De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Is het Oude Testament overbodig ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Is het Oude Testament overbodig ?

11 minuten leestijd

De vraag naar de verhouding tussen het Oude en Nieuwe Testament is een veelbesproken en ook een veelomstreden zaak. Als immers het volle licht van de Godsopenbaring in het Nieuwe Verbond is opgegaan, waarom leest de christelijke kerk dan nog altijd maar het Oude Testament? Waarom wordt eruit gepreekt?

Is het boek van het Oude Verbond met de komst van het Nieuwe niet als totaal verouderd te beschouwen of op zijn best als een 'Vorstufe', een preludium (voorspel) op de eigenlijke melodie te waarderen? ! Is de boodschap van 'wet en profeten' welbeschouwd toch niet een andere dan die van Jezus en de apostelen? Men heeft bv. beweerd, dat er een lijn loopt van het Oude Testament naar de farizeeër uit Jezus' dagen (Luk. 18:9—14). Denk aan de betuigingen van onschuld en vroomheid, die wij soms in de Psalmen tegenkomen: Ik wandel in mijn oprechtheid ... ik zit niet bij ijdele lieden en met bedekte lieden ga ik niet om... ik was mijn handen in onschuld!' (Ps. 26).

Over deze verhouding van Oud en Nieuw Testament is door de loop der eeuwen heel verschillend gedacht en gesproken. De meningen lopen ook nu nog zeer uiteen en bewegen zich tussen twee uitersten. Aan de éne kant de opvatting, dat het Oude Testament een 'minderwaardig' boek is. Anderzijds de gedachte, dat we in de geschriften van het Oude Verbond juist de eigenlijke Bijbel moeten zien, waarbij het Nieuwe Testament 'slechts' een verklarend woordenboek heet te zijn.

Mardon en de wederdopers

Marcion (tweede eeuw na Christus) staat in de kerkgeschiedenis bekend als een ketter, die in het Oude Testament het boek van de Demiurg zag (een lagere godheid), die onmachtig was om het goede te doen overwinnen. De god van het strenge recht, wreed en onbarmhartig: Oog om oog, tand om tand. Kortom, een boze oorlogsgod. Als een stamgod der Joden heeft hij vele dwaze geboden gegeven, o.a. die voor de offerdienst. Het Oude Testament is volgens Marcion vol van onzedelijke verhalen. Mozes was een moordenaar ... Elisa een wraakzuchtig mens ... Marcion stelde daar tegenover: Jezus en Paulus. Jezus, niet door de god van het Oude Testament gezonden, maar openbaring van de ware God, prediker van een betere gerechtigheid, die van de Bergrede: Doet wel degenen, die u haten ...! Deze Jezus, in een schijnlichaam op aarde gekomen, heeft juist door als een onschuldige aan het kruis te sterven, gedood door de schepper-god van het Oude Testament, deze god overwonnen. En zo blijft voor de mens dit geloof over als de enige vorm van gelukkig leven: Breken met de Demiurg en zich onvoorwaardelijk overgeven aan de liefde van de ware God. Ten onrechte heeft Marcion zich bij dit alles beroepen op Paulus' tussenstelling tussen Wet en Evangelie. Hij gedroeg zich als een reformator, maar in feite was hij de man, die de oude tegenstelling tussen stof en geest, die van Griekse oorsprong was, weer invoerde. En als het kwade in de schepping, in de materie zit, wat blijft ons dan anders over dan daaruit weg te vluchten en een monnikenleven te leiden?

Marcion verwierp dus het Oude Testament en meende ook, dat de discipelen Jezus' Evangelie al spoedig verkeerd hadden begrepen en het 'verjoodst' hadden. Daarom vond hij alleen het Lukas-evangelie acceptabel. Dit sloot volgens hem het beste aan bij de Paulinische brieven. Deze laatste (behalve Timotheus, Titus en Hebreeën) bleven uiteindelijk bij Marcion over als canonieke boeken. Onophoudelijk poogde hij de door hem erkende boeken van het Nieuwe Testament door uitzuivering van Joodse elementen los te maken van hun Oud-testamentische achtergrond.

Een soortgelijke verachting van het Oude Testament vinden we bij de Dopersen in de tijd van de Reformatie. Calvijn waarschuwt tegen hen. Hij zegt, dat zij met het opheffen van Wet en Profeten het Evangelie op goddeloze wijze verminken (commentaar bij Luk. 24 : 27). En Guydo de Brés zegt: Ik vrees, dat gij (wederdopers) tenslotte Manicheeën worden zult om twee goden te maken, de één een Insteller des Ouden de ander een Insteller des Nieuwen Testaments'. En hij voegt er aan toe: Tenzij God zich Uwer erbarme'. Voor de Wederdopers was het Oude Testament immers ook maar een boek van de dode letter, van een slaafse geest, van wraak, zedelijk op laag niveau. Mozes b.v. gebiedt te zweren, maar Christus verbiedt de eed. Nu Christus gekomen is, kan men dan ook het Oude Testament wel vergeten.

