De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De financiën van de kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De financiën van de kerk

9 minuten leestijd

Op een vergadering van de synode waar zaken als kerk en wereld en kosmokomplot (Ie dag), Ikor en de zending (2e dag) en het getuigenis (3e dag) op de agenda stonden kon het haast niet anders of de belangstelling voor het verslag 1970 van de generale financiële raad moest maar matig zijn. Hoewel begrijpelijk, dient toch vastgesteld te worden dat deze geringe belangstelling geen juiste maatstaf is voor het belang van de zaken die aan de orde kwamen.

De financiën delen in de duidelijk te onderkennen algemene malaise waarin de kerk zich bevindt. Uit het verslag van de generale financiële raad valt op te maken dat het vermogen dat door deze raad wordt beheerd in 1970 opnieuw een aderlating heeft ondergaan en is gedaald van ƒ 2, 4 miljoen tot ƒ 0, 9 miljoen. Een achteruitgang dus van ƒ 1, 5 miljoen. De voornaamste oorzaken blijken te zijn: verliezen S.M.R.A. ƒ 2, 1 miljoen, verliezen Boekencentrum en daaraan onderhorige bedrijven ƒ 0, 5 miljoen, waar tegenover diverse baten (o.a. rente) ƒ 1, 1 miljoen.

Een commissie van rapport, bestaande uit de synodeleden ir. P. J. Baauw, T. Teitsma, drs. G. Plaisier en G. H. van Nieuwpoort heeft het — zij het op milde toon — de generale financiële raad niet gemakkelijk gemaakt. De belangrijkste punten waarbij door de commissie de vinger werd gelegd waren:

• De calamiteit bij het Boekencentrumconcern die, zo bleek bij de beantwoording door de voorzitter van de generale financiële raad, mr. Bierman, de kerk voorlopig op bijna ƒ 1.000.000 zal komen te staan. Dat betekent dus boven het reeds ten laste van 1970 gebrachte verlies ook voor 1971 nog een verlies van ƒ0, 5 miljoen. De oorzaak hiervan is al ruimschoots in de .publiciteit geweest: het gaat niet goed met 'Hervormd Nederland' ('Vrij Nederland' versprak zich iemand), het als gezinsblad van hervormd Nederland bedoelde orgaan. 'Er staat ook niets in', gaf onlangs prof. Van Beusekom door als de stem van het eenvoudige gemeentelid dat behoefte heeft aan geestelijk voedsel ook via een landelijk kerkblad en dat daarin, voorzover het Her­ vormd Nederland betrof, werd teleurgesteld. Maar de ramp van Boekencentrum kan niet uitsluitend worden toegeschreven aan het afnemend lezerstal van Hervormd Nederland. Dit was de ondertoon van de repliek door drs. Plaisier. Boekencentrum heeft gewoon een paar financieel zwakke drukkerijen overgenomen tegen een (voor de verkopers althans) gunstige prijs.

• De S.M.R.A. zal de kerk in 1971, zo schatte mr. Bierman, nog op' ruim ƒ 1 miljoen komen te staan. Ergo, voorlopig moet voor 1971 weer gerekend worden op een forse vermogensdaling. Wanneer breekt de kruik?

• De commissie van rapport vestigede voorts de aandacht op de ontoereikendheid van de kerkbouwreserve (ƒ 1.600.000) ten opzichte van het totaal der toegezegde subsidies (ƒ4.500.000). Weliswaar behoeven , deze subsidies niet direct alle betaald te worden en wordt ook in de komende • jaren nog gerekend op bedragen uit de generale kas, maar de voorzitter van de generale financiële raad was niet in staat om de zorgen van de commissie van rapport weg te nemen.

Het verslag eindigt als volgt: 'Gezien de zorgelijke financiële situatie van de kerk moet een programma van ingrijpende bezuinigingen van de grootste urgentie worden geacht’.

Dit programma (beter gezegd de wijze waarop in de toekomst te werk gegaan dient te worden) werd door de heer Plaisier in een aantal concrete punten aan de synode voorgelegd.

