De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De verhouding van het natuurlijke en het geestelijke II

Bekijk het origineel

De verhouding van het natuurlijke en het geestelijke II

Een geestelijk testament

7 minuten leestijd

In 'De Waarheidsvriend' van 13, 20 en 27 mei is een algemene bespreking gegeven van het februari/maart nummer van 'Wapenveld', dat een uitvoerig artikel bevatte van prof. dr. A. A. van Ruler, onder de titel: 'Ultra-Gereformeerd en Vrijzinnig'. Aangekondigd werd dat de diverse onderdelen van dit artikel nader zouden worden behandeld. De predikanten H. G. Abma, G. Boer, A. van Brummelen, C. Graafland en L. Kievit hebben nu elk enkele aspecten van prof. Van Rulers artikelen voor hun rekening genomen. In een onafgebroken serie worden deze artikelen thans geplaatst. Het gaat in deze serie artikelen om de kern van de leer des heils en de beleving daarvan in de gemeente. Het geestelijk testament, dat prof. Van Ruler naliet, hopen wij op deze wijze alle aandacht gegeven te hebben die het verdient. De Redactie

In ons vorig artikel hebben wij twee punten aan de orde gesteld. Wij hebben gevraagd, of het dualisme, dat ook in de ultra-gereformeerdheid soms extreem voorkomt, in zijn wezenlijke realiteit niet een bijbels karakter draagt, en slechts in zijn misvorming van griekse oorsprong is.

Een tweede punt was de vraag naar de betekenis, het wezen van de zonde. Hoe ligt de verhouding tussen het natuurlijk en het zondige. Wij meenden zelfs hier één van de grondnoties van Van Ruler op het spoor gekomen te zijn.

In dit artikel stellen wij nu nog een tweetal punten aan de orde. Het eerste punt is te concentreren in één woord, dat door Van Ruler telkens wordt gebezigd, nl. het woord 'uiteindelijk'. Een paar citaten: De verlossing bestaat uiteindelijk daarin, dat wij tot de schepping terugkeren (blz. 44). De oorspronkelijke bestemming is ook de uiteindelijke (blz. 39). We zijn in eerste instantie geneigd om dit woord eschatologisch te verklaren. Dan wil het zeggen, dat als de herschepping in de verlossing voleindigd zal zijn, het dan weer zal toegaan als in de oorspronkelijke schepping vóórdat de zonde er was. Dit ligt ook wel in de bedoeling van Van Ruler, als wij het goed zien. Maar toch is dit het niet alleen.

Naast het toekomst-aspect van de verlossing blijkt Van Ruler ook te duiden op een nu te ervaren werkelijkheid. Het woord 'uiteindelijk' krijgt dan de betekenis: als wij maar door het geloof diep genoeg de dingen zien en doorleven, dan komen wij daar uit, dat wij de schepping weer als pure schepping (in de heiliging) beleven.

Dit blijkt b.v. uit dit citaat: De beleving van de totale wereldwerkelijkheid, in natuur en geschiedenis, als rijk van God hoort nog veel wezenlijker tot het geestelijke leven dan de doorleving van de zonde en de genade (blz. 40). De doorleving van de zonde en de genade is ons eigenlijk een tussenstation. Citaat: Het echte geestelijke leven bestaat in het natuurlijke léven op de rechte wijze beleefd, dat is: door de zonde en de genade, door de dood en het eeuwige leven heen als (verloste) schepping. Door de beleving van de zonde en genade heen komen wij dus toe aan het natuurlijke leven, puur. Het stadium van de zonde-en-genade-beleving wordt achter zich gelaten. Men beleeft de pure schepping als verloste (waar de zonde van af getrokken is) schepping.

Dit lijkt me een optimistisch vooruitgrijpen op een werkelijkheid die er nu nog niet is. Dat stadium is hier nog niet bereikt en wordt hier nooit bereikt, zelfs niet in de diepste doorleving. Omdat de diepste doorleving toch nooit anders is dan geloofsbeleving, die vergezeld gaat met de liefde en met de hoop.

Juist omdat Van Ruler hier vooruitgrijpt, kan hij zo optimistisch zijn b.v. in zijn beoordeling van de sexualiteit en het spel. concreet b.v. in een voetbalmatch tussen Ajax-Feijenoord. Wie weet, wat er aan zo'n wedstrijd in het stadion voorafgaat en er tijdens zo'n wedstrijd gebeurt en wat er op volgt, weet, dat wij hier niet met het natuurlijke leven te maken hebben in pure zin. De menselijke zonde is er doorheen getrokken en is daar niet van af te denken. Of misschien wel te denken, maar dan is dit een idealistisch denken. En wat is idealistisch denken anders dan antecipatie (vooruitgrijpen).

Het tweede punt is de vraag naar het reformatorisch karakter van Van Rulers theologie. Juist bij het bovengenoemde punt vraagt Van Ruler zichzelf af, of deze opvatting van hem een zuiver reformatorische opvatting is. Hij ontdekt bij Calvijn een verscheurdheid, die hij zelf nu juist wil bestrijden. Calvijn wist ervan, dat de zonde even ver ging als de schepping en kon daarom in een christelijke argeloosheid het zondige leven het aardse leven noemen.

