Verschuivingen in de R.K. theologie II
Küng vóór en tijdens het Concilie
Voor het eerst heeft Hans Küng van zich doen spreken in 1957, toen zijn proefschrift verscheen, Rechtfertigung (Rechtvaardiging) geheten. Om twee redenen heeft dit proefschrift grote aandacht getrokken, in de eerste plaats om de inhoud ervan en in de tweede plaats vanwege een begeleidend-schrijven van Karl Barth, voor in dit boek opgenomen. Wat de inhoud betreft, Küng heeft in deze studie een poging ondernomen om met elkaar te vergelijken de rechtvaardigingsleer van Trente en die van Karl Barth, die — ten onrechte of niet — door hem gezien werd als de beste representant van de toenmaals reformatorische theologie. Bij een vergelijking alleen heeft hij het echter niet gelaten, hij heeft ook getracht beide standpunten naar elkaar toe te buigen. Het concilie van Trente zou eenzijdig zich tegen de Reformatie hebben afgezet, waardoor bepaalde aspecten van het rooms-katholieke erfgoed niet tot hun recht zouden zijn gekomen. Anderzijds, Barth zou in zijn afwijzing van de leer van Trente deze slecht benadrukte, evenwel toch aanwezige, positieve elementen over het hoofd hebben gezien. In feite zou er dus zo goed als geen verschil bestaan tussen de rechtvaardigingsleer van Trente en die van Barth, de rechtvaardigingsleer van Rome en die van de Reformatie.
In zijn begeleidend schrijven waarop wij reeds attendeerden heeft Karl Barth zijn verwondering uitgesproken over deze gedurfde interpretatie van de rechtvaardigingsleer van Trente. Zijn eigen rechtvaardigingsleer meende Barth door Küng correct te zijn weergegeven, of dat ook het geval was met de rechtvaardigingsleer van Trente durfde hij niet zomaar uit te maken, maar mocht dat wèl het geval zijn, schreef hij aan Küng, dan zal ik, die al tweemaal in mijn leven te Trente geweest ben, voor een derde maal daar heengaan, en, met het oog op de concilievaders van 4 eeuwen geleden, zeggen: patres peccavi! (vaderen, ik heb gezondigd). Barth voegde intussen er wel aan toe dat het hem niet gemakkelijk viel om in de leerbeslissingen van Trente nu precies datgene te vinden wat Küng er meende te kunnen uithalen.
Van verschillende, ook van R.K. zijde, is al spoedig na het verschijnen van dit boek beweerd dat Küng Trente teveel naar zich toe gehaald had, dat zijn interpretatie van de leerbeslissingen van Trente niet helemaal juist waren. Desniettemin, in allerlei populaire lectuur neemt tot op heden toe de mening, dat er tussen de roomse èn de reformatorische rechtvaardigingsleer nauwelijks enig verschil bestaat, een grote plaats in.
In de tijd dat het Tweede Vaticaanse Concilie werd voorbereid deed Küng opnieuw van zich spreken. In 1960 verscheen zijn Konzil und Wiedervereinigung (Concilie en Hereniging); het boekje werd vertaald en meermalen herdrukt. Küng wierp zich hiermee midden in de kerkelijke discussie van die dagen. Met grote vrijmoedigheid maakte hij zijn verlangens kenbaar. Aangezien er druk gesproken werd over een oecumenisch concilie en het daarbij al gauw vaststond dat stappen zouden. worden gedaan op de weg naar een eenheid van alle christenen, kwam Küng voor de dag met de slagzin: Hereniging door vernieuwing! De R.K. kerk, zo stelde hij, zou eerst zichzelf grondig moeten herzien, zich moeten vernieuwen, dan pas zou een hereniging der christenheid gaan behoren tot de reële mogelijkheden. Die vernieuwing zag Küng liggen op het terrein van de vormgeving van het kerkelijk leven, dus b.v. in de manier waarop paus en curie zich naar buiten presenteren, maar ook op het terrein van de geloofsleer. Allerlei in de schaduw gebleven R.K. inzichten, die juist in de niet-rooms-katholieke kerken geliefd zijn geworden, zouden volgens Küng op het concilie naar voren moeten worden gebracht. Pas dan zou de katholieke kerk worden wat zij toch altijd heeft willen zijn: een waarlijk katholieke kerk.
De woorden van Küng kwamen bij menigeen hard aan; in de situatie van die tijd klonken zij bijkans revolutionair. Zij schiepen verwachtingen ook buiten de R.K. kerk. Menig oecumenisch geïnteresseerde heeft zich aan de hand van Küngs geschrift een bepaalde verwachting ten aanzien van het concilie laten aanpraten; een verwachting die, zoals Küng thans zelf toegeeft, maar zeer ten dele in vervulling is gegaan.