Daarvóór diende de heer Teitsma het voorstel in om het budgetrecht * dat thans bij het breed moderamen berust ('niet waar', merkte ds. Landsman op, 'de generale financiële raad heeft het budgetrecht, doch moet daarbij in overleg treden met het breed moderamen') naar de synode toe te halen. Dit voorstel, als ook de voorstellen van de heer Plaisier zullen in de februari-vergadering 1972 in behandeling komen.

Gezien het belang van de aan de orde gestelde zaken laten wij het betoog van de heer Plaisier, waarin zijn voorstellen zijn begrepen, hier geheel volgen.

’Graag wil ik — aldus drs. Plaisier — nog wat nader ingaan op datgene wat op blz. 7 en 8 van het verslag 1970 van de generale financiële raad onder het hoofd Centraal Budget staat vermeld.

Het probleem wordt door de raad duidelijk gesteld:

a. er moet in de toekomst rekening worden gehouden met een daling van de opbrengsten uit de plaatselijke gemeenten; b. de bestaande reserves van de landelijke kerk zijn uitgeput.

Er moet dus wat worden gedaan. Er is ook wat gedaan. Er is een commissie gevormd en die cornmissie heeft in september 1970 een nota bij het breed moderamen ingediend, waaruit onder meer resulteerde een bezuiniging voor 1971 van ƒ 150.000 (of 3 pet) voor de kas van het algemeen kerkewerk. Ondanks deze bezuiniging werd de begroting 1971 vastgesteld met een nadelig saldo van ƒ 180.000.

Zonder dat tekort geschoten wordt in waardering voor wat reeds is begonnen zal het duidelijk zijn dat we er op deze manier niet komen. Het beklemmende probleem, de verwachte groeiende discrepantie tussen ontvangsten en uitgaven, wordt hiermee niet opgelost.

In het algemeen gesproken kan men dit probleem op tweeërlei manier aanpakken:

1. Men kan trachten om de ontvangsten te vergroten, dat betekent meer geld uit de gemeenten halen. Het komt mij voor dat deze mogelijkheid slechts in theorie bestaat of, zo zij al — desnoods met dwangmiddel —, gerealiseerd zou kunnen worden, ten koste zou gaan van het plaatselijke werk. Het is ieder van ons bekend dat de gemeenten het financieel steeds moeilijker krijgen: stijgende kosten en afnemende bereidheid om financiële offers te brengen, gelijke tred houdend met dalende belangstelling voor de kerk. Anders gezegd: steeds grotere bedragen moeten door steeds minder personen bij elkaar gebracht worden.

Wij moeten als synode niet de illusie hebben dat de gemeenten nog meer geld voor de landelijke huishouding zullen kunnen opbrengen. Wij moeten ernstig rekening houden met minder opbrengsten. Eventuele positieve resultaten van de actie geldwerving zullen meer dan nodig zijn voor het plaatselijke werk.

2. Het tweede middel — en gezien het zojuist opgemerkt: de aangewezen methode — om tot een evenwichtig landelijk budget te komen is (bij te verwachten dalende opbrengsten aan quotum en collecteplan): een drastische bezuiniging op de uitgaven.

Nu kan men op goed geluk in een aantal begrotingsposten gaan schrappen, maar dat is niet de aangewezen methode. Zo'n bezuiniging moet volgens een zorgvuldig voorbereid plan op langere termijn geschieden. En dat plan moet in hoofdlijnen worden vastgesteld door de synode. Door de synode omdat het niet ondenkbaar is, dat het plan ingrijpende consequenties heeft voor de omvang en de structuur van het landelijke en het provinciale werk. Door de synode ook omdat het budgetrecht gewoon bij de synode behoort. Bij zo'n plan kan men uiteraard op verschillende manier te werk gaan. Ik wil u in een tiental punten mijn gedachten hieromtrent voorleggen.

