Een volk zonder kerk?
Als kleine kinderen om hun moeder zo staan de huizen van een oude stad geschaard rondom de kerk.
Het kerkgebouw, dat hoog oprijst boven de lage, grauwe daken en dat zijn forse toren hoog houdt geheven als een hand, die naar de hemel wijst.
De kerk, die in de stenen taal van pilaren en spitsbogen de hele stad oproept om de harten tot God te verheffen. En vol deemoed verhief men het hart tot de Here.
Want in deze wereld staat de kerk niet alleen letterlijk midden in de stad maar ook geestelijk beweegt het leven van de stedelingen zich om het huis van God. Daar hebben de gilden hun altaren en bewaren zij hun schatten.
Daarheen brengt men het kind op zijn eerste gang door het leven, als hij gedoopt zal worden, en daarheen draagt men de overledene op zijn laatste gang om hem een rustplaats te geven in of bij de kerk.
Als rampen het land teisterden, de 'zwarte dood' de mensen deed denken aan het nabije einde of als de, noodklok klepte, wanneer de golven aanbeukten tegen de muren van de stad, stroomde het volk naar de kerk in boete en bede. Kwam er uitkomst dan vulde zich het huis van God tot in de uiterste hoeken om de Here te danken voor zijn reddende genade.
Zo stond de kerk midden tussen het volk. En was het volk in de kerk te vinden. Nog rijzen kerktorens hoog boven de moderne steden.
Met liefde spreekt de Amsterdammer van zijn Westertoren, de Rotterdammer van zijn herbouwde Laurenskerk.
De dom van Utrecht overziet nog stad en gewest.
Maar het beeld is wel anders geworden.
Torenflats en verzamelgebouwen, fabrieken-silo's beheersen mee het beeld van de steden.
Bij de opening van een kerk voor de oorlog werd er op gewezen, dat in dit deel van het industriedorp zes schoorstenen stonden en ook één kerktoren: teken van de zes werkdagen en de dag van de Here. Nu vormen de schoorstenen een veel groter veelvoud van de torens der kerken, zo die nog torens dragen.
Tekenend is, dat in Rotterdam het witte gebouw van de medische faculteit twee maal zo hoog is als de toren van de grote kerk. De Euromast is zelfs ruim drie maal zo hoog!
Dit alles geeft een beeld van de toestand, waarin de kerk zich nu bevindt in de grote steden.
En werkelijk daar niet alleen!
In de grote steden staat de kerk niet meer te midden van het volk. Ondanks trotse en statige bouwwerken lijkt de kerk meer op een nachthutje in de komkommerhof.
De brede massa's van het volk in de steden komt niet meer naar de kerk. In Amsterdam, dat zijn nieuwe bevolking voor een groot gedeelte betrok uit ontkerkelijkte gebieden, was dit allang duidelijk. In de andere grote steden spiegelde men zich aan de hoofdstad en men spiegelde zich zacht. Tot ook hier de nood zich deed gelden en in steeds meer versneld tempo. Kerken werden verkocht en omgebpuwd tot opslagplaats voor bromfietsen en supermarkten. Of gesloopt om plaats te maken voor andere gebouwen. Het beroepingswerk in sommige grote steden staat nagenoeg stil. Vacante predikantsplaatsen worden niet meer vervuld of de kerkeraad mag alleen beroepen uit de eigen kring van predikanten, omdat er geen geld meer is om alle plaatsen in stand te houden.
Oorzaak: het volk komt niet meer in de kerk.
Het lijkt er op, dat we een tijd krijgen, dat er nog wel kerken staan maar zonder kerkvolk.
Hoe komt dit toch?
Waarom is dit alles zo en dreigt het nog steeds erger te worden?
Vele oorzaken worden genoemd. De welvaart zou de mensen naar het hoofd zijn gestegen en daarom zouden zij nu menen, dat ze het zonder God evengoed (of beter? ) kunnen redden.
Niemand zal betwisten, dat wij als volk de welvaart niet aan kunnen. Maar daarmee is het laatste woord niet gezegd. Want dan zou nu bij een uitholling van de voorspoed een kentering moeten optreden in de onkerkelijkheid, maar het tegendeel is het geval. Verbitterd vraagt de verwende mens, waaraan dat nu te wijten valt en hij is graag bereid om de Here daarvan de schuld te geven.
Bovendien dienen wij wel te bedenken, dat dit proces al voor de oorlog aan de gang was. Door de oorlog werd het tijdelijk omgebogen en waren de kerken weer vol, maar nauwelijks was de bevrijding gekomen en de eerste roes van dankbaarheid en hoop voorbij, of hetzelfde proces zette door in verhevigde vorm.
