De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

AD EXTRA niet EXTRA III

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

AD EXTRA niet EXTRA III

Een geestelijk testament

10 minuten leestijd

enkele critische opmerkingen

Uit de in het vorige artikel geschetste hinderlaag zou te ontkomen zijn, wanneer we ons bezinnen op het andere aspect van de definitie van het sacrament, namelijk die van het zegel en (onder)pand, maar deze overwegingen zouden ons te geïmproviseerd veel te ver in de sacramentstheologie voeren. Op dit moment zie ik ook de noodzaak niet zo hevig, omdat er toch wel iets anders bij de hand hgt.

Ik bedoel de typisch gereformeerde notie van wat we een 'klein beginsel' plegen te noemen. Naar mijn smaak spreekt Van Ruler wat te optimistisch en te uitbundig over de taak en positie van de kerk in de wereld. Machtige golven van heil lopen met souvereine autoriteit op het strand. Wat terugvloeit is in vergelijking met die tot de uiterste lijn brede en machtige finish van de golven, zwakjes en bij lange niet opgewassen tegen de alweer opnieuw aanrollende golf. Ik probeer op deze manier een indruk te geven van ons liefhebben metterdaad in al Vaders sferen, omdat Hij ons altijd weer als de Eerste en Laatste liefheeft. Met Van Ruler geloof ik dat de weeromstuit van Gods genadig heilswerk alzijdiger moet zijn dan we wel eens practiseren, maar ik zie het niet ver, diep en krachtig verlopen. Inderdaad zijn het 'kleine beginselen'. Het is heilzaam dit te bedenken, omdat het triumfalisme vaak verder sprong dan de stok lang was. We moeten wat zuinig zijn met de gezwollen uitroep 'alle terrein des levens' als of we het in de breedte en lengte reeds hebben doorwandeld en behoedzaam met de imperialistische bezwering: 'geen duimbreed' alsof ons alle macht in hemel en op aarde is gedelegeerd. Vanuit de typisch theologische opvatting van Van Ruler, dat de toekomst met alle kracht zich in het heden opdringt is het wel begrijpelijk, dat hij de situatie optimistischer evalueert.

Hiermee hangt ten nauwste samen wat Van Ruler meent over Calvijn te moeten opmerken. Van Ruler is wat in het ongewisse over Calvijn. 'Worden we zó door Calvijn bijvoorbeeld in de wereld gezet? Zo positief? Zo genietend? Men weet het nooit helemaal zeker. Ik houd het er voor, dat de geschetste wijze van beleving van de dingen in de lijn van Calvijn ligt. Maar bij Calvijn moet men toch steeds een zekere smartelijke verscheurdheid constateren. Enerzijds zegt hij, dat de politiek een heilige zaak is, anderzijds dat het hemelse leven oneindig veel beter is dan het aardse. Bedoelt hij met het 'aardse leven' inderdaad het aardse leven? Ware het niet blasfemisch tegenover de Schepper? Bedoelt hij in wezen niet het zondige leven? En heeft hij dan niet gelijk? Blijft de zonde niet een smartelijke scheur aanbrengen in de hele christelijke existentie? Maar hoe onderscheidt men zuiver tussen het zondige en het aardse leven? Daar komt toch alles op aan? ! De zonde huist niet in het aardse, in het stoffelijke en zichtbare. De zonde huist in de wil. Men moet naar mijn inzicht op dit punt scherper en zuiverder onderscheiden dan Calvijn gedaan heeft' (a.w. pag. 40). Het is een uitvoerig citaat, maar op die manier doen we recht aan de opmerkingen van Van Ruler.

