Waarmee is onze kerk gediend?*)
Het Getuigenis
Als we hier vandaag bij elkaar zijn dan heeft de crisis van de kerk het volle accent. Alle kerken verkeren in een crisis, die ten diepste een geloofscrisis is. Maar vandaag gaat het ons speciaal om onze kerk. En dan is het goed dat we elkaar allereerst voorhouden dat we deel uitmaken van die kerk en dus lijden aan haar schuld, haar nood en haar verval. Ons past allerminst een verheffing boven de nood waarin onze kerk verkeert. Als het goed is zijn we op een geestelijke wijze bewogen over de ontreddering en de verwarring die er heerst. Bovendien zullen we nooit kunnen zeggen dat we staan buiten de schuld van de kerk. Schuldbelijdenis past ons voorzover we niet gesproken hebben waar we spreken moesten, voorzover we niet met woord en daad getuigd hebben waar het nodig was en voorzover we in — laten we dan maar zeggen — 'onze gemeenten' ook leefden beneden de maat van het evangelie. Maar we behoeven geen schuld te belijden voor ontwikkelingen in de kerk waartegen we van meet af aan hebben gewaarschuwd. En nooit behoeft schuld beleden te worden voor het feit dat we in de kerk opgekomen zijn voor een spreken en handelen in overeenstemming met de confessie. Integendeel. Zo'n schuldbelijdenis past alleen voor het niet leven in overeenstemming met het belijden der kerk. En dan moeten we met diepe zorg constateren dat onze kerk zich, in de brede stroom van het kerkelijk leven, vaak veraf beweegt van de religie van het belijden. Daarom was het Getuigenis nodig. Het Getuigenis, dat verschenen is en al zoveel beroering heeft gewekt in de kerk, was nodig omdat kernwaarheden van het evangelie, hoofdmomenten van het geloof der eeuwen in onze kerk — zoals ook in andere kerken overigens — zozeer omstreden zijn. Dit Getuigenis was evenwel niet gericht tot een déél van de kerk. Voorzover het de dwalingen betreft, die erin aangewezen worden, richt het Getuigenis zich inderdaad tot een déél van de kerk. Maar het Getuigenis als zodanig was gericht tot de gemeente van Jezus Christus, tot haar bemoediging en met een appèl om op te staan tot de vreugde van het belijden van de 'vastigheden' van het geloof. Die 'vastigheden' worden enerzijds zonder meer omver geworpen en ingeruild voor het drijfzand van menselijke meningen en opvattingen. Anderzijds is het ook mogelijk dat die 'vastigheden' wel worden beleden maar niet worden beleefd, terwijl toch in de practijk de 'vastigheden' elders worden gezocht. Daarom een geestelijk réveil heeft de hele kerk nodig. We staan als kerk diep in de schuld en hebben niets minder dan een totale geestelijke opwekking nodig.
Dat betekent intussen niet dat we niet kritisch in de kerk zouden mogen staan daar waar we zien dat de kerk in haar uiterlijke gestalte wegen gaat, die met de roeping van de kerk strijden. Dat is zelfs geboden! En dan hebben we vandaag ook duidelijk de synode in het vizier.
We kunnen natuurlijk zeggen, de synode is de kerk niet, maar in de synode weerspiegelt zich toch wel het gezicht van de kerk. En daarom is er ons veel aan gelegen hoe de synode handelt en spreekt, omdat we beseffen dat beslissingen, die op de synode genomen worden, soms van ver-reikende betekenis zijn voor het kerkelijk leven. Wat dit betreft draagt de synode een grote verantwoordelijkheid. En we kijken momenteel vooral ook met spanning uit naar de komende synodevergadering. Wat zal de synode doen met het Getuigenis? De afgelopen weken hebben vele leidinggevenden in onze kerk met zoveel woorden te kennen gegeven het stuk af te wijzen — de een meer, de ander minder — ook waar het de fundamentele bijbelse noties raakt, die erin beleden worden. Zeer vele felle reacties zijn er op los gekomen, waaruit alleen maar blijkt dat het Getuigenis nodig was. Wat zal de synode er echter mee doen? De bespreking, die door de hoofdbesturen van onze Bond en van de Confessionele Vereniging met het moderamen van de synode gehouden is, heeft enerzijds wel lichtpunten te zien gegeven maar was toch anderzijds gekenmerkt door een zekere terughoudendheid en critische opstelling van de kant van het moderamen. Zal het straks ter synode ook zo gaan? Een zinnetje erbij en een zinnetje eraf, dan een herschreven stuk en tenslotte als praatstuk de kerk in? Dan is de hartekreet, die met dit Getuigenis werd bedoeld, niet verstaan. Maar we dienen dan intussen wel te bedenken dat velen in de kerk met verlangen uitzien naar de dag dat de kerk, ook in haar ambtelijke vergaderingen, weer is wat zij behoort te zijn: een belijdende kerk, die zich in al haar handelingen onderworpen weet aan het Woord. De vele adhaesiebetuigingen op het Getuigenis liegen er niet om.
