Vraag en antwoord
De laatste tijd ben ik overstroomd met brieven. Meestal werd niet gevraagd om antwoord, maar werd slechts instemming betuigd met of verheuging uitgesproken over het Getuigenis. Die vele brieven, waaruit vaak een geestelijke bewogenheid met de Kerk sprak, waren een stimulans, een prikkel om verder te gaan. Er waren ook brieven, waarin wèl om een antwoord werd gevraagd. Voorzover ze het Getuigenis betreffen zal de beantwoording, voor zover dat al mogelijk is, nog wel even moeten wachten. Er is vrijwel geen beginnen aan om een overzicht te krijgen van alle correspondentie, die er over het Getuigenis is gevoerd. Daarvoor zullen de briefschrijvers, die aan één van de opstellers van het Getuigenis een brief zonden, ongetwijfeld begrip hebben. Inmiddels zijn er echter de laatste weken ook vele brieven over andere onderwerpen mijn brievenbus binnengegleden. Elke brief afzonderlijk beantwoorden was onmogelijk. Wanneer het strict nodig was is het gebeurd. Op andere brieven wil ik nu in dit artikel nader ingaan.
IKOR
Er zijn de laatste weken veel vragen gesteld over het IKOR. Aangezien de meeste vragen om hetzelfde cirkelen beantwoord ik ze allemaal tegelijk.
Een punt, waarom het bij voorbeeld gaat, is of we als Hervormd Gereformeerden medewerking kunnen verlenen aan bepaalde programma's, waarin je bij voorbaat in een bepaald kader wordt geperst. Dat werd dan met name geconcretiseerd aan de hand van IKOR-programma's. Er is — zo zou ik willen zeggen - ^ alle aanleiding deze vraag te stellen. Ik sta op het standpunt: zaai aan alle wateren. Waar men ons ook vraagt rekenschap te geven van ons belijden daar moeten we het doen. Maar dan moet er wel het geëigende kader voor aanwezig zijn om aan dit zaaien en dit rekenschap geven toe te komen.
Op de laatstgehouden Hervormde synode sprak dr. C. Graafland, bij de besprekingen over IKOR, over de fanatieke ideologie van de dialoog waarin het IKOR gevangen is. Aan ieders mening wordt zoveel volume gegeven dat het belijden in ademnood komt, aldus dr. Graafland. Hij mocht dit zeggen, want hij had het aan den lijve ondervonden. In de IKOR t.v.uitzendingen, getiteld 'het Leerhuis', waarin hij samen met vele anderen, van de meest uiteenlopende levensovertuiging, deelnam aan gesprekken over religieuze onderwerpen, zoals het lijden, het gezag e.a., werd inderdaad zoveel stem gegeven aan allerlei mogelijke visies, dat het belijden nauwelijks of in het geheel niet aan bod kwam. Wanneer in een programma van een half uur zeker tien mensen aan het woord komen en je zit er dan als enige van de Gereformeerde gezindte, dan heb je gemiddeld drie minuten spreektijd in zo'n programma. Daarin kan natuurlijk nog heel wat worden gezegd. Maar als men er dan ook nog in knipt — het orthodoxe geluid kent men immers al? — dan ligt het voor de hand dat je op een bepaald moment zeggen moet dat je voor het geheel geen verantwoordelijkheid meer kunt dragen, temeer ook omdat het programma in een hele sfeer wordt gebracht waarin het belijden inderdaad in ademnood komt. Dat dr. Graafland het na vier uitzendingen af liet weten ligt voor de hand.
Ik heb zelf een dergelijke ervaring gehad. Na het gesprek dat door de besturen van de G.B. en de Conf. Vereniging werd gevoerd met het moderamen van de synode — een gesprek waarin uitvoerig van gedachten is gewisseld over het Getuigenis — werden ds. Van Zanten, prof. Van Itterzon en ik door iemand van IKOR uitgenodigd voor een vraaggesprek in de kapel van Hydepark. Dat gesprek was zakelijk, louter informatief en werd in een goede sfeer gevoerd. Bij de uitzending kwam je tot de verrassende ontdekking dat het gesprek in tweeën was geknipt en dat twee Leidse studentendominees, Bouhuys en Deurlo, vanuit hun huiskamer ten tonele werden gevoerd om tegen het Getuigenis aan te trappen. Achteraf bleek me dat de mensen van IKOR, zonder dat wij er van op de hoogte waren gesteld, met het bandje naar de studentendominees waren gegaan, het daar hadden afgedraaid en hen toen in de gelegenheid hadden gesteld erop in te gaan. Deze methode is typerend.
We moeten zeggen dat de blikrichting van IKOR zodanig is dat het belijdende geluid altijd in het hoekje zit waar de klappen vallen. Men zweert bij de dialoog, maar het echte confessionele, dat wil zeggen aan Schrift en belijdenis gebonden geluid past kennelijk niet in die dialoog.
