkennigheid en eenzijdigheid in het leven van vele gereformeerd denkenden. Men beschouwt het zo, dat de Geest alleen voor ons relevant wordt, wanneer Hij in het binnenste van ons hart gaat arbeiden en het oog voor Christus opent. Het ambtelijk apparaat van de kerk, het zendingswerk, de instandhouding van de eredienst, het functioneren van de prediking, geheel het steigerwerk, dat nodig is om het Woord aan het Woord te laten komen in ons binnenste, dat wordt met een schouderophaal afgedaan. De Geest is pas aan de gang, als er wat in mijn stenen hart gebeurt.

Van Ruler betoogt dat het oog hier is gesloten voor de spreiding van het heil door de ruimte der wereld. Laten we een voorbeeld nemen. We zullen het er over eens wezen, dat het in de zendingsarbeid gaat om de bekering, de kerstening van de heidense volkeren. Het doel is bereikt als een Toradja komt tot Christus. Wanneer in het binnenste van zijn ziel Christus is verheerlijkt. Het heil des Heeren is dan toegeëigend aan zijn hart. Daarop is alles aangelegd. Het werk des Geestes flonkert daar in zijn ziel. Maar hoe geschiedde dat? Door de lange weg der bemiddeling. Er kwam een zendeling. Die man had een achterland. Die man werd uitgezonden. Met een uitrusting. Er was een kerk, die hem deed gaan. Er was reeds een gekerstend vaderland. Die man heeft een lichaam. Daarin kwam hij. Met andere woorden: vóór en aléér Christus in het hart van de Toradja is verheerlijkt geworden, gaat er veel aan vooraf. Met dat alles kan die Toradja voor God niets beginnen. Hij kan om die zendeling voor God niet bestaan. Ook niet om de wille van dat achterland. Hij heeft de weldaden van Christus nodig toegepast aan zijn ziel. Maar voordat nu Christus door hem wordt toegeëigend, moet de kennis van Christus aan hem bemiddeld worden. En wat komt daar al niet bij kijken? Gehele verbanden zijn daar bij betrokken. De uitzendende gemeente, de kerk, de universiteit, het vaderland, de medische keuring, ja wat niet al. De toeëigening van het heil gaat nooit buiten de bemiddeling om van het heil. Er moet op zijn minst een schip of vliegtuig aan te pas komen. God handelt met ons door de kanalen van ruimte, tijd en lichaam. We kunnen het niet louter geestelijk bezien.

En dat is nu, alweer volgens Van Ruler veel te veel bij de Ultra-Gereformeerden gebeurd. We hebben de Geest opgesloten. We meenden: de Geest is pas aan de gang, wanneer hij inwendig in het hart van de mens aan de gang is. De Geest is iets totaal innerlijks. Daartegen opponeert Van Ruler heftig. De Geest doet méér dan in de harten van mensen wederbarend werken. Hij formeert de menselijke natuur van de Middelaar in de schoot van de maagd Maria. Hij schenkt het wonder van de Zending. Discipelen worden apostelen. Apostelen hebben zendelingen, bisschoppen, kerkeraden, dienaren van het Woord tot hun opvolgers.

Het heil strekt zich uit in de wereld en de tijd. De Geest kiest instrumenten uit. Hij geeft middelen der genade. Het werk des Geestes in de enkele mens mag nooit verabsoluteerd worden. De enkele mens met zijn hart is een wezenlijk moment. Maar hij is slechts een moment in het grote geheel. In de samenhang van dat grote geheel moet hij blijven. Hij moet zich daaruit niet isoleren, zich op zichzelf stellen en dan verabsoluteren. Want dan is opeens alles weg. Het eigen hart wordt dan alles. We hebben dan de zelfbeschouwing in optima forma. En straks — de wijsbegeerte.