Wat niet? Waartegen richten zich onze bezwaren?
Zoals gezegd, kunnen we vandaag intussen niet om een aantal concrete zaken heen. Er is bij velen diepe bezorgdheid om concrete zaken, waarin de verkeerde koers van ons kerkelijk leven duidelijk naar voren komt. Laat ik beginnen met wat het meest vers in het geheugen ligt en wat ook als een agendapunt voor de komende synodevergadering is aangekondigd: het kosmokomplot. De opzet van dit weekend is genoegzaam bekend. Daarom gaat het ons nu om de vraag hoe het mogelijk is dat onze kerk telkens weer in opspraak wordt gebracht door zaken als deze. In de eerste plaats verraadt dit uiteraard de koers, waarin onze kerk terecht gekomen is. Met name worden we hier echter geconfronteerd met het bedenkelijke van stichtingen in de kerk, die een eigen leven gaan leiden. Prof. Van Itterzon schreef in het Hervormd Weekblad, dat zijnerzijds bij de tot stand koming van de kerkorde met klem gewaarschuwd is tegen het in het leven roepen van stichtingen. 'Een stichting is erger dan een vereniging. Ze heeft geen ledenvergadering, die het bestuur tot de orde kan roepen. Een stichting is doorgaans een instelling, die een eigen leven leidt, een eigen koers vaart en zich van niemand iets behoeft aan te trekken', zo zegt hij. Zo zijn er in onze kerk verschillende stichtingen, waarop de kerk als geheel nauwelijks vat meer heeft. Het IKOR, de Stichting Mechanische Registratie en Administratie (SMRA) en de stichting Kerk en Wereld. Over elk van deze stichtingen is al heel wat te doen geweest. Kerk en Wereld, die met de medeorganisatie van het weekend Kosmokomplot koos voor de politieke vereenzelviging van de kerk, voor de radicalisering inzake het denken over de verhouding van kerk en wereld. Dan het IKOR, met uitzendingen, die in flagrante strijd zijn met de roeping van de kerk, zoals b.v. uitkwam in de film 'Zoon des Mensen', de televisieserie 'Werken op Zondag' en de tendentieuze berichtgeving rondom kosmokomplot, culminerend in de radiodienst, die op zondag 19 september 1.1. gehouden werd ter inleiding van de vredesweek. Daarin was het alles 'actie' wat de klok sloeg, hetgeen gedekt werd met de term 'bekering'. Een Kosmokomplot in het klein. In feite onder medeverantwoordelijkheid van de synode.
De vraag rijst of dit alles mag blijven voortbestaan. Mogen deze stichtingen langer vrijuit hun gang gaan, terwijl in feite de kerk geen invloed meer kan uitoefenen op de gang van zaken? Er is alleen controle achteraf, bij een weinig voorstellende synodezitting, waarop het jaarverslag besproken wordt en desnoods wat grenscorrecties worden aangebracht. En dit is alleen nog maar het geval wanneer de stichting op één of andere wijze kerkordelijk geregeld is. Zodra het interkerkelijke stichtingen zijn, zoals IKOR, wordt het al helemaal moeilijk om er nog op enige wijze vat op te krijgen. Kort en goed ligt de vraag voor de hand of de kerk nog langer zichzelf in opspraak mag laten brengen door verantwoordelijkheid te blijven dragen voor stichtingen, die binnen haar boezem werkzaam zijn en die zich intussen presenteren op een wijze, die met het belijden van de kerk in strijd is.
