De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Is het echte spectaculair?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Is het echte spectaculair?

11 minuten leestijd

Enige tijd geleden besprak ik een boekje van ds. David Wilkerson, getiteld 'Op reis naar nergens'. Het is een boekje, waarin het gaat over de strijd, die door ds. Wilkerson en zijn geestverwanten gevoerd wordt onder de jeugd, die verslaafd is aan verdovende middelen, alcohol en pornografie. In New York begon ds. Wilkerson een opvangcentrum voor ver­ slaafden onder de naam Teen Challence Institute. Van daaruit breidden de activiteiten zich uit over de hele wereld.

Ik besprak het boekje waarderend. De inzet van deze mensen voor ontspoorde jongeren is te prijzen, hun evangelisch élan, waardoor ze het aandurven om als getuigen in de wereld te staan, dwingt bewondering af. Desalniettemin maakte ik enkeIe kritische kanttekeningen bij de geestelijke sfeer, die het genoemde boekje ademde, het geloofstype, dat eruit naar voren springt. Ik schreef hierover: 'Treffende voorbeelden van de kracht van het Woord ook onder deze verslaafden zijn in dit boekje te vinden. Niet altijd voelen we ons weliswaar thuis in de geestelijke sfeer van dit boekje, waar de bekering zich als het ware van de ene dag op de andere volledig voltrekt. Het 'geven van je hart aan Jezus' gebeurt soms door één enkele ontmoeting, na éen enkel gebed. Of het altijd zo stormachtig gaat is voor ons de vraag. Bovendien missen we in dit boekje toch ook wel de dieptevan hetwerk van de Heilige Geest in het hart.'

Op deze kritische kanttekening bij de geestelijke sfeer, die ons uit de kring van de Pinkstermensen tegemoet komt, ontving ik van iemand, die werkt in een bepaald verband, dat ik vanwege de anonymiteit hier niet noemen wil, een indringende brief. Om de kern ervan weer te geven citeer ik de volgende passage: 'Ik ben blij dat u positief reageert op het werk van deze predikant. Enkele weken geleden was ik in de gelegenheid opnieuw het boekje 'Kruis in de asfaltjungle' van dezelfde schrijver te herlezen. Opnieuw trof het mij en houdt de vraag mij bezig: zijn wij op de goede weg, die in dienst zeggen te staan van dezelfde Opdrachtgever en geen zegen zien? U plaatste een kritische noot bij de stormachtige bekeringen, die zich a.h.w. van de ene dag op de andere volledig voltrekken. Maar wij zien noch het één, noch het ander. Daar plaats ik niet éen maar meerdere vraagtekens bij.' En verder in de brief staat nog de vraag, waarom er anno 1971 wél stormachtige bekeringen — misschien van de ene dag op de andere — zijn in New York en niet onder ons.

k meen dat deze vragen gewichtig geoeg zijn om erop in te gaan.

De blik naar, binnen

Wanneer we eigen kring en eigen gemeenten, en laat ik me dan maar beperken tot de Gereformeerde Gezindte, eerlijk bezien dan is er naast reden tot blijdschap over het vele goede wat er is ook reden tot bezorgdheid. Welke rechtgeaarde predikant lijdt er niet aan, dat de prediking zo weinig vrucht schijnt te dragen, dat het zo vaak ploegen op rotsen is? Hoevele preken schijnen er niet nodig te zijn om éen zondaar te bekeren? Neem eens zég 1000 preken per zondag in onze kring. Hoeveel vrucht zou er vallen? Waar was de ommekeer in het leven van mensen, waar was de doorwerking des Geestes, waardoor er een opwassen was in de genade, een verdieping in de kennis, van Christus? Onder hoeveel uiterlijke meelevendheid en zelfs rechtzinnigheid gaat ook niet een stuk harde onbekeerlijkheid schuil? En dat betreft dan nog de gemeente naar binnen. Maar hoe staat het ook met de werfkracht naar buiten? We zijn zo gewend geraakt om over de neergang van het kerkelijk leven in onze tijd te spreken, dat we al tevreden zijn wanneer de gemeente niet inkrimpt maar constant blijft. En we meten de groei van gemeenten breed uit alsof groei een onmogelijke zaak zou zijn in onze tijd, terwijl het dan nog vaak — gelukkig niet altijd! — zo. is dat de ene gemeente groeit ten koste van de andere. Echte werfkracht van de gemeente, van de prediking, zo dat mensen die letterlijk veraf stonden dichterbij worden gebracht, en dat vreemdelingen bijwoners worden, is dat er nog? Het is er nog wel! Maar is het er in die mate, dat we van een opbloei spreken mogen? Of mag dat in onze tijd niet meer verwacht worden? Ik weet, de tijd is ernstig, maar we hebben toch niet het recht om voorbarig conclusies te trekken. Misschien ts het wel zo dat van een echte — nationale — opbloei van het kerkelijk en geestelijk leven geen sprake meer zal zijn, dat we in de laatste beslissende fase van onze kerkgeschiedenis zijn gekomen. Maar dit mag toch niet bij voorbaat ons kerkelijk handelen en denken bepalen. Wie kent Gods bedoelingen? Uitgangspunt voor de kerk dient te zijn de opdracht, de belofte ook, en niet dat wat voor ogen is. De kerk zou moeten leven alsof de stromen van zegen nog komen moeten. Is het uitgesloten dat er nog een spade regen komt? Een regen op het nagras? Er is alle reden tot grote zorg over de grote afval, die zich aan het voltrekken is, maar geen reden tot defaitisme, waardoor verzuimd wordt met het Woord wervend bezig te zijn onder hen die ten dode wankelen.