II Ruiterlijke erkenning

Wij doen er goed aan, eerlijk toe te geven, dat dit veeelszins ook bij ons het geval is. Weliswaar zijn, er vele uitzonderingen. Maar het is geen overdrijving als we beweren, dat de noties van het verbond, de samenhang der geslachten, de beloften van God, die in het geloof omhelsd willen worden — hooguit maar een karig leven leiden. De verbanden waarin God ons plaatst — de familie, die en die bepaalde gemeente waar het Woord helder werd gebracht, die en die landstreek — het heeft in velen maar een povere plaats en dat God ook daardoor een aanval doet op de poort van ons hart, wie wordt hierdoor nog verontrust? Wij hebben de indruk, dat men in hoge mate spiritualiserend denkt en leeft. Het ontmoetingskarakter van het geloof ebt weg in het beschouwelijk wijsgerig denken. Het contact van God en mens, waarover de Schrift zo onbevangen spreekt, is verglaasd tot een denken óver. We zullen het maar eerlijk moeten erkennen dat het profeteren, het getuigen, van Gods wil over ons leven, verworden is tot een redeneren over God en goddelijke zaken. De achtergrond van deze dwaling is oeroud. Reeds de oude kerk heeft er mee geworsteld. Velen, die toen hun heidendom hadden vaarwel gezegd, gevoelden al spoedig in het Christendom een gemis. Zeker, ze waren gekomen onder de bekoring van Jezus' gestalte, van het strenge monotheïsme en de verheven zedeleer. Maar toch — de soberheid van de Evangelieboodschap stond hun tegen. Het ging daar om een historisch gebeuren, om geloof en een nieuw leven en een toekomstig gericht. Maar daarin was te weinig 'gnosis', te weinig van die hogere kennis aangaande het eeuwig-ware achter de wisselende vergankelijkheid. Het historische en concrete van het Evangelie wilde men zien als een lagere kennis, een voorportaal dat toegang gaf tot de verborgen kennis van het eeuwig-ware. Velen gevoelden het zo: eerst als men door het Evangelie heen tot deze achtergrond van hogere kennis was doorgedrongen, had men er de bedoeling van begrepen. En nu was de gnostieke denkvorm de aangewezene om een brug te slaan van het historische van het Evangelie naar het eeuwig-algemene, van het concrete naar het abstracte, van de openbaring naar de leer, van het hart naar het verstand. Overal waar men de kloof tussen wijsgerig denken en evangelische verkondiging gevoelt, komt de verzoeking op, het Evangelie in hogere algemene waarheden op te lossen. Men moet dan kiezen tussen vrijblijvende beschouwing over de openbaring of onderwerping aan de openbaring. Wij menen, dat het, ook in de gemeenten, broodnodig is, deze gevaren lijfelijk te onderkennen. Want wanneer we-dat niet doen, miskennen we vele bedreigingen, die in de vorm van dode orthodoxie, halsstarrigheid, en valse behoudzucht rondwaren. En omgekeerd, we bemerken dan ook niet meer hoeveel kreten van de dag, gewilde vlotheid, populariteit, progressiviteit en modieuze losheid evenzovele weerstanden zijn op de aanspraak van het Evangelie der genade.

Van Ruler signaleert in zijn artikel aldus een verschijnsel van onthutsende omvang. We raken het historische van het Evangelie kwijt. Dan doet de beschouwing van het Evangelie zijn intrede. En die is vrijblijvend. De oorzaak ligt in het overschatten van het Geesteswerk in het eigen hart alleen. De vraag is daarom gerechtvaardigd: maar gaat het dan niet om de toeëigening? Wij antwoorden: zeer zeker. Juist waar die toeëigening ontbreekt wordt het nooit: mijn Jezus, mijn Heiland. Vele gemeenten wachten al maar op de toepassing, maar de woorden blijven al maar woorden. De prediking zegt wel ware dingen, maar raakt niet aan, treft niet, onthult niet het slot en het kasteel van het hart. Wie opgaat in het horizontalisme loopt gevaar de hemel in het hart te vergeten. Wie zich verliest in het verticalisme, loopt de kans beschouwelijk te worden. Het gaat er juist om niet in eenzijdigheden te vervallen. Want eenzijdigheden lopen altoos op ketterijen uit. Laten wij in het oog houden het breedreformatorisch element. Van Ruler bedoelt ons in het zien van éénkennigheden te oefenen. De toepassing van het heil heeft twee delen. Toeëigening — daardoor opent de Geest de poort van het hart. Maar ook: bemiddeling. Geheel het historisch proces waarlangs het Evangelie tot ons komt. Overdrijving van het éne element voert tot schade. Maar evenzeer overhelling naar het andere element. Om het spitsvondig te zeggen: de Heere God schiep de hemel èn de aarde. Wee hem, die van het èn vervalt tot of.

