Uit de pers
Reacties op het Getuigenis
Wat te verwachten viel is ook gebeurd. Het Getuigenis heeft vele pennen in beweging gebracht en is in de kerkelijke pers op allerlei wijze besproken. Lof en critiek wisselen elkaar daarin af. Al zijn er scribenten van wie men het gevoel krijgt dat zij niet eens een ernstige poging ondernemen om naar de inhoud en de bedoeling van dit schrijven te luisteren. Bij voorbaat worden Van Niftrik CS. als onruststokers veroordeeld. Ik meen dat zulken maar niet moeten klagen dat de verscherping van de tegenstellingen toeneemt. Zij doen er nl. zelf het hardst aan mee. Het blijkt telkens weer dat een veelgeprezen oecimienische houding met sympathie voor humanisten, atheïsten, aanhangers van andere godsdiensten etc. samengaat met een stuk onverdraagzaamheid jegens hen die blijk geven van hun verontrusting en bezorgdheid ten aanzien van de prediking en het kerk-zijn.
Gelukkig zijn er ook anderen die proberen hun critiek op positieve wijze te uiten. In Hervormd Nederland van 16 oktober treffen we een reactie aan van ds. F. H. Landsman. Deze brengt naast zijn waardering zijn critiek als volgt onder woorden:
Alleen: is het werkelijk waar dat deze miskenning van de heiligheid van God, dat deze verabsolutering van de mens en van zijn aardse werkelijkheid, dit afgestompt zijn voor elk besef van Gods vrijmacht en verhevenheid boven de wereld, dit doen opgaan van het Evangelie in het evolutieproces, het proces van de menswording van de mens, alleen is te vinden bij, of typisch zou zijn voor hen, die het Rijk Gods vereenzelvigen met radikale politieke wensdromen? Heeft de begrijpelijke en te rechtvaardigen afkeer van de schrijvers van veel hol gepraat over de omverwerping van de huidige politiek en maatschappelijke structuren, hun blik niet te zeer verengd? Alsof een mens ook niet zonder het heil van een wereldrevolutie te verwachten en Jezus Messias daarbij als één van de koplopers in te schakelen. God kwijt kan raken aan de pseudo-wetenschappelijke wanen van deze eeuw! Daarom ware het ons liever geweest' als in dit 'getuigenis' de geestelijke situatie wat genuanceerder was uiteengezet.
Dat dit niet is gebeurd, is te meer te betreuren, omdat niet uit dit getuigenis blijkt, althans niet duidelijk genoeg, dat de schrijvers, al wijzen ze een pseudo-evangelische humanistische ideologie als basis van poUtiek radicalisme af, niettemin van mening zijn, dat ook echte, evangelische bewogenheid, die niet ervan droomt dat wij mensen het Koninkrijk Gods op aarde kunnen en willen oprichten, kan leiden tot een scherp en radicaal verzet tegen schending van menselijke waardigheid, tegen uitbuiting, rassendiscriminatie, oud of nieuw kolonialisme, communistische of fascistische dictatuur, tegen technologische en militaire zelfvernieting van de mensheid.
Ik meen dit met te meer nadruk te moeten zeggen, omdat het gevaar niet denkbeeldig is dat zinnetjes als 'wel klinkt in de bijbel het protest tegen duidelijk aanwijsbaar onrecht in de samenleving' en 'al is het' waar dat de orthodoxie het christelijk geloof wel eens heeft vereenzelvigd met een conservatieve ideologie' over het hoofd worden gezien. Dat kan ook gemakkelijk omdat ze in het verband waarin ze staan van elke appellerende betekenis zijn ontdaan.
Men zou kunnen antwoorden: Wanneer een getuigenis dat bovendien beperkt van omvang is een dusdanig genuanceerd geluid zou geven als ds. Landsman wil, komt de eigenlijke bedoeling dan nog wel over? Natuurlijk zullen we op onze hoede moeten zijn voor onzuivere tegenstellingen en posities. Maar een profetisch protest is nu eenmaal altijd eenzijdig. Versta mij goed: Het is echt niet de bedoeling dit getuigenis op één lijn te plaatsen met de profetie uit het Oude Testament. Wel meen ik dat iets van de profetische bewogenheid erin doorklinkt. Dat maakt juist dit getuigenis zo waardevol. In de nadere bezinning is m.i. genoeg gelegenheid om bedoelingen te verduidelijken en eenzijdige reactieve elementen te voorkomen.
