Hoe lang?
’Here der heirscharen! hoe lang zult Gij U niet ontfermen over Jeruzalem en over de steden van Juda? Zacharia 1 : 12
Heeft de Here Zich dan niet ontfermd over stad en land? Zeker, een deel van het volk is teruggekeerd naar het land der vaderen, maar wat een klein deel! Zij genieten slechts een beperkte vrijheid, de toestand is nog allerminst rooskleurig. Alles wacht op de verdere uitwerking van het heilsplan Gods. In afwachting van Zijn grote daden. Weinige maanden geleden had Haggai geprofeteerd, dat de hele volkenwereld, dat hemel en aarde bewogen zouden worden en dat dit de voorbode zou zijn van een nieuwe tijd. Het had er even op geleken, dat die vurig gehoopte beweging, deining bijna, plaats greep, toen Darius' regering met onlust en oproer begon. Maar al gauw was het weer rustig; Darius werd de toestand spoedig meester. Het ganse land zit en het is stil. Komt het heilswerk dan nooit op gang? De voorbede van Christus brengt het aan de gang en houdt het aan de gang.
Want die wordt beantwoord. De Here der heirscharen zit niet stil. Hij ijvert over Zijn volk. Hij zal het in genade aannemen. Dat mag de engel van Zacharia overbrengen. Het zijn goede woorden, woorden boordevol van troost. Zacharia is geen toeschouwer. Hij is mèt zijn volk in de smeltkroes geworpen, daarin worstelt hij met vele vragen. De schrik slaat ook hem om het hart: Komt er dan niets van? Houdt moed! De Here maakt het goed.
Ik heb vannacht een gezicht gehad. Dat gezicht is niet slechts van betekenis voor de schamele gemeente, die toen in Jeruzalem woonde; het houdt zijn betekenis voor de kerk der eeuwen; de verborgenheid van het heilshandelen Gods wordt ons er door onthuld. Laat de veelheid beelden ons niet verwarren. Ons worden dingen duidelijk, die wij nauwelijks vermoeden. Hebben wij er de nodige belangstelling voor? We leven vaak zo oppervlakkig; we slaan de krant open, we draaien de knop van ons toestel om, het nieuws stroomt ons tegemoet. Maar hoe het er eigenlijk naar toe gaat in de wereld en waar het eigenlijk naar toe gaat, dat komen we niet te weten tenzij wij luisteren naar het woord des Heren. Stemt u wel eens af op deze golflengte? Of lijken wij op hen, die ten tijde van Zacharia, in Babel een rustig leven leidden, zonder zich zorgen te maken over Jeruza lem, zonder zich om het Woord des Heren te bekommeren?
Het laat ons dan onverschillig, of Gods beloften vervuld worden. Of leeft u niet bij die belofte? Mag ik u de eerste preek van Zacharia ter lezing aanbevelen. Die kwam in het kort hierop neer: Keert u weder tot Mij, zo zal Ik tot u wederkeren. Die zaak is eerst aan de orde! zo alleen wordt 't Woord van kracht, als een woord van oordeel en genade. Wie tot Hem wederkeert, desnoods als een geslagen hond, over hem maakt de Here Zijn woord waar: Ik zal tot u wederkeren.
Gods beloften falen niet, al fluistert men: het is al te stil. Alles schijnt in ons leven bij het oude te blijven. Er was een tijd, dat het er naar leek: de Here zal uw verwachting geven. Wat een goede tijd; er ging wat gebeuren. Sindsdien kwam het tot stilstand. Eigen schuld, verzucht een lezer. U stemt het toe, maar het troost u niet. Het kan u beangstigen: geen voortgang. Die stilte kan ons benauwen, de verwachting is vergaan. Hoe lang?
Dat is niet slechts de klacht van menigeen, die door eigen schuld in zo'n windstilte terecht kwam en de zeilen van gebed en geloof tevergeefs tracht te hijsen. Het is de klacht van de aangevochten gemeente: Heeft de Heer vergeten genadig te zijn, nam zijn goedertierenheid een einde van geslacht tot geslacht. Ziet het er niet naar uit, zit het. er niet meer in? Moeten wij onze dagen rekken in deze stilte, die onheilspellend mag heten. Here, tot hoe lang? En Gij Here, tot hoe lang, zo vragen de psalmisten, de voorzangers der gemeente. Zij roepen de naam des Heren aan, zij sporen, met eerbied gesproken, de Here aan om spoedig werk te maken van zijn woord en zodoende pleiten ze op dat woord.
