De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samenwerkingsscholen *)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samenwerkingsscholen *)

9 minuten leestijd

Een trek van onze maatschappij is het veelvuldig voorkomen van fusies. Kleine bedrijven versmelten tot grotere om zich op deze wijze te kunnen handhaven. Economen zeggen dat het noodzakelijk is: alleen grotere bedrijven, concerns houden het vol.

Ook op het gebied van het onderwijs doet de drang tot het vormen van grotere eenheden zich gelden. In zekere zin is de Mammoetwet daartoe een sterke stimulans geweest, nl. in zoverre deze het vormen van scholengemeenschappen propageerde. Scholen die tevoren een afzonderlijk bestaan leidden, fuseerden en gaan nu samen verder.

Ook hier spelen, naast belangrijjce nieuwe onderwijsmogelij kheden, economische motieven een rol. Het is immers het meest efficiënt om kostbaar instrumentarium te investeren in één grote scholengemeenschap.

Naast onmiskenenbare voordelen van samensmelting is één neven-effekt, dat de identiteit, de eigenheid, het eigen karakter van de afzonderlijke delen aan waarde gaat inboeten. Dat geldt ook voor het vormen van scholengemeenschappen. De afzonderlijke ulo-school, de h.b.s. en het gymnasium waren vroeger duidelijker te herkennen als schooltype met een eigen karakter dan nu mavo, havo, atheneum en gymnasium die tezamen een scholengemeenschap vormen. Iets van het eigene wordt prijsgegeven aan de totaliteit en dit terwille van de totaliteit.

Nu betreft het verlies aan eigenheid, van de schooltypen binnen een scholengemeenschap veelal niet meer dan de praktische onderwijsdoelstellingen. Geheel anders wordt het, wanneer men tot het stichten van een samenwerkingsschool komt.

Langzamerhand komt binnen de onderwijswereld deze vormgeving naar voren, meestal in snelgroeiende plaatsen waar op korte termijn een net van onderwijsvoorzieningen gerealiseerd moet worden.

De samenwerkingsschool, ook wel open school genoemd, betreft dan een school waarin zowel het Prot. Chr., als het R.K. als het openbaar onderwijs samenwerken in één school. We vinden dit type reeds in Zoetermeer, in Den Helder en in de Bijlmermeer (Amsterdam). In veel andere plaatsen (zoals in Waddinxveen) is het oprichten van een samenwerkingsschool in voorbereiding.

De motieven die tot het stichten leiden, zijn vaak weer praktisch-economisch. Ajs afzonderlijke zuilen (zoals Prot. chr., R.K. en openbaar onderwijs worden genoemd) zou men niet van de grond komen, maar gezamenlijk wèl.

Wanneer men doorvraagt, blijkt echter meer dan deze zakelijke argumentatie een rol te spelen. In een discussie rond het Bijlmermeerprojekt is dit heel duidelijk geworden en hier hebben de pleitbezorgers van de 'open school' duidelijk uitgesproken wat zij voorstaan.

Voor het verstaan van de richting waarin het onderwijs in Nederland zich beweegt, is het goed deze argumenten te horen en ze te analyseren. Het is bovenal goed om van hieruit bezig te zijn met de grondslag van het christelijk onderwijs in ons land.

Uit genoemde discussie kwamen de volgende argumenten naar voren (P.C.B.O.-blad van 14 en 21 mei 1970).

1. De zuilen hebben hun tijd gehad. In de praktijk van het onderwijs zijn zij elkaar zo dicht genaderd, dat de ontwikkeling omgebogen dient te worden en dat men gezamenlijk verder gaat.

De zuilen moeten dus verdwijnen.

2. De open school wil een school zijn, waarin de verschillende levensbeschouwingen elkaar ontmoeten.

Dit dus ook in tegenstelling tot het openbaar onderwijs, waar volgens art. 42 uit de L.O. wet 1920, 'niets mag worden geleerd wat het respect voor de mening van andersdenkenden zou kunnen schaden'.

In hoeverre natuurlijk dit neutraliteits-beginsel ooit werd waargemaakt, is een ander punt.