Maar er kan een tijd zijn dat men bewust toch wat eenzijdig moet spreken. Omdat het niet gaat om een 'enerzijdsanderzijds', maar omdat de inhoud van het Evangelie op het spel staat.
In het Geref. weekblad van 15 oktober schrijft prof. dr. H. N. Ridderbos
Ik heb niet lang geleden in deze kolommen op soortgelijke tendenzen gewezen, ten dele in bijna gelijke bewoordingen als thans in dit stuk geschiedt. Men zal daarom begrijpen, dat ik dit stuk in vele opzichten met diepe instemnjing heb gelezen en het gaarne ter overweging ook aan de lezers van dit blad aanbeveel (te verkrijgen door ƒ0, 40 over te schrijven op girorek. 164 57 64, t.n.v. C. Mackaay, te Utrecht). Toch — en dit moet ik er nadrukkelijk bij zeggen — zou ik niet gaarne zien, dat dit stuk ook in onze kerken de inzet werd voor een verder voortgaande scheiding der geesten. Niet alsof wij als gereformeerden niet bloot zouden staan aan dezelfde tendenzen, die in dit getuigenis zo scherp worden onderkend en aangewezen. Maar er zijn ook mensen, die de grootste gevaren voor de kerk ergens anders zien liggen dan de opstellers van dit stuk en die zich daarom — en niet vanwege hun geseculariseerd begrip van de Messias of van het Koninkrijk Gods — in dit stuk niet zullen vinden. Of zij in hün analyse gelijk hebben, betwijfel ik, maar ik zou daarom nog niet graag tot hen zeggen: tussen u en mij ligt dit Getuigenis en hier scheiden onze wegen. Dit neemt niet weg, dat ik van oordeel ben, dat hetgeen in dit getuigenis aan de orde is gesteld het hart van de kerk raakt en op een welsprekende wijze vertolkt wat in veler gemoed leeft.
Niemand zal een verder voortgaande scheiding willen bepleiten binnen de Gereformeerde gezindte. Maar positiekeuze is m.i. onvermijdelijk. En bovenal klaarheid inzake de vraag: Wat geloven en belijden, en vooral wat prediken wij?
Open brief van ds. J. H. Grolle
Ds. Grolle heeft in Woord en Dienst van 23 oktober in een open brief zijn bevreemding er over uitgesproken dat men zo haastig dit getuigenis heeft laten uitgaan. Hebben confessionelen en rechtzinnigeh niet vaak verzuimd de volheid van de Schrift aan de orde te stellen? Ik citeer uit deze brief:
Hun eigen verkondiging werd daardoor steriel en saai. Zij lieten zich door de Modernen dwingen in een polair-tegengestelde positie. Zij vergaten daarbij de vraag: wat heeft de Reformatie, en vooral de reformatorische Kerk gedaan, of liever nagelaten, dat het Modernisme zulk ondiep geleuter voor christelijke prediking kon uitgeven?
Ik ben deel van de Kerk. Want wij zijn, allemaal samen, de Kerk. Als zulke uitwassen mogelijk zijn, wat heb ik dan verkeerd gedaan?
In het kort gezegd: ik vind het eenvoudig verbijsterend dat in Uw 'Getuigenis' ontbreekt de belijdenis van onze schuld, onze schuld, onze overgrote schuld.
Waarin is die schuld gelegen? Hierin dat wij uit de bijbelse Openbaring een verkorte bloemlezing hebben uitgekozen, namelijk die teksten, die in de historische situatie van de zestiende eeuw urgent waren, en toen bij uitstek moesten betuigd worden. Men vertelt van een boer op de Veluwe, die aan zijn zoon een statenbijbel naliet, waarin hij alle remonstrantse teksten had doorgeschrapt. Hoe oneindig veel rijker, dieper, gecompliceerder, omvattender is het bijbels getuigenis, dan zulk een bloemlezing.