In 1962, net in de tijd dat te Rome het concilie bijeen zou komen of al bijeengekomen was, verscheen van de hand van Küng een nog veel groter werk, getiteld Strukturen der Kirche (Structuren der kerk). Belangrijk in dit boek is al de inzet. Inplaats van de structuur van de kerk, te weten de R.K. kerk, af te lezen uit allerlei vroegere leeruitspraken of uit de bepalingen van het canonieke recht, zoals te doen gebruikelijk was, zette hij in bij enkele schriftuurlijke gegevens ten aanzien van de kerk. Hiermee kwam niet de hiërarchie op de voorgrond te staan maar de kerk als godsvolk. Een concilie kon in deze beschouwing niet anders zijn dan een representatie van dat godsvolk. Zo kon Küng opnieuw bepleiten dat er ook leken het concilie zouden bijwonen en dat met het kerkvolk rekening zou worden gehouden. Noch het ambt van de bisschoppen noch dat van de paus tastte hij aan, maar wel omschreef hij het in die zin dat de beperkingen ervan scherp aan het licht kwamen. Zo stond hij uitvoerig stil bij de mogelijkheid van een schismatieke, ketterse en afvallige paus, en hij stelde de vraag, wat er in zo'n geval gedaan moest worden en wie er dan wat zou moeten doen. Hij kwam daarmee als vanzelf te spreken over de macht van een concilie en stelde de vraag of een concilie dan toch niet in bepaalde gevallen macht heeft boven een paus. Kortom, heel het boek mag worden gezien als een poging enkele starre structuren open te breken, een poging waar men van reformatorische zijde uiteraard weinig bezwaar tegen kon hebben.
Wat betreft Küngs houding in dit boek tegenover de Reformatie, zij getuigt van een verrassende openheid. Met veel waardering werd over Luther gesproken, niet voor het minst over Luthers leer van het algemene priesterschap der gelovigen. Intussen, Küng bleef duidelijk binnen de grenzen van zijn eigen kerk. Al spaarde hij haar de critiek niet, op haar bleef zijn theologie gericht. Zijn pleidooi voor een opnemen binnen de Catholica van wat er aan geloofsgoed leeft buiten haar, kan worden gezien als een poging aan de R.K. kerk nieuwe glans en glorie te geven. Al werd een woord als 'terugkeer' door Küng vermeden, de idee hield hij gestand. Men kreeg bij hem de indruk dat hij de kerk zag als het 'vaderhuis', een term die bij een ander duits theoloog, Heinrich Fries, openlijk gehanteerd werd, waartoe alle verloren zonen en dochters, waartoe dan ook de reformatorische christenen zijn te rekenen, te zijnertijd, namelijk wanneer dit huis in gereedheid is gebracht (de vernieuwing), zouden dienen weder te keren.
In verband met Küngs latere ontwikkeling is het van belang op te merken dat reeds in dit boek bij Küng een zekere aarzeling ten aanzien van het primaat en de onfeilbaarheid van de paus valt te constateren. Beide dogma's laat hij nog staan, maar hij toont er moeite mee te hebben.
Kort na de eerste, en ook weer na de tweede, zitting van het concilie verschenen er van Küng geschriften die een critische beoordeling gaven, een evaluatie, zegt men tegenwoordig. Een toon van teleurstelling is daarin soms niet te ontkennen. Küngs optimisme heeft inderdaad tijdend het concilie ook heel wat te verwerken gekregen. De figuur van Johannes XXIII waar hij zoveel van verwachtte verdween, Paulus VI kwam er voor in de plaats. Telkens grepen paus en curie in, als naar hun oordeel de progressieve meerderheid van het concilie te ver ging. Slechts met heel veel goede wil kon men in de besluiten die vielen, toch nog lichtpunten voor een vernieuwing van de kerk zien. Achteraf heeft Küng geoordeeld dat men van de zijde van de concilievaders veel teveel heeft toegegeven, men had het been strakker moeten houden. Bij de constituties, decreten en verklaringen van het Tweede Vaticaanse Concilie wil Küng thans niet meer blijven staan. Zij zijn hem te halfslachtig; waar dan nog bijkomt dat hun verwezenlijking in de praktijk van de kerk op zich heeft laten wachten. Dit gevoel van teleurstelling is stellig geen onbelangrijke factor geweest in de ontwikkeling die Küng de laatste jaren heeft meegemaakt. Wanneer hij thans zo openlijk zich keert tegen de pauselijke onfeilbaarheid heeft dit gevoel van teleurstelling, om niet te zeggen verbittering, daarin zeker een rol gespeeld. Zoals wij nog horen zullen heeft met name de encycliek Humanae vitae, over de geboorte-regeling, de emmer doen overlopen. Al wordt ook heden nog door Küng beweerd dat hij goed rooms-katholiek is, het is de vraag of hij zichzelf daarin juist beoordeelt. Wat Küng dan wèl is, dat is een andere vraag, die ons nog verderop zal bezighouden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's