Mogelijkheden voor zendingswerk in Kenya
Noodgebieden
Het is voor velen geen onbekend feit dat het echte pioniersstadium van het zendingswerk in Afrika zo goed als voorbij is. De taak van de zending bestaat tegenwoordig veel meer uit assistentie bij de kadervorming van de kerk en de theologische opleiding. Vandaar dat er tegenwoordig steeds meer zendingspredikanten voor de opleiding en kadervorming, vormingsleiders en theologische docenten worden uitgezonden.
Dit wil echter nieï zeggen dat het pioniersstadium van de evangelieverkondiging volledig voorbij zou zijn. Dit is vooral in een land als Kenya Oost-Afrika nog zeker niet het geval. Dat zeggen we niet om hier romantiek over te bedrijven, want de werkelijkheid in deze gebieden is verre van romantisch; er is vaak meer van een noodsituatie sprake.
Zo is b.v. nog vorig jaar — 1970 — het zendingsechtpaar Van der Plas door de Gereformeerde Zendingsbond in de Ned. Herv. Kerk uitgezonden om in het verband van de 'Reformed Church of East Africa' als eerste zendingsarbeiders van deze kerk in het uitgestrekte gebied van Turkana in N.W. Kenya te gaan werken onder een stam, van wie nog slechts zeer weinigen het Evangelie hebben gehoord. Onder wie ook op medisch- en onderwijsgebied nog noodtoestanden heersen. Om over het bijna voortdurend voedselgebrek maar niet te spreken! We zijn echter dankbaar, dat het nog maar onlangs begonnen werk goede voortgang heeft en vele deuren worden geopend voor het Evangelie. Kerk en zending staan hier echter nog voor een immense taak, gezien ook het feit dat van de 200.000 Turkana's nog velen als Nomaden leven.
Dit geldt ook van een gebied als Oost-Baringo, van waaruit ons aan het begin van dit jaar een dringend verzoek om hulp bereikte. Dit gebied ligt ongeveer 120 km ten oosten van Eldoret en Plateau, de. centrale posten van de G.Z.B, in Kenya. Omdat het gebied in de veel lager gelegen, dus warmere rift-vallei ligt, ten oosten van het Baringo-meer, kan er vanwege de droogte zeer weinig verbouwd worden. Bovendien komt er veel malaria voor. Maar het zijn waarschijnlijk vooral de ontoegankelijke wegen, die zendingsarbeiders tot nu toe hebben afgeschrikt om daar het Evangelie te verkondigen en er zich blijvend te vestigen. Niettemin leven er tienduizenden mensen, die het Woord van heil en verlossing in Jezus Christus nog niet hebben gehoord. Tijdens ons eerste bezoek aan dit gebied — in maart van dit jaar — viel ons op hoe groot de openheid was voor de eenvoudige verkondiging van het Evangelie. Tientallen jaren geleden had de bekende zendeling van de Africa Inland Mission (Tom Collins) dit gebied te voet bereisd en er het Evangelie verkondigd, maar nog nooit is het er tot gemeentevorming gekomen. Niettemin 'zijn er' — zouden we kunnen zeggen — 'de velden wit om te oogsten'. Ook medische voorzieningen zijn er eigenlijk niet voor handen. De dichtstbijzijnde polikliniek of het dichtstbijzijnde ziekenhuis is voor de meeste mensen 60 a 100 km verwijderd, terwijl vervoer geheel ontbreekt. Ik moet nog bijna dagelijks denken aan de woorden van één van de oudsten, die bij ons vertrek uit dit gebied zei: 'Ik hoop niet, dat u, zoals zovele bezoekers vóór u, een uitvoerig rapport schrijft, totdat over enkele jaren weer een groep komt, die hetzelfde doet, maar ondertussen blijven wij in dezelfde noodsituatie verkeren'.
Dergelijke woorden vergeet je niet meer. Ze komen geregeld bij je boven. Ze vormen een uitdaging! Vandaar dat ik meende, dat ik ze u ook niet onthouden mocht. Inderdaad waren er op deze plaats enkele jaren geleden enige 'missionaries' geweest, hadden er een school geopend en er een onderwijzer heen gebracht, maar waren sindsdien nooit meer weergekeerd. Zou er dit keer een deur voor de Evangelieverkondiging worden geopend? Op het ogenblik ziet het er niet naar uit. De Gereformeerde Zendingsbond ziet namelijk, gezien de begroting, tot haar spijt geen kans om dit werk ter hand te nemen. U hebt er recht op, dat u ook van dit feit op de hoogte wordt gesteld, opdat u nog konkreter en des te bewuster zoudt kunnen meeleven.