De allereerste vraag moet luiden: hoe komt een deel van onze dominees aan zulk een zouteloze verflauwing, aan deze uitholling, verdunning, en daardoor omkering van het veelkleurige en alzijdige geheel der Openbaring? Antwoord: dat komt natuurlijk (en dit is zeer loffelijk) doordat zij de moderne wereld met haar vragen tegemoet en te hulp willen komen; maar dat komt ook (en dit is voor óns verootmoedigend) doordat zij de eenzijdigheden en verkortingen ten aanzien van de volheid van het Evangelie hebben opgemerkt, waaraan onze confessionele, orthodoxe prediküig jarenlang heeft geleden.
Ik noem één voorbeeld. U doelt midden op bladzijde twee op de ketterij van M. A. Krop: dood is dood. Maar waarom wordt niet erkend dat deze man vrijwel alle Psalmen aan zijn zijde heeft? 'In 't stille graf zingt niemand 's Heren lof.' De Psalmen bestreden het Egyptische heidendom, dat op een slimme manier de dood dacht te foppen, om aldus tóch dit aardse leven aan gene zijde onveranderd voort te kunnen zetten. De grond van Krop's protest (ik heb hem zelf niet gesproken) is kennelijk de Egyptische ketterij van vele orthodoxe mensen, die in graad van ernst zeer verre te kort schiet tegenover de ontzaglijke ernst die Krop met de vraag van de dood maakt, ik meen door eigen smartelijke levenservaring. Alleen door eerst volmondig: Ja, Krop te hebben gezegd, kan de Kerk triomfantelijk: Nee, Krop zeggen in haar jubellied over het Eeuwige Leven, dat oppermachtig boven de tijdelijke dood uitstijgt. En dan is, bij dit absolute overwicht van de Opstanding, de laatste vijand inderdaad maar een vijand-je, en de dood een dood-je. Maar dit gaat niet alvorens diep de hoed te hebben afgenomen voor de waarachtige ernst van de Psalmist en van al degenen die met hem aan de dood lijden.
Ik zou hetzelfde kunnen zeggen ten aanzien van alle onderwerpen die u aansnijdt. Het is — tegenover de 'revolutionairen' in de prediking, tegenover de 'humanistische' ideologieën, tegenover de oproep tot 'medemenselijkheid', tegenover het 'horizontalisme', tegenover het protest tegen de establishment — van ónze kant telkens hetzelfde lied: de schuld van onze eigen verschraling wordt niet erkend.
Toch ben ik niet verontrust over de toekomst van de Kerk. De Kerk verkondigt — globaal genomen — nog precies hetzelfde als in de derde en de vierde eeuw. Dat komt omdat de bijbel altijd met haar is meegegaan. Zij keert steeds weer van haar ketterijen terug. De rijkdom van de Openbaring wordt haar telkens te machtig. Alle aberraties zijn tijdelijk. Na vijftig jaar klinken zij belachelijk-verouderd. Maar de bijbelse Openbaring vergrijst nimmermeer. Tenslotte is wat wij ervan verwerken maar ondiep en oppervlakkig en verdund en verwaterd, bij deze overweldigende rijkdom vergeleken.
Dat geldt voor Dorothee Sölle, voor Ter Schegget, voor Krop, èn — ik noem deze namen expres in één adem met de eerstgenoemden — voor Van Itterzon, voor Jonker, voor Van Niftrik en de rest; èn voor: J. H. Grolle. Deze naam moet achteraan staan terwille van de bescheidenheid, maar moest vóóraan staan terwille van de waarheid. Ik graas nu zestig jaar in de weide van het Woord. Maar ik heb nog niet één müjoenste partje van zijn volheid ontdekt en verwerkt. Ik kan niet meedoen met uw polaire opstelling. Ik kan alleen maar klagen: wee mij, want ik ben een machteloze stamelaar. Altijd is God groter.
Altijd is Zijn Woord geweldiger.
Ongetwijfeld, God is groter en Zijn Woord geweldiger dan wat wij mensen ervan verstaan en doorgeven. Ongetwijfeld is het gevaar aanwezig dat we facetten van de Bijbelse boodschap onaangeroerd laten.