Ook de manier waarop IKOR de synodevergadering over het Getuigenis meende te moeten verslaan sprak in dit opzicht boekdelen. Een schandelijk tendentieuize uitzending. Ter vergadering bleek al dat de camera's nogal selectief te werk gingen. De critici van het Getuigenis kregen het volle pond. Degenen echter die een bewogen woord spraken vanuit het belijden van de kerk kwamen niet aan bod. En aan het eind van de uitzending meende de IKORverslaggever te moeten opmerken dat op deze synodevergadering dan kennelijk het rechterdeel van de kerk aan het woord was geweest, waaraan hij de vraag toevoegde of dat deel ook nog wat te beweren had. Zo gaf het IKOR een verregaand vertekend beeld van het verloop van de besprekingen over het Getuigenis.
Laat ds. Koole, de IKOR-directeur, dan maar niet meer zeggen, zoals hij op de synodevergadering deed, dat men vaak probeert mensen uit onze kring te krijgen maar dat het niet lukt. Het kader, waarin je bij het IKOR geplaatst wordt deugt niet, en dat maakt je inbreng onmogelijk. Ds. Abelsma merkte op dat het IKOR in dit opzicht al lang gewogen en te links bevonden is. Ik heb alle reden om, na wat het IKOR de laatste weken heeft laten zien, te zeggen dat we in dat kader als gereformeerde belijders niet passen. En wanneer het dan tot een gelovige heroriëntering van het IKOR moet komen — de synode sprak zich in die zin uit — dan zal er wel een hele radicale omwenteling moeten komen. Ik heb er geen vertrouwen in dat dat met de huidige bemanning van IKOR mogelijk zal zijn.
Tenslotte over deze zaak nog één opmerking. Zodra je wat over het IKOR schrijft krijg je te horen: waarom niet even met ons contact opgenomen? Welnu het IKOR presenteert zich in het openbaar, het krijgt van allerlei kanten brieven met bezwaren — dat is ook de laatste weken weer gebeurd — maar het laat de bezwaren voor wat ze zijn. Dan willen we ook deze dingen publiekelijk aan de orde stellen, daarin tevens een antwoord gevend op vele vragen dié hierover gesteld worden.
En wat de medewerking betreft van onze kant aan bepaalde programma's, dan zal er bepaald een kader moeten zijn waarin je vrij kunt ademen en dan ook vrijuit kunt (uit)spreken.
Diversen
Tenslotte wil ik nog ingaan op een aantal verspreide vragen, die me werden gesteld. Iemand vraagt waarom er via de classes niet meer Hervormd Gereformeerde afgevaardigden zitting hebben in de synode en dan ook in het moderamen. Over deze zaak is al veel geschreven. De afvaardiging naar de synode is een belangrijk punt. Nu is het zo dat in de meeste classes de Hervormd Gereformeerden een minderheid vormen. In verschillende van die classes is dan wel een Hervormd Gereformeerde als secundus aangewezen. Als er een keer een verdubbelde synodezitting is (primi en secundi) dan krijg je in de synode opeens een ander beeld. Dat moet te denken geven, evenals het te denken moet geven dat het breed moderamen, dat uit veertien leden bestaat, slechts één Hervormd Gereformeerde afgevaardigde bevat en het moderamen geen enkele.
Inmiddels is echter niet de getalsterkte het belangrijkst maar de inbreng. En dan mogen we echt nog wel eens een appèl doen op de kerkeraadsleden om trouw de posten te vervullen in de bredere vergaderingen van de kerk. Laten we de mogelijkheden niet onbenut laten en vooral ook aan onze roeping gestalte geven.
Verschillenden hebben de laatste tijd gevraagd of er niet een landelijke bidstond moet worden gehouden. We hebben na de vergadering in de Domkerk de synode erom verzocht. Het moderamen heeft toen de kerkeraden opgewekt om de vergadering van de synode in de voorbede te gedenken. Ik meen echter dat het van nog groter belang is als de voorbede voor de kerk en dan ook voor de synode wekelijks in de samenkomsten van de gemeenten plaats vindt. Wanneer het in de wekelijkse kerkdienst gebeurt, zonder openbaar vertoon, dan is dat een zuurdesem dat de kerk doortrekken zal. En dan niet te vergeten de persoonlijke voorbede. Wie doet, zoals één van onze vroegere voorgangers deed? ; namelijk elke avond de synode in de voorbede gedenken? Op de dag waarop het Getuigenis verscheen, ontving ik een telefoontje van iemand die me vertelde dit Getuigenis als een gebedsverhoring te zien. De persoon die me belde worstelde in het gebed om de kerk (en). En zo zijn er Gode zij dank nog velen. Daarvan heb ik de laatste weken overstelpend veel ontroerende bewijzen in brieven en dergelijke ontvangen. Dan mogen de smaders zeggen, ter rechter en ter linkerzijde, wat haalt het allemaal uit? Op het grondvlak van de kerk blijkt nog een biddend volk te zijn dat de taal van het geloof verstaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's