Hier wringt een schoen. Ik kan me veel gemakkelijker voegen in de gereserveerdeid van Calvijn, want ik houd het eroor dat naar mijn bescheiden mening Calvijn hier gelijk heeft. Calvijn verdampt iet de aardse en historische werkelijkeid, maar evenmin maakt hij die pregnant, zwaargeladen. We doen, spreken en denken ten dele en we dienen te beseffen dat we tot de decimalen op onze tellen moeten passen, omdat de zonde van wereldgelijkvormigheid vlak om de hoek van de deur op de loer ligt. De zonde huist in de wil, zegt Van Ruler. De Bijbel zegt toch wel met wat meer nadruk, dat de zonde in de leden zich heeft verschanst en dat in ons, te weten in ons vlees, geen goed woonachtig is. De smartelijke scheur is toch wel een pijnlijke doorn in het vlees, waarvoor een opstanding uit de doden noodzakelijk is om ervan ontheven te worden. De Geest spreekt net iets te plastisch over de 'rok, die van het vlees bevlekt is'. Van Ruler is getypeerd als de theoloog bij uitstek van de vreugde. We mogen wel eens billijk onderzoek instellen of het helemaal overeenstemt met Paulus' 'als droevig doch altoos blijde'. Ik geef toe dat de blijdschap het meest essentiële is, doch de sluier van de droefenis moet toch noch verscheurd worden. We leven in een weersgesteldheid, dat we verwachtend uitzien naar wolkskens als eens mans hand; de wolken zijn er reëel, maar het zijn wolkskens ter grootte van de hand van een man. Gelukkig maar, dat de toekomst zich vuisten maakt.

gravamen

Daar komt nog iets bij. Ik vraag me af of Van Ruler op zijn ketterjacht, die we wel als vriendendienst ten aanzien van mogelijke feilen mogen waarderen, toch niet in zijn ijver plots bezig is een gravamen in te dienen tegen de belijdenis. Als Van RuIer het heeft over de verhouding van het natuurlijke en het geestelijke zegt hij: 'Hij weet ook van het geestelijke leven. Daaraan heeft hij deelgekregen door de wedergeboorte. Het is hem ingestort. Nu heeft hij om zo te zeggen twee levens: het natuurlijke leven uit de geboorte (dat raakt hij pas kwijt in de dood) en het geestelijke leven uit de wedergeboorte (dat zet zich door de dood heen door tot in alle eeuwigheid)'. Ultra-gereformeerd en vrijzinnig pag. 36. Het is of we artikel 35 van de NGB voor ons hebben. Alleen wordt daar belijdenis gedaan van tweeërlei leven. Bovendien moeten we met dat 'kwijtraken, in de dood' ook voorzichtig zijn. Met zoveel woorden veroordeelt Van Ruler niet die conceptie van twee lévens, maar impliciet oefent hij toch wel zwaar critiek. Denk maar aan de zin: 'Het probleem van het dualisme is echter niet van vandaag of gister'. En aan de al eerder genoemde zin: 'Het echte geestelijke leven bestaat in het natuurlijke leven, op de rechte wijze beleefd'. De laatste vijf woorden laten vanzelfprekend verschil van interpretatiemogelijkheid open. Het is een behoorlijke slag om de arm. Doch nadere verklaring is wel zeer gewenst en broodnodig.

Ik geloof ook wel, dat wanneer 'genade invloeit' — om me met heel veel reserves van deze zwaar belaste uitspraak te bedienen — ons levensstroompje de neiging heeft zich te splitsen. Ik denk aan het verhaal van éen van de eerste beide ouderlingen, die ik van mijn leven welbegrepen als mijne mocht hebben. Toen hij kersvers bekeerd was ging hij bij dagen de boer op. Overigens een 'natuurlijke' zaak als we lezen hoe de Samaritaanse, om iets te noemen, haar watervat bij de put liet staan. Het moest echter niet langer geduurd hebben, zei hij, want dan was ik over de kop gegaan. Wat was ik blij, dat ik weer — bekeerd overigens — mijn kruiwagen in mijn handen voelde. Het wordt een krampachtige aangelegenheid, wanneer we op de lange duur al te zeer het geestelijke en natuurlijke verschillende beddingen laten gaan. Daarmee hebben zich mensen de nek gebroken, zodat ze achteraf het bewijs leverden dat hun bekering niet de ware was. Het geestelijke leven bleek natuurlijker dan ze probeerden duidelijk te maken. Er is ook heel veel wedergeboorte, waarbij een deel van de oude mens afsterft, doch waarbij voor de rest de oude mens sprinlevend de kop weer opsteekt.