Maar het gaat in dat Getuigenis tegen de uitholling van het centrale van het Evangelie. Heeft de kerk terwille van de schapen niet de wacht te betrekken bij het Woord? Wat doet ds. Grolle met de bewogen oproep van Paulus in Hand. 20 : 28 inzake het opzicht over de kudde en de waarschuwing tegen de wolven?
En wat hij schrijft over ds. Krop vind ik bijzonder weinig overtuigend. Ik meen dat in het Oude Testament over leven en dood nog wel iets meer (en iets anders) gezegd wordt. De ernst van de dood erkennen is nog wat anders dan de stelling: dood is dood ten aanzien van de toekomstverwachting. Als dat de vrucht is van het Joodse denken wat ds. Grolle ons hier presenteert, vind ik het bijzonder bedenkelijk. Welke visie op de verhouding Oude en Nieuwe Testament schuilt hier achter?
Eerst een politieke belijdenis?
Zoals u weet is door een aantal theologen, onder wie ook dr. J. J. Buskes en de hoogleraren Strijd, Rasker, Sperna Weyland e.a. aan de schrijvers van het Getuigenis een uitnodiging gestuurd voor een gesprek. Deze uitnodiging luidde als volgt:
’U vraagt ons als belijdende christenen adhaesie te betuigen met het onlangs door u afgegeven getuigenis. Wij menen er goed aan te doen u nog eens de tekst voor te leggen, welke Karl Barth op 16 maart 1966 toestuurde aan de organisatoren en deelnemers van de manifestatie te Dortmund: 'Geen ander evangelie’.’
In vertaling luidt deze als volgt:
’Aan de 25 organisatoren en aan de 25.000 deelnemers van de grote manifestatie 'Geen ander evangelie' zou ik deze vraag willen stellen: bent u van plan en bereid een dergelijk "beweging' en een dergelijke 'manifestatie' op touw te zetten en te bezoeken: tegen het verlangen om het Westduitse leger met atoomwapens toe te rusten; tegen de oorlog en oorlogsvoering van de met West-Duitsland verbonden Amerikanen in Vietnam; tegen de steeds weer voorkomende uitbarstingen van een rabiaat (beestachtig, red.) anti-semitisme in West-Duitsland (grafschendingen); en vóór het sluiten van vrede tussen West-Duitsland en de Oosteuropese staten en erkenning van de sinds 1945 bestaande grenzen? Wanneer uw zuivere belijdenis van de naar het getuigenis van de Heilige Schrift voor ons gekruisigde en opgestane Jezus Christus dit met zich meebrengt en uitspreekt, dan is het een goede, kostbare en vruchtbare belijdenis.. Wanneer het dit niet met zich meebrengt en uitspreekt, dan is het met al zijn zuiverheid geen goede, maar een dode, goedkope, muggen ziftende en kamelen-verzwelgende en dus farizese belijdenis. Dit is wat ik te zeggen heb van hetgeen er op de 6e maart in de Westphalenhallen in Dortmund is gebeurd. Met een vriendelijke groet, uw Karl Barth.’
Wij hebben aan de brief van Karl Barth niet meer toe te voegen, dan dat wij u willen verzoeken in een aantal gevallen Nederland in te vullen waar West-Duitsland staat, terwijl de actualiteit van de laatste jaren ons noopt u te vragen of uw verontrusting ook betrekking heeft op: de opslag van kernwapens op Nederlandse bodem; de recente verhoging van de defensie-begroting; de onduidelijke houding van de Nederlandse regering ten opzichte van Zuidelijk Afrika, o.a. ten aanzien van de NAVO-partner Portugal tegenover Angola en Mozambique; de politieke en economische afhankelijkheid van Suriname; de positie van buitenlandse werknemers in Nederland; de EEG-politiek ten aanzien van de derde wereld.
Over deze punten, alsmede over de vragen die door uw getuigenis worden opgeroepen, zouden ondergetekenden gaarne een gesprek met u willen hebben. Met vriendelijke groeten... enz.’