De reformatie en het Oude Testament

Met kracht heeft de Reformatie deze dwaze ketterij van de verwerping van het Oude Testament bestreden. De Reformatoren zijn niet moe geworden erop te wijzen, dat het Oude Testament in het Nieuwe als het gezaghebbende Woord van God functioneert (Men vergelijke: Rom. 15 : 4; Joh. 5 : 39; Luc. 16 : 29, 32; 4 : 17; 24 : 25-32; 2 Petr. 1 : 19.) Christus heeft verwezen naar Wet en profeten. Hij heeft er niet één tittel of jota van laten vallen. De rijke man in de pijn moet horen, dat zijn broeders op aarde naar Mozes en de profeten hebben te luisteren (Luk. 16 : 29). En als Christus de Emmaüsgangers onderwijst, doet Hij het aldus: En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was' (Luk. 24 : 27). Deze twee teksten uit het Lukas-evangelie maken in ieder geval duidelijk, dat Marcion om zijn critiek op het Oude Testament vol te houden uit dit door hem als canoniek verklaarde Evangelie heel wat kappen moest. Tegen de weerbarstige Joden van Zijn dagen heeft Christus gezegd: Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben, en die zijn het, die van Mij getuigen' (Joh. 5 : 39). Bovendien zouden uit het boek van de Handelingen en uit de brieven van Paulus vele teksten aan te halen zijn, waaruit blijkt, dat de apostelen Jezus verkondigden, beginnende van de Schriften (vgl. Hand. 8 : 35). Zij hebben de Christus der Schriften gepredikt (1 Cor. 15 : 1vv.)

De Doperse gelijkstelling van de tegenstelling Oude-Nieuwe Testament met die van Wet-Evangelie is onjuist. Ook het Oude Testament heeft immers het Evangelie in vele rijke beloften, die op Christus zien, terwijl het Nieuwe Testament niet zonder de wet is. Petrus Datheen wijst er (volgens Polman) op, dat Ouden Nieuw Testament dezelfde drieënige God leren, dezelfde leer der zaligheid en dezelfde wandel in dankbaarheid (2 Tim. 3 : 16, 17). Wee die mens, die daaraan iets toevoegt of er iets van afdoet (Deut. 4:2; 12:32).

Polman wijst er dan verder op, dat de argumenten, die de Reformatie gebruikte om tegen de Doperse verachting van het Oude Testament te waarschuwen, dezelfde zijn als die we bij Augustinus tegenkomen in zijn strijd tegen de Manicheeërs en bij Irenaeus in zijn geschrift tegen de Gnostieken. Daarom kunnen ze katholieke argumenten heten.

We doen er dus goed aan te bedenken, dat Schriftcritiek ten aanzien van het Oude Testament alléén niet mogelijk is. Het moet duidelijk zijn, dat wie het Oude Testament op de snijtafel van de critiek legt, het Nieuwe Testament niet spaart, het in ieder geval van zijn Israëlietische contekst losmaakt, het dus verminkt en een andere Jezus, ook een nieuw soort christendom overhoudt. Von Harnack heeft gedacht, dat het christendom van een hele last zou zijn verlost, wanneer het zich ontdoen kon van het Oude Testament. Is dat niet het boek, dat christen en kerk zo gehaat heeft gemaakt bij de buitenwacht? Maar ... we moeten weten, dat wie hier een vriend van de wereld wil worden, een vijand Gods zal zijn, ook van die God, Die Zich in het Nieuwe Testament openbaarde. Wij kunnen niet aan de kant van het ongeloof staan in zijn verzet tegen het Oude Testament en tegelijk aan de kant van het geloof in zijn onderwerping aan de boodschap van het Nieuwe Testament. Waar deze verminking van de Schrift ons brengt, dat hebben wij in de laatste wereldoorlog aan den lijve kunnen ondervinden, toen niet alleen miljoenen Joden in de gaskamers stierven, maar hun moordenaars ook al hun venijn hebben uitgegoten over het boek der Joden, het Oude Testament. Dan heeft men met de God van het Oude Testament wel afgerekend. Maar men heeft een Evangelie overgehouden, waarin de Germaanse Uebermensch rustig en koelbloedig op de stoel van deze veelgewraakte God gaat zitten om zijn handen te besmetten met bloed. En ook zo is hij van de God van Oud-en Nieuw Testament niet af! !

Het Oude Testament de eigenlijke Bijbel?

