Gods grote ijver
’Ik ijver over Jeruzalem en Sion met een grote ijver.' Zacharia 1 : 14
In de vroege morgen vertelt Zacharia het gezicht, dat hij die nacht gezien had. Een wonderlijk gezicht. Verkenners te paard, die hun tocht over de hele aarde hadden volbracht, en op, rapport komen bij de Engel des Heren. Hij is hun aanvoerder. Hem zijn ze een verslag van hun bevindingen schuldig. Zo luidt dat verslag: De ganse aarde is volkomen rustig. Dat is een goed bericht, op het eerste gehoor. De Engel des Heren denkt er anders over. Hij maakt de zaak meteen bij God aanhangig: Hoe lang nog, vraagt hij. Want als alles zo rustig is, blijft alles bij het oude, en falen de beloften Gods. Christus treedt hier op als pleitbezorger voor Jeruzalem en voor het vertrapte volk Israël. En terwijl niemand iets kan bespeuren van de nieuwe tijd, roept Hij die naar zich toe, omdat Hij de Naam des Heren aanroept. Nu, die voorbede is niet tevergeefs. Hij klaagt de nood — zijn nood, want in al hun benauwdheden was Hij benauwd — niet aan dovemansoren. De Here der heirscharen hoort! Hij hoort de Voorbidder Christus, Die Hij zelf aanstelde. Geen betere Voorbidder, dan Hij, Die verhoord werd uit de vreze. Hij krijgt prompt antwoord. Goede woorden, troostrijke woorden worden Hem toegesproken. Zacharia verneemt er van, doordat de engel ze hem vertolkt. Ze gaan hem niet rechtstreeks aan, toch. worden ze hem overgebracht. Want hij is er bij betrokken en hij is geroepen om de openbaring des Heren over te brengen aan het volk. Het moet in grote kring bekend worden wat God voornemens is. Roep uit! Predik dit evangelie van vertroosting en verlossing. Roept het toe aan allen, die vertwijfelen aan de toekomst, die in zak en as zitten, die het niet meer zien en daarom de moed laten zakken. God maakt er werk van!
De goede woorden komen als een waterval, als een stortvloed. Ze spoelen de mismoedigheid weg, ze voeren de tegenwerpingen mee, er is geen houden aan. De Here laat zich gaan, alle belemmering werd door die voorbede weggenomen, de troost stroomt ons tegemoet als uit Gods mond, als uit Gods hart. Zijn vertroostingen zijn niet klein, ze zijn ontzachelijk groot en overweldigend rijk. Het zijn woorden die gewaarborgd worden door de Here der heirscharen, die groot is van raad en machtig van daad. Wat zal Zacharia blij geweest zijn met zulke woorden voor de mensen, die wat huiverend in die vroege morgen naar hem stonden te luisteren. Goed nieuws. De Here verklaarde mij zoeven zijn hart! Dat is om stil van te worden.
Zo zegt de Here der heirscharen: Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met een grote ijver. Jeruzalem, dat is Zijn woonplaats. Sion, daar stond de tempel. Het laat de Here niet koud, dat stad en tempel in zulke ellendige omstandigheden verkeren. Hij trekt zich het lot van Zijn volk aan. Zeker, ze waren Hem ontrouw geweest, toch was het Zijn volk. Schijnt alles rustig, schijn bedriegt. Er broeit wat, nee, er brandt een vuur van ijver, dat om zich heen grijpt. God is .ten diepste bewogen over de toestand. Hij laat de dingen niet op hun beloop; reeds maakt Hij zijn voorbereidselen, om Israël te helpen. Waarom? Simpelweg, omdat Hij het lief heeft en in de liefde is de trouw begrepen.
Die liefde is tevens het geheim van zijn ijver. Een man kijkt niet werkeloos toe wanneer een ander zijn vrouw belaagt en beledigt. Zou de Here dan geen hand uitsteken, wanneer Zijn volk als een voetveeg wordt behandeld. Het is Sion, zegt men, niemand vraagt naar haar. Ik vraag naar haar. Ik ijver over haar verklaart de Here in grimmige ernst, en groot erbarmen. Mijn naam is er mee gemoeid en Sions heil ligt in die naam besloten. Dan kan de rust niet voortduren; dan is de Here de rustverstoorder. Roept, roept uit, roept luide zodat allen het horen. Het ganse land zit en is stil; Ik zit niet stil.
