De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

12 minuten leestijd

Ds. J. D. Barth: Het Koninkrijk der hemelen: Uitgave Boekhandel G. Kool, Lingedijk 31, Leerdam; 62 pagina's; ƒ 8, 75.

In dit boekje zijn in fotografische herdruk gebundeld een zevental preken van wijlen ds. J. D. Barth, in leven predikant bij de Geref. Gemeenten. De preken handelen over Psalm 89 : 20a, Lucas 12 : 32, 1 Petrus 2 : 9, Hebreeën 12 : 28, 29, Marcus 15 : 25b, Matth. 27 : 61b en Lucas 24 : 34m. Ds. Barth was ook buiten zijn eigen kring bekend. Zijn preken zijn eenvoudig, lerend en vermanend, steeds heenwijzend naar het enige fundament van ons behoud Jezus Christus. We zijn vandaag niet meer gewend aan preken met een aparte toepassing, zoals dat in deze preken het geval is We zijn vaak ook niet meer gewend aan bepaalde uitdrukkingswijzen, die in deze preken te vinden zijn, maar wie daar doorheen ziet ontdekt het goud van het Woord. En daar gaat het om. Deze preken hebben in hun eenvoud, hun ongekunsteldheid ook, een bepaalde dimensie die in menige moderne preek tevergeefs gezocht wordt.

Prof. dr. A. A. van Ruler: Op gezag van een apostel; Uitgave G. F. Callenbach N.V., Nijkerk; 196 pagina's; ƒ 14, 50.

Na het overlijden van prof. Van Ruler verschijnen nog regelmatig publicaties van hem. Het boek, dat nu voor ons ligt, bevat de tekst van de morgenwijdingen, die prof. Van Ruler voor de radio hield vanaf maart 1968 tot juni 1970. Ze handelen over Romeinen 12 en 13, hoofdstukken die boordevol zijn met practische vermaningen en oproepen. Van RuIer spelt ze in deze morgenwij dingen na, daarbij vaak verrassende vergezichten openend. Het is daarbij treffend hoe zich telkens bij Van Ruler een plotselinge wending voltrekt van het persoonlijke naar de cultuur, de gemeenschap, de wereld, of ook, wanneer bepaalde schriftgedeelten duidelijk de collectiviteit in het oog hebben, van de gemeenschap naar het persoonlijke, het innerlijk leven. Bij Van Ruler waren de binnenkamer en de straat geen tegenstellingen. Hij speelde het een niet tegen het ander uit. De liturgie, de lofprijzing Gods dienen zich zowel in het persoonlijke als in het gemeenschappelijke te voltrekken. Gebed en Gebod liggen dicht bij elkaar. Het hele boek is doorademd van de theocratie, van de levende geloofsrealiteit dat God regeert, alles in Zijn handen houdt. Romeinen 13 geeft volop gelegenheid dit te vertolken ten aanzien van het leven van volkeren en overheden.
Wie Van Ruler uit zijn vele geschriften kent, herkent in dit boek vele gedachten, soms letterlijk, bij voorbeeld uit zijn boek Ik Geloof. Maar anderzijds blijft elk boek van Van Ruler boeien door het nieuwe erin, ook als hij over vertrouwde thema's spreekt. Ik ga hier niet meer in op de bezwaren, die men tegen zijn totaalvisie hebben kan. Die heb ik eerder uitvoerig onder woorden gebracht. Hier is het voldoende te zeggen dat ook dit weer een zeer inhoudrijk boek is.

George Lovely: Beknopt Onderricht in de onvervulde profetieën; Uitgave W. J. Pieters, Oostburg; 80 pagina's, ƒ3, 90. (gebonden ƒ 5, 90).