Deze vragen klemmen vooral nu op de komende synodevergadering zowel IKOR als Kerk en Wereld op de agenda staan. Er komt zelfs een stuurgroep van Septuagint naar de synode om ƒ 10.000 te vragen voor het organiseren van een nieuw Kosmokomplotweekend. Het is dan ook wel duidelijk dat als de synode Straks èn over Kosmokomplot èn over het Getuigenis zal spreken, ze onmogelijk zal kunnen blijven steken in een houding van enerzijds-anderzijds. Het gaat nu om beslissingen.
Een tweede punt betreft de voorlichting door de officiële Hervormde kerkelijke pers. Jarenlang is van die zijde een zeer eenzijdige voorlichting gegeven. Het echte confessioneel geluid, dat wil zeggen een geluid dat met de confessie in overeenstemming was, werd zelden gehoord. En zo is jarenlang naar binnen en naar buiten een officiële koers van de Hervormde Kerk gepresenteerd, waarin een zeer groot deel van de kerk zichzelf niet herkende. En telkens als de kerk in opspraak kwam, b.v. door gebeurtenissen rondom IKOR of Kerk en Wereld, dan zorgde de Hervormde pers ervoor dat vertegenwoordigers ervan volop aan het woord kwamen, terwijl de kritiek of werd doodgezwegen óf door een redactioneel commentaar werd geneutraliseerd. De gevolgen bleven niet uit. Een geruisloze liquidatie is zich aan het voltrekken van b.v. Hervormd Nederland. Sinds 1951 bedankten 30.000 abonnees. En nu de kopbladen zijn weggevallen vielen nog eens 30.000 lezers weg. Momenteel verzet men de bakens wat. Dat is enerzijds verheugend maar dat betekent dat het blad dan aan een tweeslachtig karakter niet zal ontkomen. En wat intussen wèl te denken geeft is dat uitgerekend de kritische predikanten van de Septuagintgroep zich hebben ingezet voor het voortbestaan van Hervormd Nederland.
Een derde punt, waartegen wij ernstige bedenkingen hebben, is het bestaan van de vele raden en organen in onze kerk, die in diverse gevallen voorzien zijn van een vrijgesteld predikant, die met geld van de gemeenten worden betaald. Er zijn — dat moet vooropgesteld worden — ook goede organen van bijstand, maar in diverse gevallen houdt men zich bezig met iets nieuws te horen of te zeggen, of liever te schrijven in rapporten, die de kerk niet dienen maar integendeel in verschillende gevallen kerkondermijnend werken. Een rapport als Gemeentevormen en Gemeenteopbouw is het laatste dat we in dit opzicht te verwerken kregen. Kan de kerk het nog langer gedogen, dat verschillende vrijgestelden met het geld van de gemeenten hun hobbies kunnen uitleven, terwijl er van strikte gebondenheid aan het belijden van de kerk geen sprake meer is? Het moderamen van de synode stelde in de bespreking, die we pas hebben gehad, dat het Rapport Gemeentevormen en Gemeenteopbouw niet meer het rapport van ds. Kaptein is. Het is, aldus het moderamen, fundamenteel gewijzigd wat betreft de achtergrond. Afgezien van het feit dat dit, wat die achtergrond betreft, onjuist is, is ds. Kaptein toch maar jarenlang de motor geweest achter dit rapport en intussen reist hij nu de classes af om het rapport vanuit zijn visie toe te lichten, terwijl bovendien een door hem geschreven boekje zich publiekelijk aandient als de achtergrondsbelichting van het synodale rapport.
Nog één vraag tenslotte hierover: zou het niet sanerend werken wanneer bepaalde raden vervangen werden door deputaatschappen met onbezoldigde krachten?
Verontrustend is ook de gang van zaken op de synode. In de eerste plaats de samenstelling. We kunnen gevoegelijk zeggen dat de synode niet de kerk weerspiegelt. De classis Edam is even sterk vertegenwoordigd als de classis Gorinchem. De classis Alkmaar even sterk als de classis Brielle, de classis Eindhoven even sterk als de classis Gouda en de classis Amsterdam even sterk als de classis Harderwijk. En dan b.v. te bedenken dat in Noord Holland boven het IJ, ten westen van de E 10 in 40 kerkdorpen in totaal nog 1200 kerkgangers per zondag zijn, dat is 30 per gemeente. Is het dan billijk dat een classis in dit gebied even sterk in de synode vertegenwoordigd is als een classis met nog duizenden meelevende kerkleden? Wordt het niet tijd dat er een andere classicale indeling komt, waardoor de synode weer echt de kerk weerspiegelt? Zo als de zaken er nu voor staan móet er wel een kloof ontstaan tussen de synode en de meelevende gemeenten. De kerk weet zich niet vertolkt in het synodale beleid.
