Is de Bijbel een éénheid?
Bij een bespreking van het Schriftgeloof, zoals dat beleden wordt in onze Nederlandse geloofsbelijdenis (art. 2—7) komt ook de vraag naar de éénheid van de Bijbel om de hoek kijken. Het Nieuwe Testament spreekt over de Schrift als éen geheel (Joh. 2 : 22; Rom. 10 : 11; Jak. 4 : 5, enz.). Maar ook worden hier de boeken van het Oude Testament de Schriften genoemd (o.a. Luc. 24 : 27; Joh. 5 : 39). De heilige Schrift is immers niet in éen enkele dag geschreven. Zij bevat boeken, die uit verschillende tijden afkomstig zijn. Tussen het oudste en jongste geschrift bestaat een tijdsruimte van ruim duizend jaar. Bovendien zijn er zoveel 'handen' over gegaan; zoveel mensen met verschillende karakters en in verscheiden situaties zijn bij het op schrift stellen van Gods openbaring betrokken geweest. En ook is de aard van , het geschreven telkens weer anders, al naar gelang we te maken hebben met historie, profetie, dichtwerk, wijsheidsliteratuur, brieven .. .!
Kortom, dat de Bijbel een 'samengesteld' boek is, blijkt onmiddellijk uit de indeling in Bijbelboeken. En dat er ook ergens een caesuur ligt tussen dat aantal Bijbelboeken, dat we het Oude Testament noemen en het geheel van Nieuw-Testamentische geschriften, is ieder bekend. Artikel 4 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt: 'Wij vervatten de heilige Schriftuur in twee boeken, des Ouden en des Nieuwen Testaments'.
De vraag is nu echter, of wij bij het onderscheid maken tussen de verschillende onderdelen van de heilige Schrift (hoofdstukkenindeling en verzenverdeling is uit later tijd) toch nog kunnen spreken over de éénheid van de heilige Schrift. Is er congruentie (overeenkomst.) in gedachten? Zijn hier toch misschien niet verschillende geloofspatronen samengeweven tot éen geheel? Of wordt de hele Bijbel gedragen door éen en dezelfde geest? Als we dat laatste woord met een hoofdletter letter schrijven (Geest), vallen dan misschien niet alle verschillen in tijd, in situatie, in karakters van de Bijbelschrijvers en in literaire genre's volkomen weg? !
Eénheid in verscheidenheid
De leer van de organische inspiratie, waarover ik eerder schreef, sluit niet uit, maar juist in, dat de openbaring Gods bij de 'boekwording' van het Woord Gods, via zeer verschillende personen met verschillende karakters, leidingen Gods, situaties, enz. tot ons gekomen is. En het is dan ook een eerste vereiste bij het onderzoek van de bedoelingen Gods met Zijn Woord deze achtergronden te leren kennen. Ook zouden we er verkeerd aan doen, als we bv. de symbolische taal van de apocaliptiek (o.a. in het boek der Openbaring) zouden verstaan als een historische beschrijving van gebeurtenissen zonder meer. Wie weet niet, dat hij de getallensymboliek in het laatste Bijbelboek niet op zijn vingers kan gaan natellen? Denk aan het vreemde 'gecijfer' met het getal 666. Denk ook aan de zeventig (jaar)weken uit Daniël 9.
Met andere woorden: waar de Schrift daar zelf aanleiding toe geeft, spreken we van verschillende literaire genre's. Er is om een woord van H. Bavinck te gebruiken in het Oude Testament de 'wet Gods, de prediking van de profeet, het lied van de zanger, de raad van de wijze'. J. Veenhof (in: Revelatie en Inspiratie) zegt, dat Bavinck het vanzelfsprekend acht, dat de 'waarheid van een gelijkenis of fabel een andere is dan die van een historisch verhaal en dat deze laatste weer verschilt van die in chokma (wijsheidsspreuken), profetie en psalmodie'. Met deze andere waarheid wordt dan uiteraard bedoeld, dat we de éne waarheid Gods als in een prisma van verschillende letterkundige stijlen tot ons zien komen.