In 1869 kwam voor het eerst in Nederlandse vertaling dit boekje van Lovely, predikant te Calcutta van de pers. In vraag en antwoord vorm behandelt de schrijver de onvervulde profetieën. Het zal duidelijk zijn dat het dan vooral gaat om zaken als de wederkomst des Heeren en het laatste oordeel, de toekomst van Israël, het duizendjarig rijk, de Antichrist. De bewerker van deze heruitgave, J. G. van Moosel, merkt in een naschrift op het in hoofdzaak met de beschouwingen van de schrijver eens te zijn, maar het van groot belang te achten de aangevoerde schriftplaatsen zelf op te slaan. Dat laatste is bepaald nodig. Ten aanzien van allerlei moeilijke punten, die verband houden met de leer van de laatste dingen, kan men niet zomaar een aantal bijbelplaatsen naast elkaar zetten en dan conclusies trekken. Vaak blijkt de exegese van een tekst, wanneer men hem in het juiste kader zet, moeilijkheden met zich mee te brengen, die al te snelle conclusies naar achter dringen.
Ernst maken met de toekomst, zoals die ons in het Woord geopenbaard wordt, kan de gemeente niet genoeg op het hart gebonden worden. Daarom is het een goede zaak dat dit boekje daarvoor de aandacht vraagt. Dan mag men bij de conclusies van de schrijver nogal eens een vraagteken plaatsen of zelfs zijn conclusies afwijzen, de bijbelplaatsen waarnaar hij de lezers leidt geven voldoende stof tot overdenking en nadere bestudering.

W. Meijer: Nieuwe Ommetjes: Uitgave Oosterbaan en Le Cointre, Goes; 219 pagina's; ƒ 9, 90.

In 1961 verscheen bij de uitgever Oosterbaan en Le Cointre een boek van dezelfde schrijver onder de titel 'Culturele Ommetjes'. Daarin waren artikelen gebundeld, die de schrijver over allerlei culturele onderwerpen en objecten schreef in het Nederlands Dagblad, het blad dat wordt uitgegeven in Vrijgemaakt Geref. Kring. Thans is opnieuw een dergelijke serie artikelen gebundeld. De schrijver behandelt in een eerste deel de Egyptische tentoonstelling in het Rijksmuseum te Amsterdam (1960-1961), Dertig Eeuwen Mexicaanse kunst. Glorie en Schande van de Renaissance, Jeroen Bosch, Het Grafisch werk van M. C. Escher en het werk van Karel Appel. In een tweede deel van dit boek komen aan de orde de vraag of er een objetcieve kunstwaardering bestaat, de normen in de kunst (een kritische beschouwing over het boek 'Kunst en Amusement' van dr. J. Rookmaker, naar ik aanneem een geestverwant van de schrijver), leugen en bedrog door de kunst, en de (moderne) beeldende kunst als seismograaf van de revolutie.
Een boek met een duidelijk besef voor de noodzaak van een bijbels-genormeerde kunst, met een duidelijk zicht ook op degeneratieverschijnselen in de huidige cultuur, samenhangend met de ontkerstening van het hele levenspatroon. Een boek waaruit ook veel te leren valt omdat het veel informatie geeft over de verschillende cultuurproducten.

 

Dr. G. P. Hartvelt, Het boek van de Heer. Over gebruik en misbruik van de bijbel. Kamper Cahiers 17 Kampen 1971 34 blz. (groot formaat) prijs ƒ4, 95.

De Kamper Cahiers hebben veel weg van een wetenschappelijker pendant van de befaamde Cahiers voor de Gemeente. Alleen de kring waaruit scribenten worden aangetrokken is veel ruimer.

Van dit 17e nummer, geschreven door de Kamper hoogleraar dr. G. P. Hartvelt, is veel goeds te zeggen. Men vindt er in kort bestek een hele massa historische gegevens in verwerkt, die er wezen mogen.

Al in voorafgaande publicaties heeft prof. Hartvelt zich bezig gehouden met het Schriftprobleem, hij is als weinigen ter zake kundig.

In zijn geschrift laat hij allereerst zien hoe soms wonderlijk gebruik gemaakt is van de H. Schrift, doordat men de bijbel maar opsloeg en zo meende de stem van God te horen, dat wil zeggen door een toevallige tekst zich liet leiden bij een bepaalde beslissing of in een bepaalde situatie. Al hebben de theologen altijd bedachtzaam tot voorzichtigheid gemaand, zij hebben dit bijbelgebruik daarom niet steeds afgekeurd.