Dankbaarheid
Er is grote dankbaarheid ook in de 'Hervormde Kerk van Oost-Afrika' voor wat er gedurende de laatste jaren mede door de bijdrage van het thuisfront van de Gereformeerde Zendingsbond in Nederland is tot stand gekomen. We denken niet alleen aan het vormingscentrum in Eldoret, dat dezer dagen zal worden geopend en dat een geweldige steun kan betekenen bij de opbouw en toerusting van de leiding en de leden van de nog jonge Afrikaanse kerk, maar ook de ' Evangelistenschool in Plateau, die nog in aanbouw is, maar waar nu reeds 32 studenten een tweejarige kursus volgen, welke daarna op nieuwe en reeds bestaande posten het levende Woord zullen gaan verkondigen. We denken ook aan het nieuwe ziekenhuis — annex kraamkliniek — in Plateau en de Middelbare School in Eldoret en de benoeming van dr. H. Goedhart aan de Verenigde Theologische School in Limuru, aan het werk in Turkana etc. Zo zou ik nog enige tijd door kunnen gaan. Al dit werk kon begonnen en voortgezet worden mede dankzij het gebed en de milde gaven van de zeer vele meelevenden aan het thuisfront, welke vaak veel tijd, moeite en offers getroosten voor het werk der zending. Boven alles was het God, die het gebrekkige werk wilde zegenen, harten en handen bereid maakte. Zo mogen we ook dankbaar vermelden dat de bijdrage van het thuisfront nog jaarlijks aanzienlijk toeneemt.
Bij dit alles is er in de verste verte geen enkele reden tot zelfvoldaanheid. Integendeel we moeten er ten diepste van doordrongen zijn, dat we slechts onnutte dienstknechten zijn en dat het slechts God is Die de bereidheid, de krachten en middelen gaf. Het bovenstaande doet ons nog veelmeer afvragen, of we inderdaad datgene gedaan hebben, dat God naar Zijn Woord van ons billijk vraagt, met name als we letten op noodgebieden als Turkana en Baringo en de grote zegeningen en welvaart, welke God ons nog in overvloedige mate geeft in Nederland.
Boven alles is het bovenstaande reden tot bezinning op de vraag, of we als gemeente in Nederland reeds werkelijk 'zendings gemeente' hebben leren worden. Vooral als we letten op het feit dat de begroting van de Gereformeerde Zendingsbond op het ogenblik een groot tekort vertoont, zodat het gevaar bestaat dat dit of volgend jaar reeds veel arbeid geen doorgang kan vinden, laat staan dat er nieuw werk in een gebied als Baringo aangevat kan worden.
Bezinning
Wat maakt een gemeente werkelijk zendingsgemeente? Wanneer is onze bijdrage aan het zendingswerk echt 'verantwoord'? Dit zijn zeer wezenlijke vragen, die ons steeds weer tot bezinning roepen over de vraag of we het zendingsbevel van Jezus Christus, dat Zijn gehele Kerk geldt, wel hebben opgevolgd.
Dat het hier niet allereerst een financiële aangelegenheid betreft, maar boven alles een zaak van geloof, gehoorzaamheid en gebed, moet ons dagelijks weer geleerd worden. Ik moet hierbij denken aan de woorden, die ik dezer dagen las van de bekende China-zendeling Hudson Taylor: Bij de studie van Gods Woord leerde ik, dat het voor het verkrijgen van zendingsarbeiders niet nodig was, uitgebreide oproepen om hulp te doen uitgaan, maar allereerst ernstig gebed tot God, dat Hij arbeiders uitzendt en daarna de verdieping van het geestelijke leven van de kerk, zodat de jonge mannen niet langer thuis zouden kunnen blijven. Ik ging zien, dat de werkmethode van de apostelen niet was, zich mogelijkheden en middelen te verschaffen, maar er op uit te trekken en het werk aan te pakken, vertrouwende op de vaste belofte van Hem, Die gezegd had: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn Gerechtigheid en al deze dingen zullen u toegeworpen worden (Matth. 6 : 33)'. Taylor had door gebed en dagelijkse studie van Gods Woord leren beseffen', hoe de diepste nood van de wereld opgevangen werd door de volheid van God.