In het blad 'Opbouw' lazen we van de hand van H. J. v. d. Kwast een behartigenswaardig commentaar op deze brief die we graag aan u doorgeven:
Het is duidelijk dat de uitnodigende theologen, onder wie dr. J. J. Buskes, en de hoogleraren Rasker, Miskotte, Sperna Weiland en Strijd, niet bepaald tot de supporters van het getuigenis behoren.
Opvallend is allereerst dat in de indirecte critiek op het stuk geen verwijzingen naar de Heilige Schrift of naar het belijden vem de kerk voorkomen.
In bewogenheid over de mensen, bij wie de woorden van de kerk niet meer overkomen, doet men toch goed niet uit het oog te verliezen dat er nog heel wat mensen zijn in ons vaderland, bij wie, een beroep op het Woord van God wèl overkomt. In plaats van een beroep op het door anderen blijkbaar misverstane evangelie wordt een tekst van Karl Barth op tafel gelegd.
Er wordt dus wel een 'theologisch-zwaargewicht' in het veld gebracht.
Aanstonds komt de vraag op of het juist is op een getuigenis in het jaar 1971 in de omstandigheden, waarin christelijke kerken in Nederland verkeren te reageren met een brief van de inmiddels overleden Karl Barth, geschreven in het jaar 1966 aan de organisatoren van de manifestatie 'Kein anderes Evangelium' in Duitsland.
Het is algemeen bekend dat Karl Barth de laatste jaren van zijn leven beslist niet ingenomen was met de moderne theologie, waartegen zich het getuigenis richt.
In het derde van de zeven punten keren prof. Van Itterzon c.s. zich tegen de gedachten over de vergeving van de Duitse theologe Dorothé Sölle en ik dacht dat Karl Barth niet bepaald verrukt was van de opvattingen van 'diese Dame'.
Daarom is het de vraag of het recht en billijk is de grote Barth op deze wijze in het geweer te brengen en ik vrees dat deze manier van reageren de verwarring eerder groter zal maken dan genezen. Het zal prof. Van Niftrik niet moeilijk vallen andere citaten 'van de grote theoloog uit Bazel in het midden te brengen en zo kan men een poosje voort. In dit opzicht hebben wij in de geschiedenis van onze vrijgemaakte kerken veel geleerd; wij weten hoe er met citaten gewerkt kan worden.
Men heeft niet volstaan met het stuk van Barth, er is een toepassing (vertaling zou men haast zeggen) aan toegevoegd, waarin een aantal politieke en sociale problemen wordt opgesomd, die in de gevraagde samenspreking in discussie moeten komen, met de vragen die het getuigenis oproept.
Als ik het goed begrepen heb, moeten de mannen van het getuigenis eerst een soort politieke belijdenis afleggen, die moet kloppen met hun kerkelijk belijden en mocht aan dit recept niet worden voldaan, dan zou de belijdenis niet goed maar farizees bevonden kurmen worden.
Dit laatste staat wel niet in de vertaling, maar ligt dacht ik in de verwijzing naar de brief van Barth wel opgesloten.
Zo kan duidelijk worden welke norm hier voor het belijden wordt aangelegd. Dit doet mij denken aan wat ds. G. V. d. Brink op onze predikanten-conferen-
tie in Spakenburg opmerkte over de crisis van het geloof in onze dagen. Veel mensen hebben moeite met het geloof en zijn daarin voortdurend aan het roeren in hun christen-zijn. Het is voor hen alsof het christen-zijn in de wereld van heden de locomotief is, die het geloof op gang brengt en inspireert.
Het resultaat daarvan is nieuwe moeiten omdat ons christen-zijn naar het getuigenis van de Schrift veel gebreken en ellendigheden vertoont.
Het geloof leeft dan ook niet uit onze goede werken, maar wordt gewerkt door de heilsweldaden van God in Christus Jezus. Het zijn deze weldaden die ons geloof levend houden, en inspireren en ons christelijk leven op gang brengen.
In de reactie op het getuigenis van de hervormde theologen valt een streven op te merken, waarbij de keuze in politieke en maatschappelijke vraagstukken tot een norm wordt gemaakt, waaraan het belijden van christenen moet voldoen.