Diametraal tegenover deze verguizing van het Oude Testament staat een andere opvatting, waarvan ten onzent prof. Van Ruler een vurige verdediger is geweest. Bij hem is een zeer grote waardering van het Oude Testament waar te nemen, om niet te zeggen een overwaardering. Het Oude Testament is dan de eigenlijke Bijbel. Het Nieuwe Testament het verklarend woordenboek daarbij. In zijn boekje over 'de Christelijke Kerk en het Oude Testament' (in het Duits verschenen in 1955) zegt Van Ruler, dat 'de openbaring van het Oude Testament werkzame, historische tegenwoordigheid Gods in Israël is'. De canon van de Schrift heeft een onloochenbaar Israëlietisch karakter. Wij moeten niet proberen door onze methoden van Schriftuitleg (b.v. door vergeestelijking via allegorie en typologie) de eigen aard van deze Godsopenbaring onder het Oude Verbond weg te werken en alles in het Oude Testament op Christus te betrekken. De noties van het Rijk Gods, de theocratie, de heiliging van heel het leven der schepping, de staat, Israël, enz., die het Oude Testament typeren, raken we volgens Van Ruler op deze manier kwijt. Het Oude Testament heeft duidelijk een plus (Miskotte noemt het een 'overschot'), dat we niet vergeestelijken mogen, b.v. door altijd maar de beloften van het land der rust, het zitten onder de wijnstok en de vijgeboom te betrekken op de geestelijke weldaden, die Christus voor Zijn gemeente verworven heeft. Zeker, het draait in de Schrift om Christus en de vergeving der zonden door kruis en opstanding. Maar het gaat daar niet om. Het gaat God uiteindelijk om het humane, om de dingen van het gewone leven, om de heiliging van de schepping, om de staat, om Israël en de volkeren, kortom om de kerstening van heel de schepping. In de reeks van daden Gods is Christus dan ook niet meer dan 'Gods noodmaatregel', waardoor Hij de dingen, die verstoord zijn door de zonde weer rechttrekt.

Tussen het Oude en Nieuwe Testament is er, aldus Van Ruler, een incongruentie. Naast het meerdere in het Oude Testament is er ook het plus van het Nieuwe. Dat laatste bestaat volgens Van Ruler hierin, dat ons in het Nieuwe Testament de Godheid van de Messias wordt geleerd, hetgeen met geen woord in het Oude Testament staat. In het Oude Testament is de Messias de door God gezonden mens (koning). Maar het meerdere van het Oude Testament is het Rijk Gods in de breedte van heel het maatschappelijke, natuurlijke en politieke leven. We moeten dus bij de exegese van Oud-Testemientische teksten niet zoeken naar 'was Christum treibet' (Luther). Dan zou het Oude Testament immers niet meer dan voorspel zijn en in feite zou men het dan wel kunnen overslaan. Nee, het Oude Testament heeft een veel zelfstandiger plaats in het geheel van de Godsopenbaring. Het moet niet christologisch, maar eschatologisch, anders gezegd, theocratisch worden uitgelegd. Er blijft, volgens Van Ruler, in het Oude Testament een diep vertrouwen in de goedheid van de wereld, in de bruikbaarheid van de mens en in de mogelijkheden om de aarde te heiligen. Trouw aan de aarde dus.

Van daaruit is de Van Ruleriaanse uitdrukking te verstaan 'met de hockeystick naar het avondmaal'. Ook zijn grote liefde voor het spelelement van het leven. Men kan tevens begrijpen, dat hij op deze gronden ook niet wil spreken van zending onder Israël, maar van gesprek met Israël.

Van Ruler geeft de Joodse geleerde Buber gelijk, als deze de christelijke kerk verwijt, dat ze nooit anders gedaan heeft dan dit Oud-Testamentische geloof aan de mogelijkheid van de heiliging der aarde ontrouw zijn, door uit Christus' kruisdood de verkeerde conclusie te trekken, dat er met de aarde niets meer te beginnen is.

Kortom, een vurig pleidooi voor eerherstel van het Oude Testament, heftiger denk ik, dan in de christelijke kerk ooit is geschied. Want heeft die christelijke kerk inderdaad niet vaak genoegen genomen met een Evangelie, dat men op een stuivertje kan schrijven? Als de verhouding Oud-en Nieuw Testament te vergelijken is met die tussen schaduw en licht, ja, is het Oude Testament dan ooit wel meer dan een historisch interessant boek? Canoniek, in de zin van, dat wij ons geloof daarnaar reguleren, is het dan toch zeker niet! En als de tekst van de dominee uit het Oude Testament gekozen is, dan is deze tekst in de regel toch niet meer dan een 'stichtelijk' aanloopje om Nieuw-Testamentische stof te preken.

In het volgend artikel echter zullen we zien, dat deze visie van Van Ruler wel een heel andere is dan die van Calvijn. Het is in deze bedeling een gewaagd stuk en ook ontoelaatbaar om één schrede boven Christus uit te gaan. Het Oude Testament laat zich daarvoor ook niet gebruiken. Doet men dat toch, dan juicht men over de goedheid der aarde en de bruikbaarheid van de mens te vroeg, veel te vroeg.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Is het Oude Testament overbodig ?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's