De koningin van Scheba ontdekt verwonderlijke dingen in het 'zitten van Salomo's knechten en in het staan van zijn dienaren'. Ik heb van mijn leven godsvrucht gezien in wat we het 'doodgewone leven noemen. Men kan veel geestelijks in het natuurlijke en veel natuurlijks in het schijnbaar ultra-geestelijke signaleren. Daar is soms een geoefende blik voor nodig, maar bij ogenblikken ligt het er toch wel heel duidelijk bovenop. Het is de roeping van Gods kind om dagelijks bezig te zijn om op de meest ongekunstelde wijze het geestelijke in het natuurlijke te integreren. Het blijft echter toch naast vreugdevol een pijnlijke bezigheid onder de zon. De worsteling van Romeinen 7 is er niet vreemd aan. We moeten dus vasthouden aan wat de belijdenis zegt: tweeëerlei leven. Ik stelde in uitzicht, dat ik nog even op Luther zou terugkomen. Wanneer Luther zijn 'vrije heerschap van de christen en zijn niemands dienstbaarheid en omgekeerd het simultane knechtschap en ieders horigheid' becommentarieert, moet hij oppassen dat hij met de vrijheid niet teveel de kant van het geestelijke en met de dienstbaarheid de kant van het natuurlijke uitgaat.

In de hele vraagstelling die ons in dit artikel intrigeerde gaat het tenslotte om de aanbevolen deugd en Geestesvrucht van de gematigdheid. Daarmee tasten we een zeer gevoelige plek. In de besteding op velerlei terrein van de krachten, die in geloof ons gegund zijn uit genade, moeten prioriteiten gesteld worden èn moet een beoordeling plaats hebben van de situatie en van mogelijkheden en moeilijkheden. Daarover is slag op slag verschil van inzicht en gevoelen mogelijk. De een slijpt zijn godsdienstige potlood net weer iets scherper dan de ander om er vervolgens consequenties van ketterij, geveinsdheid, ontrouw en dergelijke aan te verbinden. Of men er altijd uitkomt met de dikwijls herhaalde betuiging dat de een de ander uitnemender moet achten dan de ander is een vraag, maar dat deze regel zelden wordt beoefend is faliekant. Ik geloof, dat we het mikro van de persoonlijke bekering — afsterven van de oude mens en opstanding van de nieuwe mens — moeten inschakelen in de makro — worsteling van de Geest met al het gevallene, dat toch geschapen blijft. De Geest kan niet vergeten dat Hij zweefde over de wate­ren. Het mag gerust en moet bewust krachtig in ons naklinken, wat dikwijls over onze hoofden gesproken wordt: Die niet laat varen de werken Zijner handen, om in die kracht aan het werk en op weg te gaan steeds bij vernieuwing. De meest Geestelijke van allen, wijl Hij God was, omgordde zichzelf gedurende de meest critieke periode van Zijn leven om zijn discipelen de voeten te wassen. Gij zijt ook schuldig, zei Hij. Tracht niet naar hoge dingen, maar voegt u bij het nederige. Laten we maar bij de stoffige voeten beginnen. De Vleeswording leert dat geestelijke offeranden stoffelijk en lichamelijke zijn. Het is en blijft een wonder: God geopenbaard in het vlees! Het nieuwe leven kan niet afblijven van alles wat vernieuwing behoeft. We bevelen onze zielen met weldoen aan de Schepper. Er staat niet voor niets, lijkt me, de naam Schepper. Maar er blijft een 'verscheurdheid' meer dan iemand zeggen kan. Iemand staat gelukkig achter al deze dingen. Iemand die zei de: Ik zend u als schapen in het midden van de wolven. De gelovigen worden gedragen op de warme thermiek van die voorname woorden: Ik zend. Als die niet langer weerklank vinden is het een kritieke situatie. Wat wel noodzakelijk blijft, dat is oprecht te zijn als de duiven en voorzichtig als de slangen. Zo voortgaande met ontferming, doch wel onderscheid makende.

Erratum

In het artikel Ad Extra II in de laatste Whvrd is op pag. 423 aan het slot van de 6e regel van onder in de 3e kolom een storend drukfout je opgetreden.

De zin moet luiden: ' . .., wat ik toen naar de gelegenheid van de tijd gelovige hamsterwoede noemde'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

AD EXTRA niet EXTRA III

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's