De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Deconfessionalisering

Bij de verkiezingen op 28 april jl. hebben de confessionele partijen een gevoelige nederlaag geleden. Ter verklaring van die nederlaag werd en wordt telkens weer gewezen op het feit, dat ons volk in snel tempo een deconfessionaliseringsproces doormaakt. De ontkerstening en de secularisatie schrijden voort. Dat werkt ook voort in de politiek. Christelijke partijen slaan met name bij de jongeren, zegt men, steeds minder aan.

Ongetwijfeld ligt er in deze redenering een groot stuk waarheid. Maar valt de nederlaag van de christelijke partijen alleen hieruit te verklaren? Mij trof in de kroniek van het zojuist verschenen juli-nummer van 'Kerk en Theologie' een beschouwing van prof. dr. G. C. van Niftrik, waar we graag een gedeelte van overnemen.

Ons blad is geen politiek orgaan en bovendien liggen de verkiezingen al weer geruime tijd achter ons. Maar wat Van Niftrik hierover schrijft, is ook nu nog voluit de moeite van het overwegen waard. Het gaat ten diepste om de vraag: wat is een christelijke politiek? Wat is een christelijke politieke partij.

Van Niftrik meent, dat de nederlaag van de christelijke partijen voornamelijk te zoeken is in de ontwikkeling van deze partijen zelf. Deze ontwikkeling kan er toe leiden, dat deze partijen zelf de tak doorzagen waarop ze zitten. De deconfessionalisering is dus maar niet alleen iets wat zich binnen ons volk en buiten die christelijke partijen voltrekt, maar is een proces binnen die partijen zelf. Van Niftrik licht dit als volgt toe:

De deconfessionalisering der zg. confessionele partijen bestaat hierin, dat zij het Woord Gods, het Evangelie, de Openbaring gedegradeerd hebben tot een inspiratie voor een politiek, die nooit meer spreekt over 'de ere Gods', maar alleen en uitsluitend over de belangen en de rechten der mensen. De deconfessionalisering der zg. confessionele partijen bestaat hierin, dat zij de belijdenis van het christelijk geloof tot een pre-ambule hebben gemaakt om dan verder over niets dan alleen sociaaleconomische belangen te spreken. Waarom zal een christenmens nog langer op een confessionele partij stemmen? Als het dan toch alleen en uitsluitend gaat om sociaal-economische belangen kan men beter, consequenter, progressiever terecht. Het is best te begrijpen dat de progressieven in de A.R.P. en de K.V.P. het liefst met de P.v.d.A. samen zouden regeren en het betreuren, dat die partij zo lelijk doet tegen de dusgeheten confessionele partijen.De christelijke partijen zullen pas weer interessant worden, wanneer zij zonder schaamte weer echt confessioneel zijn en handelen en dus wat wereldvreemder worden dan zij op het ogenblik zijn, nu zij zich beijveren om iedereen duidelijk te maken, dat zij óók gewone politiek bedrijven. De C.H.U. beroemt er zich op in haar nieuwe stijl nu eindelijk een echte politieke partij te zijn geworden. Daardoor had het getuigenis van minister en lijstaanvoerder Udink in de verkiezingstijd geen klankbodem en achtergrond. De partij was aan het deconfessionaliseren en daardoor kon 'n getuigenis over gezag alleen verstaan worden.als een oproep a la Mac Carthy, als pleidooi voor een rigoreus law and order. Law and order in wereldse zin, op bijna fascistische wijze! Dat het hem wezenlijk ging om het gezag van het Woord en het gebod Gods, dat de gehoorzame mens in de echte vrijheid stelt, kon door het volk niet begrepen worden, zelfs niet door de christelijk-politieke partij zelf, die immers haar aandacht niet langer primair bepaalde bij de vragen van gezag, gebod en gehoorzaamheid, maar bij de sociaal-economische problemen. In die situatie konden volk en partij hetgeen Udink als christen-politicus te zeggen had alleen nog maar verstaan als conservatief, feodaal en reactionair. Zijn oproep resonneerde niet in een partij, die niet langer begeerde het christelijk geloof vorm te geven in de politiek, maar aan het christelijk geloof alleen nog inspiratie ontleende om progressief' mee te doen. Dat is dan de partij, die nog niet zo vreselijk lang geleden met een leuze van Hoedemaker de verkiezingsstrijd inging. Wat in de C.H.U. nog in de geest van Hoedemaker denkt, wordt overstemd door een larmoyante jongerenorganisatie. Precies zoals de Synode der Hervormde kerk prompt door de knieën gaat en alternatieve belijdenisvragen accepteert zonder enige nadere bezinning, zo spoedig maar de bedreiging wordt geuit, dat men anders 'de jeugd' kwijtraakt, precies zó laat de C.H.U. zich telkens weer door de jongerenorganisatie intimideren. Men zegt, dat de tijd voor confessionele partijen voorbij is. Ik beweer, dat de tijd voor déze confessionele partijen, die niet confessioneel meer zijn, voorbij is. Lindeboom gewaagt in het boek, dat ik in het vorige stuk van deze kroniek besprak (bedoeld is door v. N. het boek van prof. dr. G. A. Lindeboom over de abortus) van 'een onbegrijpelijk conciliante houding van een overheid, die lijdelijk toeziet bij een stelselmatige ondermijning van de goede zeden en de openbare eerbaarheid' (p. 53). En dan gaat het om een overheid, die door confessionele partijen mede wordt gedragen en bepaald. Waaraan heeft het departement van mejuffrouw Klompé al niet subsidie verleend!
De gewone burger heeft de indruk, dat linkse pressuregroups in Nederland de dienst uitmaken. Maar als men dat hardop zegt, heet men snel een 'fascist'. Ook de confessionele partijen hebben nog maar éen zorg: als progressief erkend te worden! Of men nog belijdt, werkelijk confessioneel is, wordt dan een zaak van de tweede orde.