1. De generale financiële raad krijgt de opdracht om een raming te maken van de bedragen welke — alle omstandigheden in aanmerking genomen — in de komende zes jaren maximaal beschikbaar zullen komen uit de gemeenten ten behoeve van de kas voor het algemeen kerkewerk, (quota en coUecteplan).

2. In de februariyergadering 1972 wordt op grond van deze raming door de synode vastgesteld welke bedragen in de jaren 1973 t.m. 1977 in totaal per jaar mogen worden besteed aan landelijk werk, provinciaal werk, buitenlandse betrekkingen en overige kosten. Het is te verwachten dat deze bedragen een dalende reeks zullen vormen, b.v. 1973 ƒ 4.500.000, — 1974 ƒ4.000.000, — 1975 ƒ 3.500.000, — 1976 ƒ 3.000.000, — 1977 ƒ 2.500.000, — Maar dat moet nog afgewacht worden.

3. Vooruitlopend op de uitvoering van het plan vinden in 1972 geen benoemingen plaats waaraan financiële consequenties zijn verbonden en worden in dat jaar, waar mogelijk, reeds besparingen doorgevoerd.

4. In de februari-vergadering 1972 wordt een commissie van onafhankelijke deskundigen benoemd. Onafhankelijk in die zin, dat, om begrijpelijke redenen, van de commissie geen deel kunnen uitmaken personen die financieel afhankelijk zijn van de kerk. Een uitzondering worde gemaakt voor personen uit de sector van de generale financiële raad. Deskundig in die zin, dat de commissieleden een grondige kennis van de kerk moeten hebben en daarnaast over organisatorische bekwaamheden moeten beschikken. De commissie moet gebruik kunnen maken van de diensten van een efficiency-bureau, waaraan deeltaken kunnen worden gegeven. Met name voor de beoordeling van de doelmatigheid waarmede op de verschillende bureaus wordt gewerkt kan dit van groot belang zijn.

5. De commissie krijgt als opdracht om, in samenwerking met de generale financiële raad, een globaal financieel vijfjarenplan voor de periode 1973 t.m. 1977 op te stellen. Basis voor dit plan vormen de door de synode vastgestelde maximale uitgave-bedragen.

6. In de juni-vergadering van 1972 wordt het door de commissie en de generale financiële raad opgestelde globale plan aan de synode voorgelegd.

7. Na behandeling en goedkeuring van het plan door de synode krijgt de commissie opdracht om het plan verder te detailleren. Voor 1973 een vergaande detaillering, naarmate de jaren verder weg liggen kan de detaillering minder worden. Het gedetailleerde plan 1973 geldt in feite als het budget 1973.

8. Het gedetailleerde budget 1973 en de globale budgetten voor de volgende jaren worden in de novembersynode 1972 vastgesteld.

9. Het toezicht op de naleving van de budgetten blijft bij de generale financiële raad. Onvermijdelijke overschrijdingen van betekenis worden op korte termijn ter kennis van de synode gebracht.

10. In november 1973 wordt het gedetailleerd budget 1974 door de synode vastgesteld, worden de globale budgetten 1975 t.m. 1977 eventueel aangepast aan veranderde omstandigheden en wordt 1978 aan de reeks toegevoegd.

Ik heb getracht — aldus nog steeds drs. Plaisier — om u in het kort te schetsen langs welke weg wij naar mijn mening kunnen komen tot een financiële sanering van de landelijke kerk. Zoals gezegd zijn ook andere manieren denkbaar. Wél wil ik u èn de synode de noodzaak op het hart binden om op korte termijn de nodige maatregelen te nemen. Doen wij dat niet, dan zal naar mijn stellige overtuiging de kerk binnen korte tijd — ten hoogste enkele jaren — voor een financieel debacle komen te staan. En dat wil toch niemand! Tot zover het betoog van drs. Plaisier. Al met al geen opwekkend beeld. Het zal duidelijk zijn dat saneringsmaatregelen dringend gewenst zijn.


* Een budget of begroting is een opstelling van verwachte ontvangsten en toegestane uitgaven, betrekking hebbend op het komende jaar; denk bv. aan de rijksbegroting.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De financiën van de kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's