Het kan soms ook zo zijn dat het defaitisme als het ware de prediking gaat bepalen, waardoor deze zó getoonzet is dat niet meer gerekend wordt op zegen en opbloei. De donkerheid der tijden wordt dan méér gepreekt dan de grootheid van Gods ontferming, ook over mensen van onze tijd. Nog een stap verder, en elke kiem van ontwakend geestelijk leven wordt vertreden, doordat de prediking meer deuren sluit dan opent.

Er is een wisselwerking tussen de prediking en het geestelijk leven in de gemeente, zó dat stukken, die in de prediking gaan ontbreken, ook in het geestelijk leven van de gemeente niet meer functioneren, evenals het ook zó is dat facetten van de leer des heils, die met de geladenheid van de Heilige Geest gepreekt worden, ook geestelijk worden ervaren in de gemeente. De inhoud van de prediking is dan ook van onzegbare betekenis. En het is een ernstige zaak als de inhoud zulke tekorten gaat vertonen, dat elementen, die essentieel zijn in het geestelijk leven, gaan ontbreken, hetzij doordat de prediking verschraalt vanwege het ontbreken van de bevindelijke noties, hetzij doordat de prediking verarmt omdat ze niet meer doortinteld is van het aanbod van Gods genade en de proclamatie van Gods toezeggingen. Er is ook nog wat anders dat te denken geeft. Komt het niet voor dat soms vruchten vallen onder de prediking en dat omstanders argwanend toekijken en erop afdingen? We mogen hier bepaald niet generaliseren. Maar ook al zou het maar hier en daar voorkomen, dan is het nog ernstig genoeg. Het is een uitblussen van de Geest wanneer er onderlinge achterdocht is in de gemeente, wanneer er onderlinge naijver is onder predikanten, wanneer bij geestelijke oplevingen in de gemeenten, of bij een openhartig getuigenis — soms van jongeren — verdachtmakingen worden geuit.

Ik wil met dit alles maar zeggen, dat we in de gemeenten zo vaak leven onder de maat van het evangelie. Als het goed is is er onderlinge liefde en dienstbetoon, een zoeken van het geestelijke goede voor elkaar. Waar liefde woont, gebiedt God zegen. Ontbreekt die zegen, dan is er alle reden tot verootmoediging. In onze Hervormde Kerk voeren we een strijd naar links. En dat is nodig. Maar we kunnen van de strijd niet leven, alleen van de zegen van de Heilige Geest.

Maar nu de andere kant

Intussen moeten we niet doen alsof het echte per sé spectaculair is. Dat suggereren de Pinkstermensen. Gebedsgenezingen, spreken in tongen, massale opwekkingen, bekeringen van de ene dag op de andere, profetieën. Het gaat er niet om deze dingen, wanneer ze vanuit de Heilige Geest voortkomen, te ontkennen, maar de Schrift geeft ons niet het recht om te stellen dat het nu dit per sé is. Juist over deze dingen is de Schrift sober, al hebben ze — dat moet gezegd — in de Schrift wel een plaats, zij het ook op markante keerpunten in de historie.