Bovendien roept de besluitvorming op de synode vele vragen op. Het komt maar al te vaak voor dat de bespreking van een rapport over een diepingrijpende zaak veel te laat aan de synodeleden voorgelegd wordt — enkele dagen voor de synodezitting — dat de synode er dan onvoldoende op voorbereid op in moet gaan en dat dan, na een wirwar van kritische vragen en opmerkingen, een uitgekiend voorstel wordt gelanceerd, waardoor de voortgang van de zaak in ieder geval verzekerd is, maar slechts hier en daar rekening gehouden wordt met de gemaakte kritiek. Wie de gang van zaken rondom het rapport Kaptein nauwkeurig nagaat, moet tot de conclusie komen dat het hier een zaak van enkelen betreft. De synode mocht amen zeggen op wat door enkelen was uitgedokterd. In feite wordt de synode vaak monddood gemaakt door de deskundigheid. De scherpe kritiek, die er b.v. t.a.v. het rapport Kaptein in brede lagen in de synode geweest is, wettigt het niet dat dit rapport thans toch in de kerk circuleert. We staan hier voor de vraag van de centralisatie van het beleid dat goeddeels in handen is van vrijgestelden.
Een heet hangijzer is de kwestie van de financiën. Ondanks de bezwaren tegen de verplichte bijdrage door de gemeenten i.p.v. door de leden aan de Generale Kas — op grond van de classicale consideraties mag gezegd worden dat méér dan de helft van de meelevende kerk niet achter de voorstellen stond om de bijdrage aan de Generale Kas verplicht te stellen — heeft de synode toch besloten deze verplichting aan de gemeenten op te leggen, mét sancties ten aanzien van het beroepingswerk. Opvallend was daarbij hoeveel synodeleden anders stemden dan hun classes considereerden, waardoor de vraag rijst of de synodeleden zelf nog wel vrijheid van handelen hebben in de synode, of anderzijds nog wel een juiste vertegenwoordiging vormen van de classes. De strop van de SMRA moest worden gedekt met geld uit de gemeenten. Geen bezuinigingen in de top, wel een lastenverzwaring van de gemeente, waarbij zelfs de voortgang van de prediking (!) in het geding werd gebracht. We hebben als hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond al enkele malen indringend hierover gesproken met het moderamen en aangedrongen op een totale herstructurering van de financiën van de Kerk, waardoor het ons mogelijk wordt gemaakt van harte aan het geheel van de Kerk bij te dragen. We zijn ervan overtuigd dat er gelden vanuit alle gemeenten nodig zijn voor bestuurlijke zaken. Maar de kwestie, die hier in het geding is, is het beleid. We hebben diepgaande bezwaren tegen vele doeleinden waarvoor de gelden, die vanuit de gemeenten worden betrokken, worden ge bruikt en tegen het ongeestelijke besluit van de koppeling aan het beroepingswerk. We hebben het moderamen met klem verzocht te bevorderen dat deze beslissing wordt teruggenomen.
Telkens wordt ons de noodzaak van het solidair zijn met de rest van de kerk voorgehouden. Maar intussen moet deze solidariteit kennelijk uit één hoek komen. Is het billijk deze solidariteit wel van ons te vragen, terwijl inmiddels door velen openlijk wordt uitgesproken, dat ze zich niet zullen houden aan de kerkorde maar dat ze naar eigen inzichten zullen handelen?
Als wij onze bezwaren kenbaar maken tegen bestedingen van de Generale Kas wordt ons herhaaldelijk tegengeworpen wat er allemaal niet uit deze kas wordt betaald. Kerk en Wereld wordt er niet uit betaald, zo luidde het laatst nog. Maar inmiddels gaat er ruim ƒ400.000 van de ƒ 2.000.000 weg aan de studentenpredikanten, terwijl nooit een studentenpredikant uit de rechterflank van de kerk wordt aangetrokken, zelfs in Utrecht niet. Verder gaan er flinke bedragen naar het vormingswerk, waarvan we in geen enkel opzicht kerkopbouwende activiteiten zien. Zo ook naar jeugdwerk, dat veelszins de directe band met de kerk al verloren heeft. Om dan nog maar te zwijgen over de vele kerkbouwsubsidies aan buitengewone wijkgemeenten in Hervormd Gereformeerde gemeenten.