Terecht mag men de werken ook ten aanzien van maatschappelijke en politieke stellingname niet buiten beschouwing laten. Geloof zonder werken is dood. Maar mag men de opstellers verwijten dat zij politiek niet geïnteresseerd zijn? De scribent in Opbouw wijst terecht op de stellingname in politicis van prof. Van Niftrik en hij meent dat in de hierboven geciteerde brief de zaak van het christenzijn in de politiek wordt scheef getrokken.
Mensen, die op grond van hun geloof in het evangelie hebben gekozen b.v. voor de A.R. of de C.H. worden, waarschijnlijk geacht te behoren tot het establishment, dat zo snel mogelijk dient te worden afgebroken.
Wie namelijk het lijstje ziet, dat in het komende gesprek op het agendum moet, merkt uit welke hoek de wind waait.
Want het is het bekende verhaal over: kernwapens, defensie, Z. Afrika, Angola, Suriname enz., dat we steeds weer voorgeschoteld krijgen.
Nu zou ik ook een aantal knelpunten in de Nederlandse en wereldhuishouding kunnen noemen, die niet minder dringend zijn, maar het is voor mijn betoog niet nodig.
Aangenomen dat het tot een gesprek komt, dan kan men voorlopig vooruit. Er komen ingewikkelde politieke en maatschappelijke zaken aan de orde. Wie verschaft daarbij de juiste informatie en kunnen die verzamelde theologen al die kwesties beoordelen en moet vervolgens naar de aldus te brouwen politieke stellingname de inhoud van het christelijk geloof worden beoordeeld?
Hier wordt, om het beeld van coll. v. d. Brink te gebruiken, het christelijk handelen de locomotief, die ons geloof gaat trekken.
Maar hoe wordt dan uitgemaakt of hier inderdaad sprake is van een christelijk handelen en niet van een stellingname die bepaald is door één of andere ideologie van menselijke wijsheid?
Van harte zijn we het eens met hen die stellen dat gelovigen christen moeten zijn in de politiek; dit is overigens helemaal geen nieuws, we hebben het van Groen van Prinsterer en Kuyper al geleerd.
We laten nu maar even in het midden of de kerk geroepen is tot politieke uitspraken, dat is een onderwerp apart.
Als er wordt gezegd: Er moet eenheid zijn van belijden en beleven, gaan we helemaal accoord.
Ook zijn we ervan overtuigd dat we in het koninkrijk Gods niet leven uit het bestaande maar in de verwachting dat alles nieuw wordt.
Ook willen we niet onder doen in bewogenheid over het leed van velen en zijn het er van harte mee eens, dat we best met wat minder welvaart toekunnen. Maar aan alle christelijke actie zal moeten voorafgaan dat de normen voor geloof en handelen liggen in het evangelie van onze Here Jezus Christus.
Over die normen spraken de broeders in hun getuigenis.
De beste dienst, die de kerk aan een verloren wereld kan bewijzen is duidelijk te getuigen van de levende God in Christus Jezus, Die alleen machtig is uit de nood te verlossen.
Ik meen eens bij Van Ruler gelezen te hebben dat de oproep tot bekering tot die God, de eerste, zo niet de énige dienst is, die de kerk aan de wereld heeft te bewijzen.
Tot zover dit sympathieke commentaar. Het is verheugend dat er binnen de Geref. gezindte zo'n grote aandacht is voor dit Getuigenis, dat velen ook buiten de Herv. kerk zich erin herkennen.
Het is vurig te wensen dat dit Getuigenis niet de weg gaat van zovele 'praatstukken' in de kerk. Want het gaat echt om meer dan een 'praatstuk'. Laat de kerk in al zijn geledingen er naar luisteren en zich er door laten gezeggen. Want het gaat niet om abstracte of eenzijdig toegespitste theorieën. Maar om datgene wat behoort tot de fundamenten der kerk. Dat men er critisch op ingaat, is het goed recht van elke lezer. Opbouwende critiek kan alleen de zaak maar dienen! Maar het zou een trieste zaak zijn voor het geheel van de kerk als de critiek zou fungeren als een soort rookgordijn om de ernst van de situatie te verhullen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's