Wij menen dat hetgeen hier door Van Niftrik gesignaleerd wordt niet slechts de politieke partijen raakt, maar elke christelijke organisatie, en ten diepste ook het belijden van de kerken zelf. Want de deconfessionalisering houdt geen halt voor de kerkmuren, ook al openbaart ze zich daar in andere vorm. Wij mogen niet blind zijn voor de moeilijkheden van buitenaf. In de maalstroom van het moderne leven is het voor de christelijke politici moeilijk varen. En de vraag naar de relatie van het Koninkrijk Gods tot het maatschappelijke en sociale leven is geen eenvoudige vraag. Maar daarom klemt het appèl van Van Niftrik des te sterker. Daarom is ook belangrijk hoe het belijden en de belijdenis functioneert binnen de kerken. Want als ook daar de belijdenis buiten spel gezet wordt, behoeft het geen verbazing te wekken dat in het politieke en sociale leven er hooguit nog sprake is van een vage, niet nader omschreven evangelische inspiratie.

Sedan en de Gereformeerde kerken

Het lijkt een vreemde combinatie: een franse stad en de situatie van de kerken in ons land. Het is ds. L. H. Kwast die in de rubriek 'kerkelijk leven' in de Friese kerkbode van 6 augustus dit verband legt. Ds. Kwast herinnert aan de oorlogsdagen van 1940, toen Franse troepen in paniek op de vlucht sloegen, bang geworden door geruchten over Duitse tanks en kanonnen, die nog lang niet nabij waren in werkelijkheid. De Franse derde republiek bleek in die dagen te bezwijken, mede doordat de radeloze leiders niet zwichtten voor de feiten, maar voor wat zij als feiten aanzagen. Deze verlammende radeloosheid bleek steeds kwadere gevolgen te hebben. Ds. Kwast betrekt deze ondergang van een gedemoraliseerd leger, dat niets meer ziet in eigen zaak en de tegenstander oppermachtig waant op de situatie in de kerken. Wij hebben in het opschrift hierboven gesproken over de Gereformeerde kerken, maar we kunnen gevoegelijk dit artikel ook laten slaan op de andere kerken. Ds. Kwast schrijft in dit verband:

Er heerst in hun midden geestelijke neerslachtigheid, kerkelijk defaitisme, gezamenlijke vermoeidheid, of hoe men het ook noemen wil. Ze beschikken over een veelvoud aan moderne apparatuur, over briljante geesten die naar trefzekere taak in woord en geschrift nauwelijks behoeven te zoeken, over tientallen instituten met vormend en toerustend vermogen, over publiciteitsmiddelen in de pers, voor de radio en de televisie. Ze zouden, als ze de wil en de kracht konden opbrengen, in een verworden wereld en een geestelijk zieke samenleving het weergaloze Evangelie van persoonlijke en collectieve bevrijding en verzoening kimnen brengen. Ze zouden ondubbelzinnig en met overtuiging aan man en vrouw en kind kunnen vertellen dat in het houden van Gods geboden een groot loon besloten ligt. Ze zouden . . . . ze zouden . . . ze zouden .. Maar dromen achter een schrijfmachine kunnen de werkelijkheid niet vervullen. En die laatste riekt, naar Sedan en naar de lange, eindeloze terugtocht van 13 mei 1940 en daarna. Want — om maar een greep te doen — gereformeerden hebben de gewoonte gekregen zich te verontschuldigen voor hét feit dat ze gereformeerd zijn. Ze ondertitelen hun kerkelijke naam in één pennestreek met de toevoeging dat ze oecumenisch gezind zijn. (Wat dat woord precies betekent, is aan de meesten onder hen overigens weinig helder). Ze beijveren zich in hoofse betuigingen naar Rooms- Katholieke en Hervormde zijde en zijn geneigd tot blozen als ze over De Cock en Kuyper worden aangesproken. Ze generen zich een beetje voor hun Vrijgemaakte en Christelijke Gereformeerde neefjes en nichtjes die méér moeite hebben met de emancipatie dan zij. Over Staphorst, Elspeet en Urk kunnen ze even meewarig hoofdschudden als hun niet-gereformeerde landgenoten. In discussies met 'andersdenkenden' — hun voorouders hadden het nog over ongelovigen — zijn ze breed van allure en royaal van begrip. Ze worden niet moe te verzekeren dat ze niet meer zijn als hun vaderen, een sociaal hoekig en weerbarstig geslacht. Ze geven toe veel begrip te hebben voor eigentijdse verschijnselen en hun woordenschat verraadt dat ze over ongeloof en revolutie zelfs de eerste lessen van Groen van Prinsterer niet meer voor hun rekening nemen. Wie was dat trouwens ook weer? 'Hun' Amsterdamse universiteit gaven ze prijs evenals ze alle oude stellingen van het gereformeerde maatschappelijke werk, opgebouwd in de jaren vijftig, hebben verlaten op weg naar 'algemene samenwerkingsverbanden', zoals dat heden benaamd wordt. We willen hen niet honen, de gereformeerden van onze jaren. Wat heden in hen omgaat, beroert immers ook ons eigen hart. Maar waarvoor zijn ze op de vlucht geslagen? Wat heeft hen beangstigd dat ze niet meer staan voor wat hun voorouders om Gods wil konden noch wilden prijsgeven? Waarom durven ze vandaag niet meer zeggen dat ieder humanisme — het nationaal-socialisme was een humanisme, het in leninisme, stalinisme, maoisme, titoisme, castroisme en anarchisme gespleten communisme niet minder — in volstrekte strijd is met het Evangelie van Jezus Christus? Waarom plakken ze over bijna alles wat de naam van Jezus Christus niet wil noemen, het etiket van 'anoniem christendom'? Waarom verzetten ze zich niet met alle kracht tegen Robinson, Cox, Soelle en hoe de profeten en apostelen van het gestroomlijnde evangelie ook mogen heten? Het was aan het einde van de jaren veertig dat prof. dr. G. C. Berkouwer zijn toenmalige studenten schetste, hoe Hervormde mannen als Doedes, Van Oosterzee en Beets in de vorige eeuw stelling na stelling opgaven. Berkouwer aarzelde toen niet woorden als 'tragisch' en 'theologisch defaitisme' te bezigen. Maar vandaag doen wij weinig anders.

