Woorden en hun inhoud
Woorden, ze worden zo gemakkelijk uitgesproken. Diep geestelijke woorden worden soms gebezigd op een wijze alsof het de meest vanzelfsprekende zaken betreft. Ik heb dat de laatste tijd nogal eens ervaren bij gesprekken rondom het Getuigenis. Het Getuigenis heeft twee soorten kritische reacties opgeroepen. Enerzijds kritische reacties die zich op de inhoud richtten. Daarin werd soms onomwonden gezegd dat wat in het Getuigenis aan de orde gesteld is behoort tot een voorbije tijd. We kunnen er nu niets meer mee doen. De inhoud zelf werd dan geheel of gedeeltelijk afgewezen. Zonder omhaal van woorden werd soms opgemerkt dat men geen raad meer wist met rechtvaardiging van de goddeloze, of met persoonlijk geloof, wedergeboorte en bekering. Het gaat nu om het collectieve. Anderzijds waren er ook vele kritische reacties, die zich richtten op wat er niet in het Getuigenis stond. Over de inhoud werd gezwegen of, — en daarom gaat het me in dit stukje — de inhoud werd terloops beaamd. Ik zou het wat willen toespitsen op één punt, namelijk dat punt van het Getuigenis, waarin het gaat om de rechtvaardiging, die aan de heiliging vooraf gaat. Hoe vaak is het niet gezegd de laatste weken: 'natuurlijk is dat zo'; waarop dan echter direct volgde de vraag hoe het dan verder met de politieke dimensies van het evangelie zit, of hoe de Kerk in de wereld moet handelen. Zonder dat ik deze laatste vraag zou willen geringschatten, het eerste is me vaak te gemakkelijk gezegd. Te vanzelfsprekend wordt soms over de rechtvaardiging van de goddeloze gesproken. Voor Luther was het de ontdekking van zijn leven, een ontdekking die hij deed aan het eind van een weg van zelfbeproeving, waarop hij langs de weg van zijn werken de verzoening met God trachtte te verwezenlijken. Hij ontdekte dat hij als een goddeloze gerechtvaardigd moest worden, 'om niet', zonder enige verdienste van hemzelf, door het werk van die Andere, Jezus Christus.
Als het zo voor Luther was, zou het dan voor de Kerk van nu een vanzelfsprekende zaak zijn? Volgens dominee E. F. Verbaas uit Maassluis wel. Hij schreef een meditatie in 'De Zondagsbode', het kerkblad voor Maassluis en omgeving, en reageerde en passant op een opmerking mijnerzijds over de rechtvaardiging. Ds. Verbaas liet toen weten, dat omdat Luther die ontdekking gedaan heeft, wij die ont dekking niet meer behoeven te doen. Voor ons mag het uitgangspunt zijn.
Zo'n opmerking geeft mij nu alle aanleiding te zeggen dat het met de prediking van de rechtvaardiging in onze kerk niet in orde is. Rationeel mag het namelijk waar zijn wat ds. Verbaas zegt — wij behoeven inderdaad dit wezenlijke stuk van de Schrift, deze kern van kerkelijk belijden niet meer te ontdekken — maar pneumatologisch gezien, of ook bezien naar de kant van de geloofsbeleving is het niet waar. De rechtvaardiging van de goddeloze is een geheimenis, dat doorleefd moet worden en altijd weer het hart van de prediking moet zijn. Wat ds. Verbaas over dit punt schreef doet me vermoeden dat hij dit diepe geloofsgeheimenis als een rationeel gegeven hanteert, te vanzelfsprekend, te gemakkelijk.
Zo zei een hoogleraar in de theologie in een gesprek met z'n studenten dat je niet eeuwig over de rechtvaardiging kunt blijven praten; waarop één van de studenten terecht opmerkte: 'maar wel zolang we in dit leven zijn'.
Die rechtvaardiging van de godeloze behoort tot de 'vastigheden' van het geloof. Maar juist daarom zal dit het merg van de prediking moeten zijn en blijven. Want 'vastigheden van het geloof' zijn geen vanzelfsprekendheden. Zodra het vanzelfsprekendheden worden, worden het al gauw vooronderstellingen waarop prediking en kerk-zijn rust, maar het functioneert niet meer en zo verdwijnen tenslotte de 'vastigheden'.
Zou er juist t.a.v. dit punt niet veel armoede zijn in de prediking? (als men er nog van uitgaat). Omdat men te 'vlot' uitgaat van de rechtvaardiging? Het Getuigenis is in dit verband toch niet vanuit een ivoren toren geschreven? Maar wat meer zegt: het is voor allen in de gemeente bedoeld, ook voor de opstellers zelf. Op te staan tot de vreugde van het belijden, juist ook t.a.v. dit punt, waarvoor je een leven op de school van de Heilige Geest nodig hebt om de diepte ervan te verstaan. We hebben ook in onze tijd de ontdekking van Luther nodig, dat we met al onze werken of onze twintigste eeuwse collectieve kerkelijke activiteiten nog geen been hebben om voor God op te staan. Het gaat altijd maar weer om de rechtvaardiging, om de radicaliteit van de genade, met dan onlosmakelijk daaraan verbonden, maar er op volgend, de heiliging. Wanneer de rechtvaardiging niet meer functioneert loopt de heiliging dood in wettisch activisme. In de verbinding met de rechtvaardiging evenwel is de heiliging zélf ook gebonden aan Christus, die Zelf de gerechtigheid en de gehoorzaamheid van de goddelijke wet heeft vervuld (Avondmaalsformulier).
We moeten maar niet te 'vanzelfsprekend' over de rechtvaardiging spreken. Het zou een alibi kunnen zijn om toch aan de ergernis van het evangelie te ontkomen, en om er verder dan maar weinig of helemaal niet meer over te spreken.
Wat heeft de Kerk het in onze dagen weer nodig de diepe dimensies te verstaan van de Romeinenbrief, waarin de gerechtigheid van Christus, de rechtvaardiging 'om niet' zo helder worden beleden. Het moet wel opmerkelijk genoemd worden dat juist deze brief zo vele malen in de geschiedenis gesproken heeft, waardoor de rechtvaardiging van de goddeloze weer door ging klinken in kerk en theologie. Ik noemde al de ontdekking van Luther. Ik zou er bij willen noemen Kohlbrügge. Hoeveel predikanten in de huidige kerken zouden gelezen hebben Kohlbrügges preek over Rom. 7 : 14 of trouwens ook de juweeltjes van preken van Calvijn over de rechtvaardiging n.a.v. Gen. 15 : 4— 7? De Kerk zal de diepe inhoud van de Romeinenbrief en ook van de Hebreeënbrief — Christus de Middelaar — weer in de prediking moeten verdisconteren. Niet omdat dit het enige zou zijn dat in de Bijbel staat, maar wèl omdat het momenteel zo schijnt te zijn alsof deze boeken niet in de bijbel staan.
Woorden zijn o zo gemakkelijk gesproken. Maar geloofsmysteries laten zich slechts toeëigenen in de weg van wedergeboorte, geloof en bekering.
In de prediking mag en moet dan echter intussen de vastheid ervan worden uitgezegd, vanuit het onverbreekbare werk van De Middelaar. Dat niet te prediken is Hem opnieuw kruisigen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's