Een volgend punt betreft de predikantsopleiding. Het vervult ons met grote zorg dat aan verschillende theologische faculteiten de inbreng van de sociologie en van de sociale wetenschappen groter dreigt te worden dan van de bijbelse theologie. De studenten worden dan meer opgeleid tot sociaal-werkers dan tot Verbi Divini Minister. Dat is ook merkbaar bij de practische vorming, waarbij in verschillende gevallen het sociale werk meer in het blikveld ligt dan de voorbereiding voor prediking en pastoraat.
Verder geeft het te denken dat het Hebreeuws, nodig voor het goed verstaan van de grondtekst steeds meer in het gedrang komt bij de opleiding. Bij dit alles speelt een rol het steeds minder in tel zijn van de bijbelse exegese. In Utrecht, vanouds de faculteit waar de meeste gereformeerde studenten hun opleiding ontvangen, kennen we bovendien nog de integratie van de Rooms Katholieke KTHU. Zal daardoor het Reformatorisch gehalte van deze faculteit ook niet steeds verdunder worden? Onze kerk is alleen gediend bij een gedegen bijbels-reformatorische opleiding. Daarom zijn we ten zeerste verontrust over allerlei tendenzen bij de opleiding van de predikanten. Dat moet namelijk gevolgen hebben voor de prediking. En de prediking is het meest centrale. Het manco in de prediking is in feite het diepste manco, waartoe alle andere verschijnselen, die ons verontrusten terug te brengen zijn. Wanneer we zien hoe verdund veler prediking in onze kerk is wat betreft het bijbels gehalte, dan ligt hier de worteloorzaak van de kerkelijke crisis die we doormaken. Ernstig is het te noemen dat veler prediking momenteel meer gedragen wordt door een bepaalde ideologie dan door het evangelie van Jezus Christus, de Gekruisigde en Opgestane.
Wat wel? Waarmee is onze kerk gediend? De kerk is gediend bij een prediking, die doorademd is van de totaal-inhoud van de Schrift en geladen is met de kracht van de Heilige Geest. Wanneer het met de prediking fout gaat versterft het geestelijk leven in de gemeente en blijft een dode romp over. Wil de prediking echt doortrokken zijn van de inhoud van de Schrift, dan zullen de predikanten — en dat is een andere factor die ik hier benadrukken wil — de bereidheid en de tijd moeten hebben hun preken grondig voor te bereiden. Een goede prediking vraagt Schriftstudie. De tijd, die een predikant op de studeerkamer doorbrengt om de prediking biddend en studerend voor te bereiden is goed besteed. Daarvoor zal de gemeente niet alleen begrip moeten hebben, want dat is te zwak uitgedrukt; daarop zal de gemeente eigenlijk zelf gespitst moeten zijn. Hoeveel prediking — ter rechter en ter linker zijde — is echter niet inhoudloos doordat de voorbereiding vanuit de Schrift en het belijden van de kerk eraan ontbrak. Wordt het wat dit betreft niet tijd dat de predikanten ontlast worden van maar al te veel functies, waarvoor men predikanten pleegt te vragen, die ook door niet-predikanten verricht kunnen worden? Datzelfde geldt trouwens voor bepaalde functies in onze kerk, waarvoor men predikanten vrijstelt, waarvoor men ook evengoed niet-predikanten zou kunnen aantrekken. Er worden predikanten aan het gemeentewerk onttrokken voor wat eigenlijk managers-werk is.
Ik wil in dit verband ook iets zeggen over de predikantenopleiding. Onze kerk is gediend met mensen, die zich van Godswege geroepen weten tot de Woordverkondiging. Daarvoor is nodig gebed in de gemeenten om roepingen tot het ambt. Verder is nodig dat de gemeenten zorg dragen voor de opleiding door financiële steun mogelijk te maken waar dat nodig is. Maar ook rijst de vraag of we als Gereformeerde Bond niet veel meer nog dan tot nu toe het geval is geweest zelf een bijdrage moeten leveren aan de opleiding, gezien de theologische verschraling, die aan de gang is. Er zijn heel wat mogelijkheden voor een extra begeleiding tijdens de studie van de aanstaande predikanten, b.v. in de vorm van lezingen, kringen of concio's. Verder rijst in dit verband nog de vraag of er niet dringend behoefte bestaat aan een studentenpredikant uit onze kring.
