Uit de pers
Bijbel-kerk-geweld
In het Gereformeerd Weekblad van 1 oktober geeft prof. dr. H. N. Ridderbos in de rubriek Van week tot week een bespreking van een opstellenbundel over oorlog en vrede, revolutie en geweld van het Interkerkelijk Vredesberaad verschenen naar aanleiding van de Vredesweek. Ridderbos wijst erop hoe de inhoud van deze bundel als positiebepaling en als informatiemateriaal aandacht verdient, ook na de Vredesweek.
Dat geldt m.i. ook voor het commentaar van de Kamper hoogleraar. Reden waarom we er graag uw aandacht voor vragen. De moeilijkheid van deze opstellenbundel is het feit dat er zoveel verschillende theologieën op de achtergrond meespreken. Een, pacifistische zienswijze kari samengaan met een pleidooi voor gewelddadig verzet tegen tyrannieke regimes. Inzake de visie op de bijbel en het beroep op b.v. Romeinen 13 treft men zeer verschillende zienswijzen aan. Terecht schrijft Ridderbos: Hoe je tegelijk principieel pacifist en pleitbezorger van revoluties kunt zijn ontgaat me. We citeren voorts uit dit artikel:
Bij prof. Verkuyl voel ik mij van ouds wel wat dichter bij huis. Maar ook als hij schrijft: 'Een revolutie is onwettig, onzedelijk, onverantwoord als ze niet gedreven wordt door waarachtige liefde tot God en de naaste', kan ik het niet meer volgen. De leiders van een revolutie moeten diep overtuigd zijn, dat de liefde tot God hen daartoe verplicht, aldus prof. Verkuyl. Dus enkel Christelijke revoluties, Gott-mit-uns-revoluties? Maar in welke wereld stelt prof. Verkuyl zich dan zulke revoluties voor? Ik stuit weer op een theologie, die ik niet deel. Is de hele wereld dan toch op de een of andere manier Christelijk, zodat ik, waar dan ook, daarop een beroep kan doen? En mogen ongelovigen dus nooit in opstand komen? Ik ben niet opgevoed bij de twee-rij ken-leer, wèl bij de leer van de algemene en de particuliere genade. Als ik dit cahier lees, stuit ik telkens weer op de behoefte aan zulk een onderscheiding. Het opstel van drs. Weterman komt er zakelijk het meest aan tegemoet. Doch hij werkt met andere dan theologische categorieën; hij wil bemiddelen tussen de meer 'realistische en de meer idealistische' stellingname. Ik kan mij in zijn opstel in menig opzicht goed vinden, maar zou die bemiddeling nu juist wel eens in bijbels licht gesteld willen zien!
Mijn aandacht voor dit cahier is dus niet zonder kritiek gebleven. Ik zou niet gaarne willen, dat deze als 'uit de hoogte' gegeven aankwam. De zaak waarom het gaat is zo zwaar en ontzagwekkend, dat men met het beroep op de Bijbel over en weer zeer voorzichtig moet zijn en dat men anderzijds elke poging om in deze dingen bijbels licht te ontsteken, wanneer dit in een geest van bescheidenheid gebeurt, moet waarderen. Het cahier toont (ten dele ook zijns ondanks!) aan, dat het thema Bijbel en Geweld bijna niet zonder veel vooringenomenheid behandeld kan worden. Men kan antwoorden, ik geef het toe, dat ook de kritiek zeer vooringenomen kan zijn. Toch schrijf ik het feit, dat het Vredesberaad het slechts in een zeer beperkte kring 'doet' en dat heel de door onze Synode ingestelde enquête bij de gemeentes een mislukking is geworden, toe aan het feit, dat de 'theologie' van de zaak de mensen niet duidelijk is. Ik denk ook niet, dat dit cahier aan die onduidelijkheid een eind maken zal. Dat wil niet zéggen, dat de mensen geen gruwelijke afkeer van oorlog en geweld hebben, en dat ze zich niet zouden willen laten beleren, dat 'God het anders wil'. Die 'theologie' kennen ze al. Het probleem dat overblijft, is hoe je, met het minste onrecht en het minste geweld op te roepen, er een dam tegen kunt opwerpen. En het is nu juist