Tastend naar de theologische achtergronden hiervan meent Hartvelt te kunnen teruggaan tot Hamann die als eerste over de H. Schrift als de knechtsgestalte van de H. Geest heeft gesproken. Dezelfde opvatting ziet Hartvelt ook bij Da Costa, Haitjema en W. Aalders. Al wü de schrijver niet op een gemakkelijke wijze zich van deze zienswijze afmaken toch meent hij haar te moeten verwerpen, zich daarin aansluitend bij dr. A. J. Jelsma die in een van zijn stellingen, toegevoegd aan zijn dissertatie, wees op het gevaar van afgoderij met de bijbel. In hef poneren van zijn eigen visie komen wij dan bij Hartvelt tegen wat wij ook al in andere geschriften van hem hebben gelezen namelijk een afwijzing van het formele Schriftgezag. Daarnaast ook een afvvijzing van Calvijns spreken over de autopistie van iie Schrift.

Op deze punten meen ik met de schrijver te moeten verschillen. Juist de autopistie van de H. Schrift is me uitermate lief, zij is bovendien in onze Ned. Geloofsbelijdenis met kracht beleden. Wie haar afwijst beweegt zich op een spoor van theologiseren dat anders is dan dat der gereformeerde vaderen. Hun luisteren naar de Schrift moge méér dan een 'model' (Hartvelt werkt nogal met modellen) zijn voor ons.

K. Exalto

Dr. P. J. Roscam Abbing: Maatschappij-kritiek, een inleiding, verschenen in de serie Ethische Verkenningen onder redactie van prof. dr. J. de Graaf e.a., uitgave G. F. Callenbach, Nijkerk 1969, 200 blz.

In dit boekwerk, dat een samenvatting en uitwerking is van tien zondagavondlezingen voor de microfoon van de N.C.R.V. (1969), geeft de schrijver zich rekenschap van de vraag naar rechtvaardigheid en humaniteit in het maatschappelijk leven en van de noodzaak en mogelijkheden van een maatschappijcritiek, vooral ten aanzien van de Nederlandse samenleving.

In een eerste hoofdstuk over de functie van het milieu beschrijft prof. Roscam Abbing aan de hand van drie kernbegrippen (conditie, vrijheid en relatie) de functie en invloed van het leefmilieu op de mens. Deze drie kernwoorden lopen als een rode draad door heel het boek heen. In het tweede hoofdstuk komt de schrijver tot een bespreking van de normatieve visie op de mens en de vorm van menszijn, die we maatschappelijk willen bevorderen en/of voorkomen. Een derde hoofdstuk handelt over de wijze, waarop de maatschappij in conditie, vrijheid en relatie het humanum kan bevor­deren en tegengaan. Achter de drie grootheden, die ons leefmilieu bepalen (met andere woorden: achter techniek en natuur, structuur en cultuur), doemt de staat op. Hoe moet deze zich van haar verantwoordelijkheid kwijten om een optimaal leefklimaat voor de burger te garanderen? Daarover gaat het in hoofdstuk vier (Waardenbeleid). De schrijver komt daarbij tot de conclusie, dat noch het marxistisch-leninistisch communisme, noch het liberalisme, noch 't fascisme (door verwaarlozing van éen of meer van de drie kern-zaken, zie boven zulk een optimaal leefklimaat hebben weten te scheppen. Samenvattend: 'De overheidsbemoeienis moet zeer groot zijn, op 't communistische af, op sociaal-economisch gebied betreffende de leefconditie van de burger. Die overheidsbemoeienis moet groot zijn, maar zichzelf opheffen in zorg voor de vrijheidsrechten van de mens. En die bemoeienis moet verregaand terugtreden op wereldbeschouwelijk, cultureel gebied. Al mag ook daar geen totale liberaliteit heersen' (blz. 111). Waar dat alles dan op gericht moet zijn? Daar gaat de schrijver op in in een apart (het vijfde) hoofdstuk: Doeleinden. De koek moet zo eerlijk mogelijk verdeeld worden (sociale gerechtigheid) en dat brengt zorg voor zwakken, achtergestelden en onkritischen met zich mee. Het laatste gedeelte van het boek (over Politiek) gaat in op de vraag, langs welke weg wij in een democratie (waar overigens welbewust voor gekozen moet worden) kunnen komen tot meer rechtvaardigheid en himianiteit. Er zijn strict democratische legitieme wegen (discussie, politieke partijactie, buitenparlementaire oppositie). Er zijn ook illegitieme vormen van protest (o.a. boycot en bezetting, deze alleen als allerlaatste redmiddel; directe .greep naar de macht). Maatschappij vernieuwing is in een redelijk goed functionerende politieke democratie zoals in Nederland noodzakelijk en mogelijk. Als dat de democratie zelf maar niet in gevaar, brengt door een dictatuur van een zogenaamde elite bv., die niet ophoudt om het systeem van de establishment verdacht te maken. Anarchie is een dodelijk gevaar. Het boek eindigt met een bespreking van drie figuren (Horney, Fromm en Marcuse), die alle drie ongerust zijn over de huidige maatschappij, maar geen van allen essentieel uitgaan van de ik-gij relatie, die prof. Roscam Abbing wezenlijk vindt. Marcuse moet zelfs eindigen in hedonisme (lust-ethiek).