Daarin volgen wij de Schrift zelf en dat is dus wat anders dan dat wij bv. in het boek Genesis, dat zich als een historisch boek aandient, via allerlei wetenschappelijke kunstgrepen mythische en legendarische elementen gaan aannemen. Men kan om dat te verdedigen prachtige beelden in het leven roepen, zoals in de nieuwe catechismus van de R.K. Kerk, waar gesproken wordt van een ijsberg, waarvan negentiende onder water zit, éentiende er boven. Zo zou men dan bv. het verhaal moeten lezen van de doortocht door de Rode Zee; een groepje nomaden, benard, gesard, ontkomt door een drooggewaaide zee, een arm van de Rode Zee. 't Gaat, ' volgens deze R.k. catechismus, om de ervaring van Jahweh's hulp, die in zo'n verhaal 'verwoord' wordt en dat is dan negentiende van de ijsberg, die onder water zit. Om dat geweldige tot uitdrukking te brengen, maakte men er een, wat we zouden noemen, 'sterk' verhaal van. Sterk overdreven.
Wanneer wij op deze wijze omspringen met het begrip literair genre, doen we de Schrift geweld aan en leggen psychologische maatstaven aan ('t gaat om de ervaring), waardoor we de Bijbel meer binnenhalen in ons gedachtenklimaat dan dat wij het Woord van God voor zichzelf laten spreken.
Verscheidenheid in éénheid
Bij de nadruk, die we leggen op de verscheidenheid binnen het geheel van de heilige Schrift, zouden we echter tegelijk het zicht op de éénheid van de Bijbel uit het oog verliezen. En dan doen we niet minder tekort aan het karakter van de Schrift als Woord van God. Bij sommige Bijbelverklaarders schijnt het mode te zijn de boodschap van een bepaald Bijbelboek en de inhoud daarvan geheel afhankelijk te maken van de strekking, de tendens, waarmee de schrijver heeft geschreven. Men zou dan, om een voorbeeld te noemen de boodschap van Jakobus niet moeten zoeken te harmoniseren met die van Paulus. Zelfs zou de brief van Jakobus met zijn practische christendom dan een legitimatie kunnen betekenen van wat de vrijzinnigheid in de kerk (weliswaar wat eenzijdig) altijd heeft willen accentueren. Al met al zou het, bv. ten aanzien van de eerste drie Evangeliën niet gaan om de historische exactheid, waarmee de dingen beschreven worden, als wel om de teneur, de opzet, de prediking van de schrijver. Daarom behoeven we historische oneffenheden (tegenstrijdigheden) in de Bijbel niet weg te werken door met alle geweld de dingen in overeenstemming met elkaar te brengen.
Met het oog hierop komen we graag op voor de éénheid van de heilige Schrift. Wij doen aan de bedoelingen van een Schriftwoord geen recht, wanneer we het alleen maar lezen tegen de achtergrond van de bedoelingen van de schrijver, al mogen we dat laatste nooit vergeten. De Bijbelboeken zijn bepaald meer dan pennevruchten van deze of gene Joodse en oud-christelijke schrijver. Ieder Bijbelboek staat in de contekst van het geheel van de Schrift. Het gaat in feite ook niet allereerst om wat deze of gene schrijver ons wil leren, maar om wat de Auctor Primarius (de eerste Auteur-God de heilige Geest) ons zegt. Dat brengt dan ook op zijn tijd een exegese met zich mee, die uitgrijpt boven de situatie en gedachtenwereld van de schrijver, omdat deze tenslotte bij het schrijven in dienst genomen is door de Geest van Christus, zelfs al heeft hij de volheid van die Geest persoonlijk nog niet ondervonden. Een exegese e mente auctoris (vanuit de geest van de schrijver) zij bovenal een exegese vanuit de Geest Gods, onder Wiens directe leiding de heilige Schrift is ontstaan. Het is een oude regel, dat we voor het verstaan van deBijbel Schriftmet Schrift moeten vergelijken en de boodschap van een bepaalde tekst in de contekst, èn van het betreffende Bijbelboek èn van het geheel van de Schrift moeten horen.
Daarom staat het boek Hooglied in de Bijbel als een lied der liefde, dat ons de liefde tussen Salomo en zijn aardse bruid bezingt, maar op een zodanige wijze, dat we hier de sporen van de Geest van Christus ontdekken. Die Zijn bruidsgemeente bemint. Daarom mogen we de zg. verschillende geloofspatronen in de Bijbel niet tegen elkaar uitspelen. Een juiste, door Gods Geest bezielde uitleg van de Jakobusbrief b.v. brengt ons niet op gespannen voet met de rechtvaardigingsleer van Paulus. Zij doet ons juist de wijsheid van Gods Geest zien, die ons enerzijds leert, dat de mens niet op grond van de werken gerechtvaardigd wordt, maar ons anderzijds het karakter van het levend rechtvaardigend geloof doet kennen als een vruchtbaar (werkzaam) geloof. Jakobus ruimt dan het misverstand uit de weg, dat 'deze leer goddeloze en zorgeloze mensen' maken zou.
