De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ik hef mijn ogen op tot U

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ik hef mijn ogen op tot U

7 minuten leestijd

’HEERE, als ik uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o HEERE, behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in de toorn gedenk des ontfermens.' Habakuk3 : 2

Wachten op de Heere is geen passieve bezigheid, maar een zaak van de grootste activiteit. Velen verwarren wachten en afwachten. Alsof het wachten op het spreken Gods een luii en gemakkelijk leven zou betekenen. Niets is minder waar. De echte wachter op Sions muren ligt niet achterover in. een luie stoel, maar ligt voorover aan Gods voeten. Zo ook Habakuk. De profeet gunt ons een blik in zijn hart. Hij bidt. Wat is bidden? Is dat veel tot de Heere zeggen? Soms wel. Het hart kan zo vol zijn. Toch zit het niet in de lengte, maar in de diepte, Bidden is antwoord geven op het spreken van God. Wij zouden niets tot God kunnen zeggen, als Hij niet eerst tot ons gesproken had. Wel, de Heere heeft gesproken. Grote en vreselijke dingen. De oordelen Gods zijn op komst. Als een zware wals zullen de Chaldeeën over land en tempel komen. Zij die levend overblijven, zullen gedeporteerd worden. Dat is de rede die de profeet uit Gods mond gehoord heeft. En deze rede is hard, wie kan ze horen? Toch ergert de profeet zich niet. Hij vreest. Hij zwijgt. 'Zwijgt voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde'. Dat leert Gods genade: - zwijgend buigen onder het oordeel Gods. Dat wordt geleerd van de hoogste Profeet en Leraar die zwijgend stond voor de aardse rechter en daarmee tevens voor de Rechter van hemel en aarde. Die het oordeel aanvaardde, maar ook wegdroeg. Maar als Habakuk door genade het oordeel van God over land en volk aanvaardt, dan is hij voor één ding bevreesd. Neen, niet voor het oordeel zelf of voor de smart die het met zich meebrengt. Dat is alles verdiend. Hij vreest slechts dit: dat God Zich geheel zal terugtrekken van Zijn volk. Dat zal het allerergste zijn. Zijn God te moeten missen. Want Hem kan hij niet meer missen. Daarom is de aanspraak van zijn gebed zo treffend: HEERE. O God van Uw verbond. O God die trouw houdt tot in eeuwigheid. Dat duldt toch Uw glorie niet? HEERE, beschouw, herdenk Uw vastgestaafd verbond. Laat dat Uw hart tot ons in liefd' ontvonken. Kijk, dat is nu de' vrucht van die kinderlijke vreze voor God. Heere, neem me alles maar af, maar mag ik U dan overhouden. Want dat is voor eeuwig genoeg. Zijn er zulke profeten nog in onze tijd? De lucht is ook in onze tijd zwanger van de oordelen Gods. En er zijn genoeg profeten die brood eten door veelvuldig te gaan spreken over de oordelen Gods, vaak op zeer meewarige toon. Maar weten we wel waar we het over hebben? Habakuk weet het. Hij siddert en vreest. Maar dat niet alleen. Hij valt voor God in het stof van de verootmoediging. Hij reist niet stad en land af. Maar zoekt de stilte van de binnenkamer. En worstelt met God om God. Uw werk, o HEERE, behoud dat in het leven in het midden der jaren. Uw werk, o Heere. Want daar gaat het om. Al wat van mij zelf is, mag gerust verbranden in de vlammen van uw rechtvaardig oordeel. Aan al mijn werk kleeft zonde en schuld. In al mijn werk heb ik zo vaak mezelf op het oog. Al mijn werk schuift zo vaak over Uw werk. Vergeten we dat niet al te vaak bij al onze arbeid in Gods Koninkrijk? Je ontmoet soms een krampachtigheid in de ambtelijke arbeid alsof Gods werk ons werk is. Natuurlijk, God gebruikt ons werk voor Zijn werk. En toch is het waar: niet het