Verschuivingen in de R.K. theologie IV
De kerk en het rijk Gods bij Küng
De vorige keer ging het over de verhouding van geschiedenis en dogma in de theologie van Hans Küng, thans gaat het over een ander, eveneens belangrijk gegeven in zijn theologisch denken, namelijk hoe hij ziet de verhouding van de kerk tot het rijk Gods en omgekeerd.
In de oude rooms-katholieke theologie vielen kerk en rijk Gods ongeveer samen. Bij kerk moet in dit geval gedacht worden aan de hiërarchisch ingerichte kerk van Rome. Er is zo leerde men een rechtstreekse regering van God via de paus en de bisschoppen. Tussen de wereld èn God werd de kerk ingeschoven en dat betekende praktisch de paus - en heel de roomse hiërarchie. Vandaar de verregaande machtsaanspraken van de kerk van Rome en haar hoofd, de paus. De roomse kerk heeft altijd willen heersen. De paus werd niet gezien als slechts een geestelijk hoofd van de kerk maar ook als het hoofd van de hele mensheid, een wereldlijk hoofd. Hij gedroeg zich als een vorst onder de vorsten. Hij was omgeven van veel wereldse pracht en praal. Hij werd gekroond, hij was het hoofd van een wereldlijke staat, die hoe klein zij ook op de duur geworden is toch nog altijd bestaat. Men heeft in de roomse theologie deze wereldlijke staat altijd gehouden voor een levensvoorwaarde van de kerk. De politieke aanspraken van de kerk zag men als wezenlijk voor het kerk zijn. Nog altijd is het Vaticaan een politieke machtsfactor.
Küng en vele andere nieuwe rooms-katholieke theologen tasten dit alles in de wortel aan wanneer zij de kerk en het Rijk Gods weigeren nog langer te vereenzelvigen. Niet dat zij beiden geheel uit elkaar halen of tegenover elkaar zouden stellen, maar zij maken in ieder geval de band veel losser. De cosmische en eschatologische aspecten van het Rijk Gods worden door hen veel meer naar voren geschoven, terwijl tegelijk de kerk meer gezien wordt als een aardse en historische grootheid. Het beantwoordt aan het dynamisch denken van onze tijd wanneer Küng weigert de kerk te zien als een in zichzelf rustend instituut dat met de goddelijke glans van het rijk Gods zou zijn omgeven. Veeleer ziet hij de kerk als een beweging, of zoals hij bij voorkeur zegt als een gebeuren. Zij is de kerk die op weg is, onderweg. Het rijk Gods is niet hetgeen zij nu al is, inaar is haar doel. De kerk pelgrimeert, komt pas tot rust in het voltooide rijk van God. Haar zin ligt dan ook niet in haar zelf, maar in het rijk dat zij verwacht en voorbereidt. De kerk staat in dienst van het Rijk. Zij is er voor de toekomst, voor de wereld, voor het komende Rijk Gods. Niets in die kerk kan daarom voor definitief worden gehouden, de instellingen van de kerk niet, maar ook niet haar definities en haar dogma's. Alles is nog maar voorlopig. Pas het Rijk Gods zal het definitieve zijn. De roeping van de kerk is dit Rijk te verkondigen, er een teken, een voor-teken van te zijn. Het wezen van de kerk (voorzover in deze gedachtengang van een wezen der kerk gesproken kan worden) is diaconia, dienst, namelijk dienst aan het Rijk dat komende is.
Men mene niet dat dit alles slechts theorie is en dat het geen practische gevolgen heeft voor het kerk zijn. In deze visie van Küng op de verhouding van de kerk tot het rijk Gods blijft van heel het roomse kerkelijke establishment zo goed als niets overeind. Niet alleen verdwijnen alle roomse pracht en praal, verdwijnt ook alle roomse zelfverzekerdheid, maar ook alle wereldlijke machtsaanspraken van de kerk van Rome verdwijnen. De oude heersende kerk wordt een dienende. De oude gearriveerde kerk wordt een kerk onderweg. Het oude op zichzelf gericht zijn van de kerk wordt een gericht zijn op anderen. Het oude naar het verleden gekeerd zijn van de kerk wordt een zich keren naar de toekomst.
Als reformatorische christenen staan wij hier niet zonder verwondering bij te kijken. Hier voltrekt zich iets wat wij wellicht nooit voor mogelijk hebben gehouden. Zou Küngs visie doorwerken dan krijgen wij in de toekomst met een andere rooms-katholieke kerk te maken.
Intussen betekent dit toch niet dat deze kerk dan een reformatorische zou mogen heten. Eerder een moderne kerk zoals ook velen op protestants erf op het moment voor ogen staat. Een kerk die noch oudrooms nóch reformatorisch zal zijn, maar een nieuwe kerk, een kerk als er nog niet eerder is geweest, een kerk wier wezen de diaconia zal zijn, de dienst aan de wereld en daarin dè dienst aan het Rijk Gods. Een kerk waarin de invloed van de moderne tijd heel wat groter zal zijn dan die van de Schrift als het Woord van God, een kerk die — het zij reeds hier opgemerkt — haar ware wezen zal hebben verloochend.