De open school heeft echter een andere doelstelling. Hier moeten zowel protestanten als Rooms-Katholieken als humanisten hun geloofsovertuiging uitdragen. Zij dienen zich dus niet neutraal op te stellen, want deze vrijblijvendheid slikt de jeugd niet meer.

Uit de confrontatie met deze levensovertuigingen zou dan de jeugdige kunnen komen tot een eigen overtuiging, na eerst ook alles van anderen en andersdenkenden gehoord te hebben. Vandaar ook de naam 'open school'; niet meer de bevoogding (zoals de vroegere godsdienstige opvoeding wordt genoemd), maar een voorbereiding tot een vrije, zelfstandige en persoonlijke keuze.

3. Dit is nodig, zo stelt men, omdat wij niet meer in een gesloten, maar in een open maatschappij leven. De grenzen zijn opengebroken, niemand kan nog geïsoleerd leven, maar ieder mens leeft van jongsaf in een omgeving waarin hij andersdenkenden ontmoet. De gesloten school, die school waarin het onderwijs in overeenstemming is met de levensovertuiging van de ouders, zou — aldus de argumenten — schade toebrengen en zou niet voorbereiden op de volwassenheid waarin men wèl in een open maatschappij leeft.

Tot zover de argumenten van de organisatoren van het Bijlmermeerprojekt. Wanneer deze argumenten Bijbels-legitiem zijn, is hiermee het bestaansrecht van het christelijk voortgezet onderwijs gemoeid. Daarom moeten wij ook fundamenteel op deze argumenten ingaan en ze toetsen aan de bijbelse gegevens betreffende de opvoeding.

Kernvragen inzake onze verhouding tot de samenwerkingsschool zijn: Welke eisen stelt de Schrift aan de opvoeding van onze jeugd? Moeten we in de puberteit nog spreken van godsdienstige opvoeding? Wat betekent godsdienstige opvoeding in de tijd, waarin wij leven?

Allereerst, zo zou men ons als voorstanders van het christelijk voortgezet onderwijs kunnen vragen: Leeft u dan niet in een open maatschappij en moet uw jeugd daar niet op voorbereid worden?

Wanneer we deze vraag op ons laten inwerken, dan moet inderdaad het antwoord bevestigend zijn. Ook wij leven in een open samenleving. Ieder van ons wordt dagelijks geconfronteerd met het andere en met andersdenkenden. Niemand van ons kan zich zó afschermen van de buitenwereld, dat deze hem niet bereikt.

De moderne techniek heeft de wereld klein gemaakt, zodat wat buiten onze eigen kring plaats vindt, ons bereikt en ook door ons verwerkt moet worden. Hoezeer wij ook de roeping hebben om in het openbare leven op te roepen tot de bescherming van de geboden Gods, een feit is, dat wij en onze kinderen in een geseculariseerde, dynamische wereld leven. We moeten dan ook de vraag, of wij in een open maatschappij leven, bevestigend beantwoorden. Dat geldt ook de vraag of opvoeding en onderwijs zich naar deze situatie moeten richten. In de opvoeding hebben wij het kind voor te bereiden op een plaats in deze maatschappij.

Alleen, en hier gaat onze visie volledig uiteen met die van de open-school-propagandisten — niét op de manier van: Laten jeugdigen alles horen en laat ze zelfstandig tot de keuze van een levensovertuiging ko­men.

Immers, op school hebben wij te maken met jeugd, d.w.z. met nog niet-volwassenen. Ik weet wel, er is verschil tussen het onvolwassen-zijn van het kind en dat van de puber. En veel pedagogen beschouwen de puberteit eerder als een beginnende volwassenheid dan als behorend tot het nietvolwassene. Gaan we echter-uit van de volwassene als zelfstandig-en zelfverantwoordelijk persoon, dan is de puberteit wèl een ontwikkelingsgang hiertoe, maar dan behoort de puber nog tot de categorie van niet-volwassenen. Hij krijgt nog de kans te experimenteren, hij wordt nog niet volledig verantwoordelijk gesteld, hij kan nog terugvallen op z'n ouders.