III Poging tot herstel

Langs welke wegen kan men nu komen tot verbetering? Het heeft ons getroffen, dat oude homileten als Molenaar, Van Oosterzee en Bavinck in hun preken passages invlochten, waarin zij met nadruk de gemeente er op wezen van welke grote waarde het bezit van de middelen der genade in hun midden was. Wie toch heeft zich het Evangelie waardig gemaakt? Zij wijzen dan op de bemiddeling van het heil door middel van Willibrord en Bonifacius. Zij danken voor het onvervalst doorgeven van het Woord Gods. Zij doorbreken alzo een beginnende beschouwelijkheid. Zij leggen banden met de historie. Zo doet Paulus ook van tijd tot tijd als hij het de gemeente in herinnering brengt dóór wie zij het gehoord hebben.

Vooreerst, menen wij, ligt hier het geneesmiddel. Het verstarringsproces moet op historische wijze doorbroken worden. Berkhof schrijft in zijn Geschiedenis der Kerk treffend over de wapenen tegen het gnostisch denken. Doordat de kerk zich vastklemde aan het Oude Testament werd zij bewaard voor het dualisme. Door het boek van de Schepper-God te erkennen als het boek van de God en Vader van onze Jezus Christus, bleven de ouden, de verlossende God ook zien als de scheppende God. Alleen zo bleef de waarheid der heilsfeiten bewaard. Anders zou men zijn weggezonken in de beschouwelijkheid van het individuele zielsproces. God plaatst ons in brede verbanden. Het is des predikers taak ze te doen oplichten. Mogen we het zo zeggen? Wie altoos op weg is van eigen zieleleven, die vervluchtigt in bedrijvigheid. Wie immer in de binnenkamer zit, komt spoedig tot dagdromen. God plaatst ons in de nuchtere werkelijkheid. Onze Heere Jezus Christus had na een drukke dag behoefte aan de gemeenschap met de Vader. Hij bad dan op enen berg alleen. Maar Hij bleef niet op de berg. Hij kwam er ook weer af. Het gezonde geestelijke leven beoefent altoos beide momenten.

Voorts is een middel tot herstel een nieuwe waardering van het sacrament. Van Ruler noemt deze tekenen van Doop en Avondmaal de vorm van het eeuwige leven. Wanneer we het goed vertolken, bedoelt hij daarmee, dat doop en avondmaal ons wat uitbeelden. Samen beelden zij het bemiddelde en toegeëigende, het door God geschonken en door de mens aangenomen heil uit. Het is echter meer dan uitbeelding van het heil. Het is ook viering van het heil. In barokke zeggingskracht bedoelt Van Ruler eigenlijk dat in het sacrament God op zintuigelijke wijze duidelijk maakt: het heil is aan u en voor u. Aan u de keuze. Lichamelijker dan met een handjevol water en brood en wijn kon God het niet doen. Daartegenover is de uitholling van de kinderdoop en de avondmaalsmijding bij de ultra-gereformeerden ontstellend. Onze opdracht is het bij de realiteit der sacramenten in de aanbieding van het Evangelie aan te knopen. Men kan er niet omheen. Men moet te dien aanzien een beslissing nemen. Overgeestelijkheid liedt als vanzelf tot verwaarlozing van de sacramenten. We moeten eerlijk zijn. Zo diep weg als de Doop, zo hoog staat het Avondmaal onder ons. Maar we hebben een ontwrichting aangebracht met grote consequenties. Wie in de gemeente pastoraal arbeidt kan wel eens bedroefd worden over de bijgelovigheid ten aanzien van de Doop en de onverschilligheid tegenover het Avondmaal.

Ten derde: Bijbelse prediking. Wie zichzelf telkens disciplinair plaatst onder de spraak van Gods Woord, wordt vanzelf anti-spiritualistisch. Hij moet niet wat zien of wat hebben, zoals men alom roept, hij hóórt. Dat betekent, hij moet gehoorzamen aan de Stem, die spreekt. Dat is, hij moet al maar buigen. Wij kunnen dan niet meer rusten in het zien van visioenen of denkbeelden, ook hebben we niet meer onze goede werken om daarop te zitten. Zalig zijn zij, die het Woord Gods horen en bewaren. De Schriftuur ondersteunt de Kerk alleen. Hier is niet meer de verstrakking in allerlei denkschema's, maar de levende en tintelende spanning des geloof s alleen.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De toepassing van het heil

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's