werk door mij volbracht kan kerk of gemeente redden. Gij alleen. Daarom, HEERE, Uw werk, behoud dat in het leven. Uw werk. Dat aloude werk dat Gij bezig zijt te volvoeren in de loop der tijden. Dwars door alle . oordelen heen. IJw verlossingswerk. Het werk dat U als in een program samenvatte in de moeder van alle beloften: Ik zal vijandschap zetten. Dat beloofde zaad van de Messias. HEERE, laat dat niet wegspoelen in de golven van Uw toorn. Want als dat verloren gaat, is alles verloren. Als niet in het midden der jaren, als niet in de volheid des tijds Uw lieve Zoon wordt uitgezonden, hoe zullen dan zij die besloten liggen onder het oordeel van Uw wet, de aanneming tot kinderen verkrijgen? En zij die dat leven uit God mogen kennen, nemen het gebed van Habakuk over. Dat werk van uw genade, houd dat in het leven, o Heere. In mijn hart. In kerk en gemeente. Laat dat niet verdwijnen in het oordeel van verharding en verstarring. En midden in dit gebed, leeft de stellige zekerheid dat het niet verdwijnen zal. Het is immers Gods werk? Gods werk is niet te keren. Telkens mag het ervaren worden onder jongeren en ouderen. De Heere werkt nog. Nog steeds. Zijn Naam is immers HEERE? Hij laat toch nooit varen het werk van Zijn hand? En dat werk, dat heerlijk werk van Gods genade, maak dat bekend in het midden der jaren. Wie het zelf kent, gunt het ook een ander. Daarom, Heere, maak het bekend. Breng het tot openbaring. In gesprekken met mensen over het werk Gods merk je soms: daar leeft wat in dat hart. Het ritselt, zeiden de ouden vaak. Prachtige uitdrukking. In de herfst hoor je de bladeren ritselen. De wind speelt ermee. Soms hoor je de wind van de Geest blazen. Er is beweging. Alleen, het ligt vaak zo versluierd om allerlei redenen. Het komt er niet uit wat er in zit, in leeft. Heere, maak Uw werk bekend. Breng het tot voile ontplooiing. Want in UW eigen werk, wordt U verheerlijkt. Nee, dat kan niet om ons. Maar: in de toorn, gedenk des ontfermens. Uw toorn heb ik verdiend. Daar kan niets af. Maar dit blijft voor me over: ontferming. Uw Naam is toch: grote Ontfermer? Die Naam hebt u toch bekend gemaakt, opdat ik er op zou pleiten? Die Naam draagt toch de Heiland? Zijn bloed, heeft toch de hitte van Uw gramschap geblust? Heere, gedenk daaraan. Zie niet op mij. Dan is het een verloren zaak. Het kan alleen om Christus' wil. Wat Habakuk nog niet wist, weten wij. God heeft gedacht aan Zijn genade. Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt. Toen Christus hing tussen hemel en aarde. En midden in de vlammen van Gods toorn Zijn gezegende mond opende en riep tot Zijn Vader, moest Hij zeggen: Gij antwoordt niet, ik heb geen rust, ook vind ik geen ontfermen. Voor Hem geen ontfermen, opdat alle wezen bij God ontferming zouden vinden. En om dat werk van Gods ontferming over zondaren gaat het nu. Hebt u het gelezen, hebt u het gehoord? Deze rede: In mensen een welbehagen. Er komt een tijd dat bidden niet meer mogelijk is. Dan zal er in de toorn geen ontfermen meer mogelijk zijn. Dan zal er gebeden worden: Bergen valt op ons. Maar het zal niet verhoord worden. Maar zij die in hun leven op ontferming in Christus hebben leren pleiten. Zij die de wonderlijke vrijspraak van toorn en straf in hun hart hebben vernomen. Zij zullen 'op de wegen weiden en op alle hoge plaats zal hun weide wezen. Zij zullen niet hongeren noch dorsten en de hitte en de zon zal hen niet steken: want hun Ontfermer zal ze leiden'.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Ik hef mijn ogen op tot U

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's