We moeten vaststellen, dat zowel de welvaart als de werkeloosheid velen van de kerk heeft vervreemd.
Anderen spreken van de vooruitgang van de techniek als de schuldige. De mens die naar de maan reist, zou in overmoed menen, dat God niet meer nodig is, zo hij al zou bestaan.
Inderdaad is het zo, dat de voortgaande techniek de mens een gevoel kan geven van groter onafhankelijkheid van de Here. Waar anderen baden, zullen zij nu rekenen en heersen over de machten van de natuur.
Een treffend beeld daarvan biedt de rijnvaart en die niet alleen. Wanneer vroeger een sleepboot met rijnaken de rivier zou opgaan, gaf de kapitein drie slagen met de bel. Duidelijk betekende dat, dat men ging varen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Dan nam de schipper de pet met glimmende klep van het hoofd en deed een kort gebed. Nu kon men vertrekken.
Tegenwoordig zijn er — enkele uitzonderingen daargelaten — nog wel de drie slagen op de bel, maar de pet, zo die nog gedragen wordt, blijft op het hoofd. We hebben immers radar, betere bebakening, we zijn verzekerd . . .
De Kanaanieten kenden hun Baals, de god van de vruchtbaarheid, het lijkt wel of wij een moderne Baal hebben, de god van de techniek. En de huizen van de levende God worden leger en leger.
Weer anderen wijten dit aan de fouten, die de kerk zelf heeft gemaakt en nog maakt. De kerk zou spreken in onverstaanbare taal over zaken, die de moderne mens als geheel verouderd ziet.
De kerk is niet met zijn tijd mee gegaan.
Daarom staan oude kathedralen aan verstilde kerkpleintjes maar niet meer in het hart van de stad.
De kerk zou zijn boodschap niet waar hebben gemaakt en beleden hebben wat niet werd beleefd. Gepredikt en geprezen hebben wat men zelf niet met een vinger aanraakte om te doen.
De kerk heeft de mensen overheerst in plaats van hen de inspraak te geven die de mens van nu niet vraagt maar eist. Een 'domineeskerk' zou het kerkvolk te kort hebben gedaan en hen daardoor de kerk hebben uitgedreven. Men is de alleenspraak op de kansels moe en wil zelf spreken over wat men zelf wil gezegd hebben en horen.
Er moet veel meer fleur aan onze diensten worden gegeven door een veelkleurige liturgie.
Er is geen geestdrift, maar enkel verveling. De kerk heeft de arbeiders verloochend, de geleerden verwaarloosd, de middenstanders van nu niet gesteund.
Alles samenvattend zouden we kunnen zeggen, dat de kerk alles alleen maar verkeerd heeft gedaan.
Sommige predikanten worden niet moe dit uit den treure te verkondigen.
Schreeuwde de franse revolutie er om, dat men de 'eerloze' (de kerk) zou vernietigen, het lijkt wel of deze roep nu herhaald wordt in de kerk zelf en er buiten. En de kerken worden al leger.
Is de nabije toekomst van de kerk in de steden inderdaad: Kerk zonder volk? Wordt het woord kerkvolk een verouderd en dus verdwijnend begrip? En zal het weldra zijn een volk zonder kerk?
Is dit waar?
Het is een feit, dat de grote stad de neiging heeft om het kerkelijk leven snel te doen afslijten. In Rotterdam, waar een grote import is van de kerkelijk meelevende Waarden en eilanden, kennen wij het volgende proces. De grootouders kwamen naar de stad; zij waren lidmaten en trouwe kerkgangers. Hun kinderen werden nog wel gedoopt maar gingen, ouder geworden, niet meer naar de kerk en de kleinkinderen worden niet meer gedoopt, doen 'nergens meer aan'. Sommigen zeggen dan ook veelbetekenend, dat het heel veel te zeggen heeft, dat de eerste bouwer van een stad Kaïn was, dat de tweede stad Babel is geweest. Zij noemen de namen van Ninevé en Rome. En met bijna jaloerse ogen kijkt men naar de dorpen, waar de kerken vol zijn of waar nieuwe kerken worden gebouwd.
Moeten wij de steden dan maar afschrijven?
Worden dit plaatsen, waarvan (maar in geheel andere zin dan bedoeld in de Schrift) gezegd moet worden, dat er geen tempel meer in is? Of mogen we blijven geloven, dat het Woord des Heren een Woord is voor alle plaatsen? Dus ook voor onze grote steden!