Het is dezelfde Geest des geloofs, die in heel de Schrift spreekt. Guydo de Brés zegt naar aanleiding van de gelijkenis van de koninklijke bruiloft (Matth. 22), dat wij (de heidenen) tot geen andere maaltijd, dat is tot geen ander verbond Gods en ook tot geen ander geloof geroepen zijn dan tot hetzelfde, waar Abraham en al de oude vaderen van het Oude Testament en al hun nakomelingen toe geroepen zijn geweest.
Nog anders, dieper ook, gezegd: het is dezelfde Geest, Die Noach deed spreken (1 Petrus 3 : 18—22), Die David liet zingen (Hand. 2 : 30, 31), Die Johannes op Patmos inspireerde tot schrijven (Openbaring 1 : 19). Deze Geest, Die dezelfde Geest des geloofs is (2 Cor. 4 : 13) verbindt niet alleen de christenen uit Paulus' dagen met elkaar, bij alle verscheidenheid in geestelijke gaven en bedieningen, maar ook die uit heel de geschiedenis van Gods Kerk op aarde. Daarvan is de Schrift een bewijs en voor ons is zij tegelijk daarvan de bron. Er is een zogenaamde analogia fidei — een analogie des geloofs — waarin door heel de Schrift heen de Christus der Schriften wordt omhelsd. K. Schilder heeft eens geschreven: Als wij de éénheid der Schriften loslaten, dan hebben wij de onfeilbaarheid van Christus ook verloren; heeft Hij niet de éénheid der Oud-testamentische Godsopenbaring geloofd? En een Christus, Die Zich bedriegt, kan ons niet redden (Vg. W. G. de Vries: het eeuwige Evangelie en de 4-de mens, blz. 106).
Volgens Calvijn is de éénheid van de Schrift in het zelfgetuigenis der Schriften gegeven. Daarom kan ook het Nieuwe Testament over de geschriften van de Bijbel (O.T.) spreken als over dé Schrift. Uit de vele aanhalingen van het Oude Testament in de woorden van Jezus, de evangelisten en de apostelen blijkt overduidelijk, hoezeer zij hebben geleefd bij de Godsopenbaring onder het Oude Verbond en die als een éénheid hebben ervaren.
In ons volgend artikel zullen we dit punt van de éénheid der Schrift nog wat nader uitwerken door de verhouding Oude en Nieuwe Testament nader te bezien. Op dit punt nl. gaan de meningen zeer uiteen. En het is juist hier, dunkt mij, zo nodig, zowel voor de prediking als voor het persoonlijk omgaan met de heilige Schrift, dat we de belijdenis van de éénheid van de Schrift vasthouden.
Voor ditkeer wil ik eindigen met een aanhaling uit de Gereformeerde Dogmatiek van H. Bavinck (I, blz. 405): 'De Schrift wortelt in een historie van eeuwen en is de vrucht van de openbaring onder Israël en in Christus. Maar zij is toch geen boek uit lang vervlogen tijden, dat ons alleen met personen en gebeurtenissen van het verleden in verband brengt. De heilige Schrift is geen dor verhaal en geen oude kroniek, maar zij is het altijd levende, eeuwig jeugdige Woord, dat God nu in deze tijd en altijd door tot Zijn volk laat uitgaan ... De heilige Schrift is een tendenz-boek; al wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hope hebben zouden. De Schrift is door de h. Geest geschreven, opdat zij Hem dienen zou bij Zijn leiding der kerk, bij de volmaking der heiligen, bij de opbouw van het Lichaam van Christus. In haar komt God dagelijks tot Zijn volk. In haar spreekt Hij tot Zijn kinderen, niet uit de verte, maar van nabij. In haar openbaart Hij Zich van dag tot dag aan de gelovigen in de volheid van Zijn genade en trouw. De Schrift is het blijvend rapport tussen hemel en aarde, tussen Christus en Zijn gemeente, tussen God en Zijn kinderen'.
In dit Geest-doorademd zijn en blijven van de heilige Schrift ligt de belijdenis verankerd: De Bijbel is een éénheid. En naarmate de gemeenschap met God door Woord en Geest dieper mag worden doorleefd, naar die mate aanbidden wij het wonder, dat God al de eeuwen door aan Zichzelf gelijk is gebleven en deze eeuwige trouw aan Zichzelf, aan Zijn dreigementen en beloften, in de voortgang van Zijn openbaring alleen maar steeds rijker en heerlijker heeft geopenbaard.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's