Dit boek is bedoeld als een oriëntering in de vragen. Wij moeten de schrijver erin bijvallen, als hij zegt, dat het éen bleke indruk zal maken op allen, die uit beginsel willen schoppen tegen al het bestaande of elke utopie willen verheerlijken. Maar o.i. is dit boek, hoe voorzichtig de auteur ook tewerk gaat in zijn oordelen en critiek, ook op Bijbels-theologisch oogpunt bleek en zwak. Het wil appelleren aan het algemeen menselijke. 't Gaat daarbij uit van een ethische concensus (met behulp van zakenkennis, rede en algemeen ethos). 'ledere humane niet-christen', zegt Roscam Abbing, 'kan mijn betoog volgen en beamen'. 'Een christelijk, Bijbels mens-beeld is niet nodig, 't Gaat om de creatuurlijke basis van het door God beoogde mens-zijn'. In dat vat zal ook het christen-zijn zich kunnen ontplooien (blz. 29).

Het is dit uitgangspimt van het boek, dat ons tijdens het lezen telkens het gevoel geeft uiteindelijk met een humanistisch verhaal te doen te hebben. Niet alleen wordt 't theologische veelszins bedolven onder een berg van sociologische, psychologische en filosofische opmerkingen, maar ook wordt, waar het theologische aan de orde komt, kwalijke eer verleend aan een anthropologic, die wel appeleert aan algemene begrippen als gerechtigheid en humaniteit, maar niet zijn diepe wortels vindt in de door de bijzondere openbaring Gods ons verleende kennis van God de Schepper en Verlosser. Wanneer dat laatste meer het geval was geweest, zou er minder optimistisch gesproken zijn over de goedheid van de mens ('hij is goed, die hart heeft voor zijn medemens, die rechtvaardigheid nastreeft', excurs 2). O.i. zal een maatschappij-kritiek uit handen van een theoloog zich critischer opstellen dan in dit boek geschiedt, naarmate wij ons minder aansluiten willen bij algemeen menselijke gevoelens, maar van meetafaan op de wijze van artikel 36 onzer Nederlandse geloofsbelijdenis vanuit het Koninkrijk Gods willen denken. Komt de maatschappij, die prof. Roscam Abbing zich voorstelt, per definitie op deze wijze één stap dichter bij het koninkrijk Gods? Of moeten we, beducht voor het theocratische, dan maar blijven uitgaan van een dualistische twee-rijken-leer!? Een vurig pleidooi voor een ver doorgevoerde democratisering mag, theologisch gesproken, toch wel de nodige correcties ondergaan vanuit de theocratische grondgedachte.

De brede humanistisch getinte onderbouw van het boek remt op deze manier de waarlijk christelijke critiek op de maatschappij vervaarlijk af. Daarachter ligt trouwens de Bijbels onaanvaardbare positie van de schrijver in de algemene verzoening. Alle mensen zijn volgens hem, ook christelijk gesproken gelijk, omdat zij leven vanuit de relatie van de éne God tot allen. Allen zijn schepselen, geschapen naar Gods beeld — allen zijn zondaren, afgeweken en vervreemd van God, allen zijn in Christus verzoend met God, ook al hebben niet allen dat laatste ontdekt en aanvaard, (blz. 139).

C. den Boer

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's