daarover, dat de 'theologieën' ondanks alle voorlichting nog niet convergeren. Hetgeen intussen gelukkig niet behoeft te verhinderen, dat de strijd tegen het onrecht en vóór de vrede, pax et iustitia, de stetui ontvangt, die daarvoor nodig is. Dat is de duidelijkheid van het gebod, èn van de belofte, die door alle onduidelijkheid van 'hoe het moet' blijven doorklinken: Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden. Zalig, die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Telkens weer blijkt hoe ingrijpend de ethische problematiek is. Een bijbels antwoord op de vraag inzake oorlog en vrede blijkt geen eenvoudige zaak te zijn. Op de achtergrond van (Èt alles staat de fundamentele vraag: Wat betekent de komst van Gods Koninkrijk voor het politieke, maatschappelijke en sociale leven? Luther en Calvijn, Kuyper en Hoedemaker — om slechts enkele namen te noemen — hebben er zwaar aan getild. De geschiedenis laat zien hoe op deze vragen verschillende antwoorden gegeven zijn. Dat moet ons inderdaad bescheiden maken. Al te dikwijls zijn bepaalde visies ten aanzien van de relatie: 'Evangelie en politiek' vereenzelvigd met de bijbelse waarheid. Maar de bescheidenheid mag ons niet ontslaan van de roeping in deze dingen na te denken. Gefundeerde voorlichting inzake de sociaal-ethische vragen is broodnodig. Hier ligt een taak voor de christelijke organisaties, maar ook de kerk en de theologie zal zich met deze vragen hebben bezig te houden. Het is te hopen dat er met name binnen de Gereformeerde gezindte, die toch ook in deze vragen ernst wil maken met het gezag van de Schrift wat bundeling van krachten komt om gezamenlijk de doordenking van deze vragen aan te pakken.
De kerk in een veranderende samenleving Over dit onderwerp sprak C. Timmer met dr. G. Dekker, godsdienstsocioloog aan de VU te Amsterdam. De vraag die in dit interview, opgenomen in Hervormd Nederland van 23 October, aan dr. Dekker gesteld werd luidde: Moet de kerk wel steeds reageren op de veranderende wereld?
Dr. Dekker stelt voorop dat de kerk een eigen boodschap heeft, die soms dwars tegen allerlei ontwikkelingen ingaat. Maar dat betekent niet dat de vormen van kerkelijk leven niet aangepast moeten worden bij de ontwikkeling in de samenleving. Er is een verschil van tempo tussen de ontwikkeling in de kerk en in de samenleving. Het gevolg is dat allerlei mensen in gescheiden werelden gaan leven. Als voorbeeld wijst dr. Dekker op de enquête onder CNV-leden, waarin meer dan de helft kerkgangers gezegd heeft, dat zij in het dagelijks leven niets kunnen doen met de zondagse preek.
Er is, aldus concludeert dr. Dekker dus iets mis met de zondagse kerkdienst. Als de bestaande kerkdienst faalt, dan moeten we omzien naar andere vormen van samenkomst om de relevantie van het Evangelie. voor het dagelijks leven te laten zien. Te denken valt aan gesprekskringen en kleine bijeenkomsten.
Wij zouden toch de vraag willen stellen: Kan men vorm en inhoud van elkaar scheiden en kan men zo argeloos als dr. Dekker doet, pleiten voor aanpassing in de vormen. Ongetwijfeld is het waar, dat vormen gevaar lopen te verstarren. Dat er op dit punt in de structuur van het kerkelijk leven allerlei is, dat om verbetering vraagt, zij volledig erkend. Ik denk b.v. aan de wijze van vergaderen, opzet kerkbodes etc.
Dat ook de preek als werkstuk onderhevig is aan het menselijk-beperkte, wie zal het ontkennen? Is het juist niet de taak van de homiletiek, de predikkunde, aan deze facetten mede aandacht te geven? Staat elke prediker niet gedurig weer voor de vraag: Hoe te preken in de wereld van nu? Dat is m.i. geen kwestie van onze tijd. Dat speelt in elke eeuw.