Dat Küng en trouwens vele andere nieuwe theologen zich verzetten tegen de oude roomse kerkstructuren zal uiteraard onze instemming hebben. De Reformatie heeft dat van den aanvang af ook gedaan. De roomse hiërarchie is zelfs de schuldige als het gaat over het ontstaan van de breuk in de westerse kerk. De grootste weerstand tegen de Reformatie kwam niet van het kerkvolk maar van de paus, de curie, de hiërarchie. En wat betreft de wereldlijke machtsaanspraken van de kerk van Rome ook die zijn radikaal van de hand gewezen door de reformatoren. Ook de Reformatie heeft geweigerd het Rijk Gods te vereenzelvigen met de hiërarchisch ingerichte kerk van Rome.
Maar er staat tegenover dat in de Reformatie, toch wel op een andere wijze dan door Rome, kerk en Rijk Gods nauw op elkaar betrokken zijn. Onder het Rijk Gods heeft men verstaan de regering van God in Christus door de Geest en het Woord in de harten der gelovigen en daardoor in de gemeente. Nergens regeert God als in zijn gemeente. Daar is zijn bijzonder rijksgebied. Daar is immers ook de gehoorzaamheid. Er kan geen Rijk van God zijn dan waar geloof en bekering zijn. Als de Heere Jezus preekt: Het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen, dan voegt Hij er aan toe: Bekeert u en gelooft het evangelie. In Hemzelf is het nabij gekomen en in Hemzelf zal het eens voltooid zijn, dat is de verwachting van de gemeente.
De zogenaamde cosmische aspecten van het Rijk Gods zijn hiermee niet geloochend, maar zij krijgen in de Reformatie lang niet zoveel aandacht als in de nieuwe theologie, omdat de kerk nog niet leeft in het voltooide Rijk van God. De Reformatie heeft bewust niet willen vooruitgrijpen, maar zich ootmoedig gehouden aan de prediking van het Evangelie, het horen en geloven, het uitzien en verwachten.
Het Rijk Gods is door de reformatoren vooral betrokken op wat genoemd wordt de onzichtbare Kerk, de Kerk zoals zij er is voor het aangezicht van God, de Kerk der ware gelovigen en slechts enigermate (zoals Calvijn zegt) op haar zichtbare gestalte, op de zichtbare kerk.
Deze visie op Rijk Gods en Kerk is helaas door Küng rondweg afgewezen. Zijn verzet tegen de oude roomse visie heeft hem niet ertoe gebracht te kiezen voor die van de Reformatie. Hij is daarvoor naar mijn gevoelen tezeer bevangen gebleven in zijn eigen probleemstellingen. Hij heeft zich niet kunnen losmaken van een kerk als die van Vaticanum I, een kerk met een oppermachtige paus, een hechte hiërarchie; tegen déze kerk vecht hij nog altijd. Temeer daar naar zijn oordeel Vaticanum II in zijn kerkopvatting weinig verder is gekomen, teveel is gebleven in de lijn van Vaticanum I. De teleurstellende ervaringen die Küng na het concilie met de curie heeft opgedaan zijn er ongetwijfeld debet aan dat hij zulk een negatief oordeel uitspreekt over hetzelfde Concilie waar hij eerst zulke hoge verwachtingen van had. Hem ontgaat in ieder geval naar het mij voorkomt het inzicht dat het mogelijk is op een nog andere wijze kerk te zijn dan de oude rooms-katholieke kerk zonder zich te werpen op het ideaal van een moderne kerk gelijk hem en vele andere vernieuwingstheologen voorlogen staat, namelijk het kerk zijn naar het Woord, gelijk de Reformatie heeft gewild.
Weer stuiten wij op Küngs onvoldoende inzicht in de betekenis van de Schrift voor het kerk zijn. De kerk van het Woord staat niet toe een ambtshoogheid als bij het oude Rome. In zo'n kerk staat het Woord hoger dan de kerk, kan met de kerk geen afgoderij worden bedreven. In zo'n kerk staan ambten en structuren in dienst van het Woord Gods. In zo'n kerk kunnen geen wereldlijke machtsaanspraken gelden. Maar aan de andere kant, in zo'n kerk gaat het niet in de allereerste plaats om de wereld, gelijk in het kerkbeeld van Küng en vele anderen maar om God zelf. In zo'n kerk wil men wel de wereld dienen maar dan met het Woord. De diaconia, dienst aan het Woord staat centraal.
Helaas hebben de kerken der Reformatie zich niet altijd hieraan gehouden. Bij hen vindt Küng maar al te veel aanknopingspunten voor zijn moderne inzichten, voorzover hij ze zelfs niet ontleend heeft, althans ten dele, aan protestantse theologen. Het ontbreekt'de rooms-katholieke theologen, die in onze tijd critisch zijn komen te staan tegenover het verleden van hun kerk, maar al tezeer aan een duidelijk alternatief, doordat de Reformatie zo weinig nog de Reformatie is. Hier ligt nog een hele opdracht. Het zou óók voor de rooms-katholieke kerk van groot belang zijn als de kerken der Reformatie weer werden wat zij naar hun oorsprong zijn, en behoren te zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's