Zijn Woord regeert immers aan alle plaatsen van zijn heerschappij en zouden de steden daar dan niet meer onder vallen?
Gods Woord noemt nog altijd Ninevé, hoe schuldig ook, een grote stad Gads. Mag dit ook gelden voor Amsterdam, Den Haag, Utrecht, . Rotterdam, Eindhoven? De problemen 'van de stad ontken ik niet. Ik zou er geen twintig jaar hebben moeten — en mogen! — werken om die niet enigszins te kennen. Maar Gods Woord is sterker dan de slijtende werking van de steden.
En de welvaart dan?
Met voordien de werkeloosheid en de crisis?
Maar die werd en wordt in heel ons land gevonden en al weten we allen maar al te goed, dat deze invloeden ook tot op de kleinste dorpen wordt ondergaan, daar vreet dit alles toch niet zo diep in tot op het gebeente als in de stad. Althans niet zo duidelijk en zo snel.
Ik meen, dat we goed doen met de ogen voor dit alles niet te sluiten, maar tegelijk moeten we er tegen waken, dat we gaan zeggen, dat het daarin alleen schuilt, want dan gaan we een weg op, die we juist — zie ook de bijbelse woorden, die het 'Getuigenis hieraan wijdt — niet willen gaan. Dan zouden de structuren, de omstandigheden dit alles bepalen. Maar niet alleen de omstandigheden alléén en zelfs niet in de eerste plaats hebben dit alles zo laten worden.
Wat dan?
Toch de techniek, die de hoogmoedige mens vervreemdde van zijn Schepper? De waan, dat wij het nu wel in handen hebben, zodat we de Here kunnen missen? Of de gedachte, dat de duidelijke macht van techniek geloof onmogelijk maakt? Ik ontken niet, dat de trotse mens, dat zijn u en ik dus, - alles aangrijpt om de Here uit te bannen en dat de techniek daarbij een dankbaar voorwendsel biedt, maar de oorzaak zit dieper, veel dieper. En stelt ons veel meer schuldig.
Moet ik dan komen enkel tot de schuld van de kerk?
De kerk heeft schuld!
Als de Bijbel zegt, dat wij allen gezondigd hebben, valt de kerkmens daar zeker ook onder.
De Kerk heeft verstaanbaar te spreken, maar kan het ook zijn, dat men niet wilde verstaan en daarom niet verstond? En zo vervreemdde, dat men ook niet meer kon verstaan?
De kerk is de kerk van alle tijden. God stelt ons niet in 1500 of 1700, maar in 1971, op de grens van 1972. Maar wij blijven gebonden aan het eeuwig Woord van God, die gisteren en heden dezelfde is en tot in eeuwigheid.
Ik wil niet al deze genoemde bezwaren gaan weerleggen, want ik wil niet de schijn wekken, dat ik zou goed trachten te praten wat verkeerd was. Maar duidelijk hebben we te stellen, dat de kerk de opdracht heeft en houdt om Gods goede Woord te verkondigen tegen de geest van alle tijden en van ons natuurlijk hart in. Het 'alzo spreekt de Here', klinke door elke zondag. Hetzij men dit wil horen of niet, daarvan mogen we niet afwijken, willen we niet een ander evangelie brengen dan gebracht is. Wie dit doet, hoort het harde maar rechtvaardige oordeel van de apostel Paulus in Galaten 1 : 8 en 9. We kunnen niet anders. We mogen niet anders.
Als men dan door een kleurrijker liturgie de prediking van zijn gegeven plaats wil verdringen, kan er alleen maar verzet 'zijn. Niet uit vrees voor iets nieuws, maar in dankbare gehoorzaamheid aan de Schrift. En die Schrift wil ons aanwijzingen geven om het volk, ook het ontkerkelijkte en ontkerstende volk weer te leiden tot de Kerk, de plaats waar de Heilige Geest door het Woord de gemeente bouwt en versterkt door heilige sacramenten.
Daar zullen wij en zij telkens weer moeten leren, dat de diepste oorzaak van alle afval in de eerste en ergste plaats schuilt in ons hart, dat niet buigen wil voor het Woord en het gezag van de Here. Dat wij als kinderen van Adam niet onder God willen staan maar als God willen zijn. En daarom elke gelegenheid zullen aangrijpen om ons van de Here los te maken. Een kerk zonder volk ontstaat waar een volk zonder God wil leven.
Hierover een volgend keer meer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's