Maar daarmee is m.i. het eigenlijke nog niet gezegd. Mijn tegenvraag aan dr. Dek ker is: Kan men de vormen van het kerkelijk leven losmaken van wat de kerk naar haar wezen is? Brengt de bijbelse visie op het kerk-zijn geen eigen vormen met zich mee? Te denken valt aan het ambt, aan de structuren van de kerk. Wie erkent dat de boodschap van de kerk een eigen geluid Iaat horen, ongeacht samenlevingsveranderingen, kan er m.i. niet omheen ook voor de vormen van kerkelijk-bezig zijn hier de consequenties uit te trekken. Het eigen karakter van de boodschap schept eigen vormen. Ik denk aan het kerkelijk ambt? Gezien vanuit de veranderende maatschappij is het een onmogelijk iets! Maar vanuit de schriftuurlijke visie op het kerk-zijn een onopgeefbare zaak. In het ambt wordt toch uitgedrukt, om maar een ding te noemen, het tegenover van Christus t.o.v. de gemeente. Het gezag van het ambt draagt vanuit de inhoud van de boodschap der kerk een eigen karakter.
Dat betekent dat we ten aanzien van nieuwe vormen wat voorzichtig moeten zijn. Vorm en inhoud laten zich niet zo gemakkelijk scheiden.
Ik zou dit met name t.a.v. de kerkdienst willen laten gelden. Het is niet waar dat de bestaande kerkdienst alleen maar een bepaald cultureel gevormd element is, dat je in een veranderende maatschappij rustig kunt vervangen door b.v. gespreks-kringen, huissamenkomsten; ' Dan gaat men over op een inhoudelijk ander terrein.
Want in de bestaande kerkdienst, met zijn nadruk op de prediking, komt toch iets uit, dat de Here spreekt door middel van mensen en dat de activiteit der gemeente bestaat in het horen en gehoorzamen. In een gesprekskring is het de mondige mens die zijn inbreng geeft. Wie zegt: Vervang de vorm van de bestaande kerkdienst door een gesprekskring, doet een fundamentele ingreep in de relatie van het Woord van God tot de gemeente. Van de souvereiniteit van de Schrift, van het 'Spreek, Here, uw knecht hoort', blijft op deze wijze weinig over.
Dat voor de toerusting gesprekskringen etc. een goede functie kunnen hebben is zonneklaar. Maar nooit zullen zij mogen dienen als vervanging van of gelijkwaardig alternatief naast de prediking en de bestaande kerkdienst. Wij zouden dan iets voor de gemeente van Christus zeer wezenlijks prijsgeven.
Wankelende zekerheden en het geloof
Trouwens dat het om meer gaat dan om verandering van vorm blijkt uit het volgende deel van dit interview:
Vroeger wist men precies wat de waarheid was, zeker in liet geloof. Nu de wereld zo in beweging is gekomen zijn vaste zekerheden aan het wankelen gebracht. Wat moet de kerk daarmee?
'Hier raken we een belangrijk punt, zo niet het belangrijkste punt. Juist op het gebied van waarheid en geloof, is er enorm veel aan het veranderen op het ogenblik.
Het eerste wat wij misschien als kerk moeten doen is dat te aanvaarden. Wij zeggen dat de waarheid duidelijk is, dat zij toch vast staat en voor iedereen geldt. Wij willen eigenlijk niet weten van alle mogelijke onzekerheden en veranderingen die zich op dit punt voordoen. En daar komt ontzettend veel ellende uit voort, juist omdat op het ogenblik een heleboel mensen met die onzekerheden rondlopen en in de kerk daarom niet goed worden opgevangen. Als kerk moeten we proberen juist op die veranderingen op het gebied van de waarheid en het geloof in te spelen!
En dan moeten we maar eerlijk erkennen, dat er in het hele leven een enorme variatie is, juist door alle ontwikkelingen van de samenleving die plaats hebben gehad. We moeten ook erkennen, dat die variatie met zich brengt een zekere variatie in geloofsbeleving, indien tenminste het geloof te maken heeft met het dagelijks leven. Dan zul je zien dat allerlei verschillende situaties waarin we verkeren, consequenties hebben voor het geloof.