Wij menen dat de scribent hier spijkers met koppen slaat. Inderdaad is de moedeloosheid groot. Vele binnen de reformatorische kerken bezwijken voor de kreten van.een kleine pressiegroep. De besprekingen op de hervormde synode ten aanzien van de alternatieve belijdenisvragen, de kwestie van de gemeentevormen, de vragen rondom de wet gewetensbezwarendienstplicht, de verhouding tot de r.k. kerk etc. laten dat duidelijk zien. De meerderheid geeft reformatorische posities bij voorbaat prijs uit angst, om 'achter' te raken. En wat komt er in de plaats van de reformatorische posities, die we prijsgeven? Ds. Kwast wijst erop hoe deze instellingen ingeruild zijn voor het experiment. Experimenten van vreemde, vaak humanistische snit moeten goedmaken wat aan bijbels en confessioneel gehalte verloren ging. Ds. Kwast wijst in het slot van zijn bewogen artikel ook aan, waar z.i. de genezing begint. Hij schrijft:

Er zijn in de gemeente altijd weer oprechte christenen die wonderlijk veel van — bij voorbeeld — synodes verwachten. Zij schijnen voorbij te zien dat een synode geestelijk niet sterker is dan de kerken die haar bemanden. In bronzen eeuwen regeren geen gouden koningen. Dat was in het Frankrijk van 1940 overduidelijk het geval. Daladier, minister- president op de 10de mei, had niet de onverzettelijke kracht van zijn voorganger Clemenceau tijdens de eerste Wereldoorlog. President Lebrun was bij lange na niet wat eens Poincaré was geweest. En de opperbevelhebber Gamelin miste, wat in 1914 Joffre wel bezat: de stalen zenuwen om te wachten op het beste ogenblik om toe te slaan: 6 september 1914 aan de Marne! Ze waren ieder voor zich uiterst kundige mannen, vervuld van zorg en verantwoordelijkheidsbesef voor het oude vaderland, maar de geestelijke verlamming van het Franse volk was, zonder dat ze het zelf wellicht volledig verstonden, ook hun deel. De gemeente van Jezus Christus is in uren van groot gevaar en dreigende overweldiging door machten van sluipend of boosaardig ongeloof ook niet gered door pausen en kardinalen, door synodes en deputaten, door raden en bisschoppen. Alleen wanneer ze in benauwenis van aanvechting onvoorwaardelijk en als het ware intuïtief terugviel op de krachten van Woord en Geest, brak het' uur van haar redding aan. En het waren ook haast nimmer de theologocraten, de aristocraten in kennis en wetenschap, die haar uit vreemde diensthuizen leidden, maar onbekende en ongeachte mannen en vrouwen die diep in hun hart hadden vastgehouden aan het Woord dat niet gebonden is. Zij hadden de geesten weten te onderscheiden. Dat gebeurde soms in onbeholpen woorden en voor kritiek vatbare termen. Maar dat verhinderde hen niet om te onderscheiden waarop het aankomt. Dat wil niet zeggen dat ieder uur geschikt zou zijn voor zulk een réveil. De gemeente, haar voorgangers, haar raden en synodes, moeten soms door lange, duistere tunnels van geestelijke vervreemding heenkruipen, voordat het verlossende licht daagt.
Er bestaat een geheimzinnige wisselwerking tussen de belevenissen in het hart van de gemeente en de inhoud van honderden bladzijden theologisch schrijfwerk. Niet te voorspellen is hoe lang de weg van de terugtocht nog zal zijn. Maar we blijven geloven en belijden, ook tijdens de terugtocht, dat de uren van vertwijfeling niet omgaan buiten Hem die de toekomst heeft laten spellen voor wie nog een oor heeft om te horen. En naar Hem blijven we luisteren, zelfs al schijnt de gemeente 'somwijlen een tijdlang zeer klein en als tot niet gekomen te zijn in de ogen der mensen' (art. 27, N.G.B.), omdat zijn beloften niet bedrieglijk zijn.

Onze tijd vertoont in kerkelijk opzicht nog altijd veel gelijkenis met de vorige eeuw. Dat is vaker opgemerkt. En zeker, wij moeten voorzichtig zijn met het trekken van parallellen, maar dat neemt niet weg dat de kerkgeschiedenis van de vorige eeuw ons toch veel te zeggen kan hebben. Ook toen was het verval groot. Maar God gaf ook mannen als Kohlbrugge, Kuyper, Hoedemaker. En groot is voorts de zegen van het Reveil geweest. De geschiedenis herhaalt zich niet automatisch, integendeel. Maar wij mogen toch ook in onze tijd biddend uitzien naar een nieuw reveil. Biddend en wakend!

 

 

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's