Maar juist daarom bleef er voor Calvijn een meditatie over van het toekomende leven. Calvijn wist: Hier beneden is het niet. Hij was realist en geen idealist. Hoewel hij leefde uit de hoop. Als wij echter zien, hetgeen wij hopen, - dan is dat toch geen hoop meer?

Van Ruler staat hier dus wel op gespannen voet met de Reformatie. Dat wist hij zelf ook wel. Hij stelt het in dit artikel zelfs uitdrukkelijk aan de orde. Juist zijn optimisme over de pure (verloste) schepping in een presente (uiteindelijke) doorleving verwijdert hem daarvan. Hij zelf zegt: Ik weet, met deze gedachten van de terugkeer tot de schepping ... ben ik ver over de grenzen van de reformatorische traditie gegaan. Ik pleit ermee voor een levensgevoel, dat de hele reformatorische christenheid vreemd moet voorkomen. Wezenlijk in de heiliging is: genieten van Ajax en Feijenoord! Maar ik houd het ervoor, dat ik op deze wijze de grondgedachten van de Reformatie en van het evangelie zoals de Reformatie het verstond alleen maar — zij het zeer fors — doortrek (blz. 44).

Inderdaad gaat Van Ruler hier ver over de Reformatorische grenzen heen. Wat hij in dit geval onder het doortrekken van de grondgedachten beschouwt, is twijfelachtig. In feite ben ik ervan overtuigd dat dit geen legitieme doortrekking is geweest, maar een ombuiging naar een christelijk idealisme, dat aan de ene kant doet denken aan het doperse (Van Ruler kon daar zeer lyrisch over spreken) en aan de andere kant aan de cultuurvreugde van de 19e eeuw. (Van Ruler is ook sterk door E. Troeltsch geïmponeerd geïmponeerd geweest.)

Heel interessant wordt dan tenslotte Van Rulers visie op de Nadere Reformatie. Ik kan me nog goed herinneren, dat hij zich destijds critisch uitte over mijn critische beoordeling van de Nadere Reformatie in vergelijking met de Reformatie, zoals ik die in mijn proefschrift destijds gegeven heb.

Van Ruler zag in de Nadere Reformatie een legitiem experiment. Hij zegt dit ook nu weer op bzl. 44. Maar wat betekent dit voor Van Ruler? In ieder geval niet, dat de Nadere Reformatie gelijk is aan de Reformatie. Daar is dit hele artikel van hem het bewijs van. Want telkens wijst hij er op, hoezeer de ultra-gereformeerdheid (die in de Nadere Reformatie tot uiting komt m.n.) is afgeweken van de Reformatie. Toch acht hij ze legitiem, omdat hij het legitiem acht om de lijnen van de Reformatie door te trekken. Er is de evolutie van het dogma. Daar is de Nadere Reformatie het bewijs van. Daar is ook Van Ruler zelf het bewijs van. Van Ruler wil in zijn waardering van het experiment van de Nadere Reformatie ook zijn eigen experiment legitimeren. Dat is voor Van Ruler te begrijpen. Daar gaat het ook niet om. Het gaat mij er alleen om, hoe wij de waardering van Van Ru-Ier van de Nadere Reformatie hebben te waarderen. Die waardering is namelijk een wezenlijk andere dan die van de meesten van ons, die namelijk de Nadere Reformatie waarderen als de Reformatie zelf.

Ik beëindig hiermee mijn bespreking. Aan het eind gekomen, heb ik het gevoel met het door mij geschrevene te veel een negatieve indruk van Van Rulers theologie gegeven te hebben en misschien een te positieve indruk van de ultra-gereformeerden. Dat zou ik dan bijzonder betreuren, want dat is beslist mijn bedoeling niet geweest, zowel het één als het ander niet.

Persoonlijk heb ik van Van Ruler ontzaglijk veel mogen leren. O.a. het nadenken over de dingen. Dat ik hem dan toch bespreek zoals ik gedaan heb, komt, omdat ik niet behoor tot hen, die Van Ruler alleen maar bewonderen en hem verder niet serieus nemen. Van Ruler heb ik altijd ontzaglijk serieus genomen. Vandaar deze discussie met hem. En wij zijn dankbaar, dat hij net nog dit artikel heeft mogen schrijven. Ik geloof namelijk, dat wij er veel winst mee kunnen doen, als wij eerlijk de zwakke en ook wel zieke plekken onder ogen willen zien, die Van RuIer ons aanwijst.

Maar het alternatief is niet: of ultra-gereformeerd of vrijzinnig. Ook niet: of ultra-gereformeerd óf Van Ruleriaan. Ten­ slotte is er geen enkel alternatief. Het gaat om waarachtig reformatorisch geloven. En dat is uiteindelijk bijbels geloven.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De verhouding van het natuurlijke en het geestelijke II

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's