De socioloog Mannheim zei, dat er gelijktijdig ongelijktijdige dingen kunnen voorkomen. Daar bedoelde hij mee, dat in deze tijd er bijvoorbeeld mensen uit de 19e eeuw, uit de 20ste eeuw en mensen uit de 21ste eeuw kunnen voorkomen.
Dat zien we waarschijnlijk ook in de kerk op het ogeblik gebeuren en waarschijnlijk ook op het gebied van het geloof: mensen die alleen nog maar in nieuwe geloofsvormen denken, mensen die alleen nog maar in de oude geloofsvormen denken. Als we die variaties niet zien, dan zullen we de grote onzekerheid die er op het ogenblik ongetwijfeld heerst, ook nooit goed tegemoet kunnen treden.'
Ook hier zouden we willen zeggen: Natuurlijk is er variëteit in de geloofsbeleving. We zien dat in de Schrift zelf al. Maar dat betekent nog niet een toestaan van een pluriforme geloofsinhoud. In het betoog van dr. Dekker dreigt de inhoud van het belijden der kerk toch dusdanig verstrengeld te worden met de situatie, dat een veranderende situatie ook een verandering inzake de inhoud van de waarheid van het Evangelie met zich mee brengt.
Bovendien kan men vragen: waaraan denkt dr. Dekker? Aan allerlei ethische vragen b.v. inzake oorlog en vrede, medische ethiek, samenlevingsverbanden? Stellig heeft de kerk daar mee te maken! Stellig valt er vanuit het Evangelie iets over te zeggen. En inderdaad is op dit punt in onze tijd het aantal vraagtekens vaak groter dan een duidelijk omschreven mening. Maar mag men de verkondiging van: de kerk, de predikmg van het Evangelie reduceren tot deze ethische vragen? Ik zeg niet, dat dat dr. Dekker's bedoeling is. Ik meen wel, dat deze tendens in bepaalde sectoren van de kerk aanwezig is.
En betekent de verandering op het gebied van de waarheid dat je b.v. ten aanzien van de opstanding, de verzoening, de wederkomst rustig ruimte moet laten voor allerlei tegengestelde opvattingen, omdat dat evenzovele belevingen van het geloof zijn? Heeft de erkenning van de lichamelijke opstanding van Christus dan net zoveel recht van bestaan als de ontkenning? Is ook dat laatste een legitieme geloofsbeleving?
Alweer: Ook op deze vragen krijg ik in dit interview geen antwoord. Maar ik meen dat dr. Dekker het te simpel stelt als hij tegenover elkaar zet: oude en nieuwe geloofsvormen. Aanvaarding van de veelvormigheid inzake waarheid en geloof doet de onzekerheid eerder toenemen dan dat zij de geloofscrisis helpt overwinnen.
De opgave van de preek
Geen wonder, dat een en ander ook zijn consequenties heeft voor prediking en kerkelijk leven. We citeren uit dit interview
Is het dan wel mogelijk, mag je van een predikant eisen dat hij op zondag een preek houdt, die de hele gemeente kan aanspreken?
'Dat wordt een bijna onmogelijke opgave. Indien althans die preek de bedoeling heeft aan de mensen uit te leggen wat het evangelie op het ogenblik betekent in hun situatie. Dat wordt een onmogelijke opgave om dat voor drie-, vier-, vijfhónderd mensen tegelijk te doen. Gezien juist de brede variatie die er nu onder de mensen is.
Er is misschien nog wel een mogelijkheid voor een soort oerverkondiging van de oerelementen van het evangelie, maar het is onvoldoende en het zal zijn complement nodig hebben in allerlei uiteenleggen van de Schrift. In allerlei verkondigingen. In allerlei bezinningen rondom het evangelie, gedifferentieerd binnen de gemeente.'
Geven de kerken antwoord op die vragen door naar nieuwe oecumenische verbanden te streven?
'Ik ben bang van niet. Als we het huidige officiële oecumenische streven van de kerken zien, dan moet je vrezen, dat het resultaat alleen maar kan zijn, dat we een oude kerk op een verbrede basis krijgen.
Maar daarmee hebben we geen goed antwoord gegeven op de ontwikkelingen die in de samenleving plaats vinden.