Zouden we echter ook niet eens de andere kant opkijken? Is de hele gang van de kerk door de eeuwen niet éen opzienbarende manifestatie van de Heilige Geest? Het is toch telkens weer een wonder van God als nieuwe geslachten gaan in de sporen van de vorige geslachten? Laat ieder zich eens indenken het telkens weer opnieuw ontstaan van de gemeente, waar hij of zij woont. Honderd jaar geleden was er nog niemand van de huidige gemeenteleden. En nu zitten ze er, zondag aan zondag, in verschillende gemeenten nog bij duizenden. Zo'n gemeente is toch in elke generatie weer een scheppingswerk van de Heilige Geest, al weet ik zeer wel dat het niet alles Israël is wat Israël heet en dat er veel kaf onder het koren schuilt, dat er veel uit gewoonte of bijgelovigheid gehandeld wordt, niet alleen bij de doop, maar ook bij de prediking. Maar het is toch heel wat, als mensen er in ieder geval wat van zijn gaan zien, van de kracht van het Woord, zodat ze gebleven zijn, niet weggegaan zijn, en in vele gevallen toch ook erbij gekomen zijn? De vele gemeenten, die er Goddank nog zijn, zijn een minstens zo'n massaal bewijs van de kracht van Woord en Geest als datgene waarover de Pinkstermensen spreken.

Neem Celebes. In een tijdsbestek van een halve eeuw ontstond een kerk van tegen de 200.000 leden uit het niets. Een schepping Gods, een planting van de Heilige Geest. En hoevelen zijn er ook daar al niet in het geloof gestorven? Als we wereldse maatstaven zouden aanleggen, dan zou het bepaald spectaculair te noemen zijn.

En verder, wie bepaalt hoeveel vrucht er toch telkens nog weer vallen mag onder de prediking? Telkens weer is het een wonder als een mens zó wordt aangeraakt door de Heilige Geest in de bediening van het Woord, dat de diepte van zijn bestaan wordt blootgelegd en er een uitzicht komt op Christus, Wie te kennen alleen het leven is.

En soms is het ook massaal in de gemeente, het beslag van het Woord. Je voelt het, de prediker is vol van de Heilige Geest. Hij spreekt uit de volheid van zijn gemoed. De woorden van de Schrift leven, voor hemzelf en voor de gemeente. Er is een tinteling in de preek, een warmte, een bewogenheid. En de gemeente merkt het, wordt erin meegenomen. Er is niemand, die niet luistert. Mag dit toch ook iets van het overweldigende van de Heilige Geest heten, als mensen samen geboeid worden en geraakt worden door hetzelfde Woord? Als op de jaarlijkse zendingsdag van de G.Z.B, het woord de duizenden gevangen houdt en opeens — wat enkele jaren geleden gebeurde — de hele schare spontaan gaat staan bij de slotpsalm en de spreker de zegen op de schare legt? Ik noem zo maar enkele dingen. Spreken we niet te gauw over vruchteloosheid. Letten we niet te weinig op de kleine dingen, die toch groot zijn? Er gebeuren ook in onze tijd nog opmerkelijke dingen, soms in situaties waarin men geneigd is aan geestelijke woestijnen te denken.

Maar er is ook nog een andere kant. Wanneer de prediking in een bepaalde tijd of in een bepaalde gemeente géén vruchten draagt, is dat dan een bewijs voor de onechtheid van de prediking? De bijbel spreekt erzelf van dat Christus op bepaalde plaatsen geen krachten kon doen vanwege het ongeloof. En wie het persé hebben wil van opzienbarende tekenen ter begeleiding van de prediking, zoals gebedsgenezing, dient te weten dat Paulus in Milete Trofimus ziek achterliet. Paulus had daar niet de gave van de gezondmaking.

Inmiddels dringt nog de vraag van Christus zich aan ons op of Hij, als Hij wederkomen zal, nog geloof zal vinden. Het zaad moet gestrooid worden. De Opdracht blijft. Maar de vrucht zélf is van God. Hij bepaalt de grootte van de oogst. Ook al zouden het in een bepaalde tijd — naarmate de grote dag nadert — maar enkele vruchten zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Is het echte spectaculair?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's