En dit standpunt is juist. De jeugdige behoort tot de nog niet-volwassenen. Maar dan geldt ook, dat er sprake is van opvoeding, leiding en begeleiding. Zou dat niet gelden voor de zaken die van geestelijk belang zijn?

Inderdaad, het mag christen-ouders niet om het even zijn, wat hun kinderen kiezen. In voorbeeld en leer moet het Koninkrijk Gods het belangrijkste zijn. Dat is geen opdringerigheid, geen bevoogding, maar zo mogelijk een hartelijke, maar besliste aandrang.

En daarom zal de school jongeren in de leeftijdsfase van het voortgezet onderwijs niet zó maar confronteren met het cultuurgoed, met de verschillende levensovertuigingen, maar men zal als christenopvoeder op school zeer beslist aan deze oriëntatie leiding willen geven, een wegwijzer willen zijn ook in de wirwar van ideologieën in deze tijd. Ons antwoord op de argumenten van de open schoolvoorstanders is dan ook: Het is ons niet om het even waar we onze kinderen voor opvoeden en wat zij kiezen; in dit opzicht is er geen keuze, echter alléén maar gehoorzaamheid, ook in de opvoeding, in gebondenheid aan Gods Woord.

Maar, zo zou men verder kunnen vragen: Is deze omheining, deze gerichte opvoeding thuis en op school dan een juiste voorbereiding op het leren leven in een volledig opengebroken maatschappij ? Allereerst, een vaste geloofsovertuiging in de opvoeding sluit een bewust-bezig-zijn-indeze-tijd niet uit. Het is een grondige misvatting, als men beweert, dat een bezig zijn met de vragen van deze tijd altijd leidt tot de houding van de relativist, bij wie eigen overtuiging verflauwt. Bovendien, een leven van godsvrucht sluit een open oog voor de maatschappelijke problemen niet uit.

Het christenleven kent het gebedsleven maar óók de openheid naar de noden van deze tijd. Het kent een bezig zijn met een biddend werken aan de problemen van deze tijd.

Deze confrontatie is een opdracht, zeker op onze scholen.

Maar dan is een opvoeding in deze geest óók een juiste voorbereiding op het staan in deze dynamische maatschappij. Voor de school betekent dat niet, de jeugdige zonder meer aan alles blootstellen en zeggen: zie maar hoe je er uit komt, maak maar een keus. Nee, de opvoedingsverantwoordelijkheid houdt met het 12e jaar niet op, maar gaat door, ook in geestelijke zaken. De Bijbel zélf laat ons zien hoe belangrijk hierin het onderwijzen in Gods heilshandelen is.

Daarom is voor het christelijk gezin de oplossing van de samenwerkingsschool uit de boze. Onze jongeren hebben leiding en begeleiding nodig in een sfeer die nog enigermate beschermd is. Zij hebben een sfeer nodig, waarin de school wegwijzer kan zijn in de zaken van Gods Koninkrijk en ook in de talloze vragen-die deze tijd stelt.

Van hieruit bezien, zijn 'de zuilen' niet uit de tijd. Als het christelijk onderwijs zijn roeping verstaat, dan zijn de verschillen met andere scholen beslist niet te verwaarlozen. Hetis een veeg teken wanneer buitenstaanders moeten constateren: wat maakt het in de praktijk van het onderwijs nu uit! Dan machtigt dat ons niet om de conclusie te trekken: 'de tijd is rijp om samen verder te gaan', maar dan is een heroriëntatie nodig op de bijbelse grondslag van het christelijk onderwijs.

En daarom, als het christelijk onderwijs zijn roeping verstaat, zal het zich niet laten meeslepen door de klinkende argumenten van de samenwerkingsschool, maar dan zal het in deze tijd des te meer zich bewust zijn van de enorme opdrachten, die er vanuit een bijbelse opvoedingsleer liggen.

 


*) Bewerking van de toespraak, gehouden door de rector van het Reformatorisch Atheneum te Rotterdam bij de opening van het cursusjaar 1971-1972.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Samenwerkingsscholen *)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's