Wat wij dan wel nodig hebben?
Dat is een vernieuwing van de kerk, met name in de vormen. Daar zullen we in de eerste plaats naar moeten streven. Dan is het mogelijk, dat er een oecumene ontstaat, geen formele maar een informele oecumene, waarbij menseij aan de slag gaan, elkaar vinden rondom het evangelie en nieuwe vormen uitwerken. Dan vinden ze elkaar ook wel dwars over de kerkgrenzen heen. Die kerkgrenzen zullen zij dan ook helemaal niet als zo belangrijk ' ervaren. Van die oecumene mag je wel wat verwachten: van de officiële oecumene niet zo bar veel.'
Kan het antwoord zijn: Geef de gemeente de ruimte?
'Ik denk dat het zeker een antwoord zal zijn. Juist gezien die grote variatie die er tegenwoordig is, zal het steeds minder mogelijk worden een uniforme oplossing voor alle vragen over kerk en geloof te vinden.
Het zou wel eens kunnen zijn, dat we inderdaad de gemeente de ruimte moeten geven omdat datgene wat op allerlei plaatsen spontaan ontstaat en vormen aanneemt, veel meer moet worden gezien als een echte uiting van kerkelijk en geloofsleven. Als zodanig zou het moeten worden opgenomen in het hele kerkelijk leven.
Dan moeten we niet alleen denken aan de plaatselijke gemeente. Ook dat kan, maar aan allerlei verbanden die eventueel dwars door plaatselijke gemeenten heen ontstaan, - oecumenisch of niet-oecumenisch, of in welke vorm dan ook.'
Hier wreekt zich mijns inziens de inbreng van de 'situatie' in het betoog van dr. Dekker. De vragende mens en zijn leefsituatie wordt in die mate van belang voor de inhoud van de prediking dat het bijna onmogelijk geacht wordt dat de predikant 's zondags de gehele gemeente met één preek kan aanspreken. Dr. Dekker wil dan nog wel een uitzondering maken voor enkele oerelementen. Maar je krijgt de indruk dat dan het wezenlijke nog moet komen. Wij voor ons menen, dat in wat dr. Dekker de oerelementen noemt, het wezenlijke van het Evangelie voor de mens van elke situatie gezegd wordt. Dat is primair de inhoud van de prediking. En dat Evangelie komt tot elk mens met de oproep tot geloof en bekering, ongeacht zijn milieu, situatie etc.
Ontken ik daarmee dat er allerlei vragen zijn die per situatie verschillen? Heeft een fabrieksarbeider geen andere probleemstellingen dan b.v. een arts of een bioloog?
Is er toch op dit punt niet een grote schakering. Wij zouden dit niet graag ontkennen. Maar wij menen dat we juist de prediking der verzoening, het hart van de kerk niet mogen opofferen aan de situatie. Dat er daarnaast een stuk vormingswerk en toerusting kan zijn waarin de gedifferentieerde leefsituatie ter sprake kan komen. Maar we zouden toch een onderscheid willen maken tussen de eredienst en — om een modewoord te gebruiken — het leerhuis. In catechese, gesprek en bezinning is er voldoende gelegenheid allerlei vragen, die samenhangen met totaal verschillende leefsituaties te bespreken. Daar kan ook de inbreng van deskundigen groter zijn.
Maar laat de kerk zich primair bepalen bij haar roeping: Predik het Woord, tijdig en ontijdig. Ook daar in 2 Tim. 4 : 2 is sprake van verschillende situatie. Maar de opdracht is dezelfde.
Het moet ons van het hart dat we het optimisme van dr. Dekker ten aanzien van het vormprobleem niet kunnen delen. Wat we primair nodig hebben is niet een vernieuwing van de vormen, maar een vernieuwing van het hart, een radicale bekering naar de Koning der Kerk toe. Dan zal de gemeente ook inderdaad gemeente mogen zijn in de ruimte van het Evangelie. Wanneer ze op de wijze van dr. Dekker de ruimte krijgt, vrees ik dat. de chaos eerder toeneemt omdat de verleende ruimte ten aanzien van nieuwe vormen etc. een heilloze 'inperking betekent van het gezag van de Schriftinhoud.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's