Dat is een troostrijk woord voor allen, die zich afvragen: waar blijft de belofte des Heren. Het woord maakt altijd scheiding. Er zijn mensen genoeg, die zich dat niet afvragen, die daar geen belang bij hebben, naar ze menen. Als God spreekt, komt er wat aan het licht. Dan ook komen zij voor de dag, die van de belofte des Heren moeten leven. Leven, inderdaad, niets minder dan dat. Dat leven wordt aangevochten door wereld en duivel, omdat het een leven des geloofs is. Soms is dat geloof bijna uitgeblust, als sintels in de haard. Het wordt toch nooit anders, verzuchten we. Een rode gloed verraadt nog hoe vurig het geloof zich naar Gods toekomst uitstrekte, maar nu... God blaast het geloof nieuw leven in door Zijn Geest en Woord. De Geest is de blaasbalg en het Woord is de wind, die de sintels doet gloeien! Ik ijver. Wij hebben te doen met een God, Die waakzaam en werkzaam is. Dat kunnen we niet altijd aan de omstandigheden merken, het tegendeel schijnt het geval. Dan moet het ons verkondigd worden. Lang voordat wij er de gevolgen van zien, ijvert de Here met een grote ijver.
Die ijver keert zich tegen de heidenen, die Israël verdrukken. Ik ben met een zeer grote toorn vertoornd tegen die geruste heidenen. Het gaat er hevig naar toe in de tekst. Grote ijver, zeer grote toorn; het is menens. De heidenen, Moab en Ammon, maar even goed Assur en Babel. De Here is gekrenkt door hun gedrag. Ze zijn gerust, dat hoorden we al van die verkenners. Hier krijgt het de betekenis van hooghartig, overmoedig. Dat is kenmerkend voor de wereldmachten, zij denken: wie maakt ons wat? Wat een eigendunk spreekt er uit hun woorden en daden, de eeuwen door. Ze koesteren de waan, dat ze onaantastbaar zijn en ongenaakbaar. Dat schreeuwen ze elkaar toe met gebalde vuist. Dat trekt de aandacht van de Here der heirscharen, dat wekt die grote toorn.
Weet u wat de Here hen in het bijzonder kwalijk neemt? Dat ze zo eigenmachtig te werk gaan met zijn volk. Zeker, dat volk had de toorn des Heren gaande gemaakt door de zonden: Ik was een weinig toornig. Zacharia zei: De Here is zeer vertoornd geweest tegen uw vaderen — VS 2 — Wij mogen nooit gering denken over de toorn des Heren, over de wraak van het verbond. Het misnoegen Gods had Israël uit hun land verdreven. Hier echter noemt de Here het: een weinig. Voor een tijd en met mate. Ieder die er onder door gaat moet dit toestemmen: Hij doet ons niet naar onze zonden. Gods kleine toorn: Er is een ogenblik in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid. En elders: In een kleine toorn heb Ik mijn aangezicht voor u een ogenblik verborgen.
Want Ik was een weinig toornig. Die toorn nam de heidenen in dienst. Assur, de roede van Mijn toorn. Zij vohrokken het oordeel Gods over Israël. Maar ze hebben ten kwade geholpen. Ze hebben de gelegenheid misbruikt tot het bereiken van hun eigen doeleinden. De Here wilde zijn volk louteren; zij wilden het uitroeien. Ze hebben hun woede aan Israël gekoeld. En dat wil de Here niet. Hier wordt iets duidelijk van de weg, die de Here gaat. De uitvoerders van zijn kleine toorn, wekken zijn grote toorn op; zij hielpen ten kwade. Ze hadden een op dracht Gods, maar zij hebben zich daarvan niet, naar Gods wil, gekweten. De heidenen snoeven: Door de kracht van mijn hand heb ik het gedaan. Zal een bijl zich beroemen tegen Hem, die daarmee hakt, zal een zaag pochen tegen Hem die haar trekt? Zo'n opmerking . werpt een nieuw licht over de geschiedenis van Israël. De instrurmenten van Gods toorn zijn maar instrumenten. Zij moeten zich voor Hem verantwoorden. Trouwens, zo gaat het de hele geschiedenis. De kleine toornm, en de grote toorn. Dat komt van Gods grote ijver.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's