Kennen we reeds als gemeente en gelovige dit vaste vertrouwen en daarom het dagelijkse ernstige gebed tot God voor de voortgang van het werk in Zijn Koninkrijk? Door dit gebed wil God Zijn wonderen werken op het zendingsterrein zowel als op het thuisfront, zodat we gaan beseffen de inhoud van de woorden uit Psalm 46 : 11: Laat af, en weet, dat ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de heidenen. Ik zal verhoogd worden op de aarde'.
Dat gebed van een biddende gemeente doet harten bekeren, maakt een gemeente werkelijk zendingsgemeente, maakt de gemeente ook bewust van het feit dat niet wij, maar de Here de eigenaar is van al het zilver en goud in de wereld en het vee op duizend bergen (Haggai 2:9). Want bestaat er niet een levensgroot gevaar ook voor de christelijke gemeente in 1971, dat we als gelovige — als gemeentelid, predikant en ambtsdrager ('niemand uitgezonderd) — meegesleept worden door een verwoestend materialisme, dat heel het Westen in haar knellende greep houdt? (In dit verband zouden u en ik allemaal eens eerlijk moeten nagaan wat we uitgeven voor eigen luxe: een huis of auto, in vrije tijdsbesteding of misschien zelfs in rookartikelen, alcoholica en cosmetica. Om slechts enkele cijfers te noemen: in 1969 werd in Nederland 850 miljoen aan cosmetica uitgegeven, vele miljarden voor rookartikelen.
Dit gebed om de Heilige Geest geeft milde harten, zoals we dat weten van de eerste christengemeente na Pinksteren in Jeruzalem: 'er was grote genade over hen allen. Want er was ook niemand onder hen die gebrek had. Want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten de prijs van de verkochte goederen en legden die aan de voeten der apostelen. En aan een ieder werd uitgedeeld naar dat elk van node had (Handelingen 4 : 33—35)'. Wordt deze grote genade wel voldoende onder ons gevonden? Het woord 'want er was ook niemand onder hen die gebrek had' mogen we toch niet alleen tot onze eigen gemeente en eigen omgeving beperken sinds we na Pinksteren zendingsgemeente zijn geworden?
Ik moet nog denken aan het woord dat ds. Hovius bij zijn afscheid als voorzitter van de classicale zendingscommissie van Dordrecht vorig jaar op een zendingsavond sprak: 'Betekent het gebod van God 'hebt uw naaste lief als uzelf' ook niet in geestelijke zin dat we onze 'verre naaste' op het zendingsveld even lief moeten hebben als onszelf, wat in letterlijke betekenis zal moeten inhouden dat we voor onze eigen plaatselijke gemeente niet meer mogen uitgeven dan voor de zendingsgemeente overzee? ' Of liever gezegd dat we als gemeente in Nederland evenveel voor het zendingswerk zouden moeten geven als voor eigen plaatselijke gemeente? Ds. Hovius wist van verschillende gemeenten in Noord-Amerika waar dit gebeurde. Gaat u het in uw eigen gemeente eens na? In het geheel van de Ned. Herv. Kerk is dit nog geen 5 pct. i.p.v. 50 pct. Dit laat ons zien, dat het hartelijk meeleven met de zending vaak slechts te vinden is bij een klein gedeelte van de gemeente, en de zending in het midden van de gemeente dikwijls nog een stiefkind is in plaats dat het een centrale plaats inneemt.
Is het daarom niet van levensbelang dat we ons allen — ook als kerkeraden, predikanten en ambtsdragers — ten nauwste onderzoeken of ook wij er niet debet aan zijn dat het zendingswerk nog niet die plaats in het midden van de gemeente inneemt, welke het naar het bevel van Christus in zou moeten nemen?
Vooral als we zien op de grote mogelijkheden, die ook aan zendingswerk van de Gereformeerde Zendingsbond in Kenya zijn gegeven, komt de dringende vraag op ons af: mogen deze ongebruikt blijven?
De woorden van Jezus: 'De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; daarom bidt de Here des oogstes, dat Hij arbeiders in zijn oogst uitzende', gelden wel in het bijzonder de situatie in Kenya. Moge daarom de Geest van het gebed ons, zowel jongeren als ouderen, van dag tot dag bezielen, opdat we ervaren wat het betekent in woord, gebed en gave werkelijk zendingsgemeente te zijn, en wat het betekent dat God dagelijks uit Zijn volheid al het nodige wil schenken. Voor Hem is niets te wonderlijk!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's