Dan, wat de financiën betreft, de Kerk is niet gediend bij een voortgaande lastenverzwaring van de gemeenten terwille van een structuur, waarbij de kerk taken aanvat, die niet in overeenstemming zijn met het wezen van de Kerk, alsook met haar reële omvang. Wel is de Kerk gediend met offers uit alle gemeenten terwille van de voortgang van de rechte prediking en de daarbij behorende taken, zoals pastoraat, catechese en evangelisatie. De vraag rijst of 'welvarende' gemeenten niet meer en meer zullen moeten inspringen voor noodlijdende gemeenten, waar momenteel toch deuren open gaan voor de gereformeerde prediking, in toenemende mate zelfs. Een adoptiesysteem mag hier wel overwogen worden. Moet bovendien niet, met inschakeling van de Bond voor Inwendige Zending, overwogen worden krachten beschikbaar te stellen in gebieden, waar van gereformeerde prediking in het geheel geen sprake meer is? De roeping ten aanzien van de inwendige zending is minstens zo klemmend geworden als ten aanzien van de uitwendige zending. We zullen veel meer dan tot nu toe het geval is gelden bijeen moeten brengen ten bate van het werk van de Inwendige Zending en ten bate van de gereformeerde prediking in de grote steden en andere noodlijdende gebieden. Daarbij rijst tevens de vraag of 'onze' predikanten niet meer zicht moeten hebben op gemeenten in kerkelijke noodgebieden. Er zijn diverse gemeenten, ook in de steden, die al jaren beroepen, zonder dat het resultaat heeft. Hier ligt een levensgroot probleem dat alle aandacht moet hebben.
Tenslotte nog iets over de ambtelijke vergaderingen. We zien de kerk afbrokkelen. Dat vindt zijn weerslag in de ambtelijke vergaderingen. Maar hebben wij zelf voldoende besef van de roeping, die er hier ligt? De kerk is gediend bij ambtelijke vergaderingen-waar op bijbels-reformatorische wijze gesproken en gehandeld wordt. Nu dreigt het gevaar dat we als gereformeerden, vanwege de minderheidspositie, die we moeten innemen, altijd defensief bezig zijn. De initiatieven worden van de andere zijde genomen en wij beperken ons tot het defensief. Moeten er niet veel meer initiatieven genomen worden vanuit de rechterflank om bepaalde zaken aan de orde gesteld te krijgen, waarvan we menen dat de kerk er mee staat of valt? Behoort dit niet tot de verbreiding van de waarheid in onze kerk?
En dient er ook niet veel meer beraad vooraf te zijn, wanneer op classes en in de synode belangrijke zaken aan de orde komen? Verder zou de kerk er ook mee gediend zijn wanneer vergaderingen van ambtsdragers van een gemeente zich buigen over zaken die in de kerk aan de orde zijn en ze zich officieel tot classes en synode richten om hun visie duidelijk te maken. Maar al te zeer komen de initiatieven, de adviezen, de vragen en de opmerkingen van links. Moeten we dan aan wat in de rechterflank van de kerk leeft niet veel meer stem geven?
Van ons mag verwacht worden dat we al het mogelijke doen om in het geheel van de kerk rekenschap af te leggen van ons belijden, van onze gereformeerde religie. Daarmee is de kerk gediend.
Tenslotte: Ten diepste is onze kerk alleen gediend bij een verlevendiging door de Heilige Geest, bij een geestelijk réveil. Dat behoeft niet te betekenen dat onze kerk weer opnieuw de volle breedte van het volk gaat omvatten, al zou dat wel verheugend zijn. Een verlevendiging kan ook plaats vinden in een kerk, die in feite een kleine kudde is temidden van een verwereldlijkte samenleving. Onze kerk zou er ten zeerste mee gediend zijn als ze de kramp om volkskerk te zijn, met vertakkingen naar alle terreinen van het leven, waar ze zich ambtelijk presenteert, zou kwijt raken om kerk te zijn in de echte zin van het Woord, Christusbelijdend, levend vanuit de Confessie en zich daarmee richtend tot degenen die buiten zijn.
*) Inleiding op forumgesprek gehouden op 6 november 1971 in de Domlcerk te Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's