Hoe lang nog? Dat is de klacht van Christus. Grijpt daarom moed. Hij pleit. Hij pleit voor een volk dat daar niet eens aan toekomst in laksheid en traagheid des harten. Christus verschijnt nog tussen de mirten. Hij weet wat er aan de hand is. Waar wij er ons, arren moede bij neerleggen, daar staat Hij op en roept. Dat breekt de stilte, die loodzwaar over de wereld hangt, en waar schepping en geschiedenis onder gebogen gaan. Dat dringt door tot de oren des Heren. Hij is de grote voorbidder, de middelaar van het verbond. Hoe is Hij in de weer, om het woord des Heren vervuld te krijgen. Ook heden is Hij daarmee bezig.
Wij schenden het verbond, en dat beneemt ons menigmaal de vrijmoedigheid. Hij is gegeven tot een verbond des volks. Hij weet van de toorn des Heren die ten volle verdiend is. Hij kent ook het hart van God, dat klopt voor Zijn volk. De gedachten des vredes, die Hij over hen denkt. Hij pleit op de ontferming, op de belofte, het woord der ontferming. Ziet u Hem bezig, dan is de zaak niet verloren. De zaak, in het woord gegrond, staat er goed voor al is alles nog stil. Hoopt op de Here! Hoopt op Christus, die ook voor ons bidt. Wanneer wij de gang maar niet kunnen krijgen en alles verstorven schijnt, doet Hij het herleven.
Dank zij die voorbede, vallen ons goede woorden in de schoot. De Vader hoort Hem immers en dat horen is verhoren. Hèm kan Hij niets weigeren. De woorden zijn vrucht van de voorbede. Ik zie hun wegen en Ik zal hen genezen, zegt de Here. Troost, troost mijn volk zal ulieder God zeggen. Dat is geen ledig woord, de inhoud wordt ons gaandeweg verklaard. Eén ding is reeds duidelijk: het kom't goed. De Here zal het voor mij voleindigen.
Christus in het midden van Zijn gemeente, die hunkert naar Zijn toekomst. In die toekomst zal de Here haar heil volmaken. Hunkert? Wat kan die gemeente de toekomst uit het oog verliezen. Ze maakt het zich gemakkelijk in de wereld en ze vindt het nogal dragelijk. Een stil en gerust leven, dan mag het blijven zoals het is. De engelen doen de ronde, wat vonden ze overal: De gehele aarde is volkomen rustig. En de kerk denkt: gelukkig. Maar dit heden is de heilstijd niet, en de heilstijd breekt niet aan, na lange rust, maar na hevige strijd. Het is soms zo stil in de wereld, ondanks al de onrust die er heerst. Waar is de beweging der volken, die de toekomst des Heren aankondigt? Waar is de gemeente, die daarnaar reikhalzend uitziet; die zich haast het evangelie te verbreiden, die zich gereed maakt Hem tegemoet te gaan?
Wanneer we vandaag iets van onrust door de wereld zien varen, wanneer de volken maar niet tot rust kunnen komen en het evenwicht der wereldmachten zo wankel is, zullen wij dan klagen? Zullen wij het dan wijten aan Washington, aan Moskou, aan Peking? Zullen wij niet liever Hem danken, voor wie de huidige stand van zaken, onverdragelijk is, aan Christus, de Here.
Komt er nog wat van? Hoe lang zo roept en pleit Hij. Hij opent het boek met de zeven zegelen en de paarden draven door het veld. De zielen onder het altaar krijgen goede woorden te horen: nog een kleine tijd. Want zo kan het niet blijven. De wereld zal kraken in haar voegen, de volkeren zullen zich aaneensluiten tot een laatste verweer tegen de Here der heirscharen en tegen zijn Christus. De koninkrijken der aarde tegen het Koninkrijk der hemelen. Dan zal de gemeente het uitschreeuwen: Kom, Here Jezus. Wat is er, in die tijd, een troostrijker woord dan zijn laatste woord: Ja, Ik kom haastiglijk?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's