De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschuivingen in de R.K. theologie (Slot)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschuivingen in de R.K. theologie (Slot)

9 minuten leestijd

Onfeilbaarheid van de kerk en Petrusdienst

Dat in de oecumenische verhoudingen de figuur en het ambt van de paus het hete hangijzer is mag als bekend worden verondersteld. Ieder rooms-katholiek theoloog die zich inzet voor een hereniging van alle christenen tracht op de een of andere wijze met dit probleem klaar te komen. Ook Kung heeft dat gedaan. Niet pas in zijn boek over de onfeilbaarheid maar al eerder, in zijn vroegere publicaties. Wij horen hem dan spreken over een dienstprimaat waartegen naar zijn gevoelen ook de reformatoren geen bezwaar zouden hebben gehad. Een pauselijk figuur als Johannes XXIII staat hem dan daarbij voor ogen. Tegen een dergelijke paus, meent hij, zouden ook reformatorische christenen op de duur hun bezwaren wel laten vallen. Reeds nu willen wij hierbij opmerken, dat dit een optimisme is waarin wij ons moeilijk kunnen vinden. Niet de wijze waarop een bepaalde paus zijn ambt beoefent maar dat ambt zélf is in de Reformatie het voorwerp van kritiek en afwijzing geweest. Ook als men hem in naam nog wilde dulden bleef van zijn ambt als zodanig toch niets over. De reformatoren hebben in de kerk geen andere regering gewild dan die ene, de regering van Jezus Christus, door zijn Woord en Geest. De paus mocht volgens Luther niet anders zijp dan een gewone dominee; of hij dan nog de naam paus bleef dragen of niet liet Luther koud.

De kwestie van de onfeilbaarheid van het leerambt, dat voornamelijk vertegenwoordigd is in de figuur van de paus is Küng vooral gaan bezighouden in verband met de verschijning van de encycliek Humanae vitae, waarin gesproken wordt door Paulus VI over de gezinsvorming en geboortenregeling. De meerderheid van een door de paus zelf in het leven geroepen commissie was na een lange tijd van bestudering van deze problematiek tot de mening gekomen dat er geen geldige redenen tegen het gebruik van anticonceptionele middelen zijn aan te voeren. Een kleine minderheid in deze commissie, waartoe ook de bekende kardinaal Ottaviani behoorde was daarentegen de mening toegedaan dat het gebruik van deze middelen voor zondig en verkeerd moet worden gehouden. Een vroegere encycliek, Casti Connubii 1930, die uitging van Pius XI schijnt hierin een beslissende rol te hebben gespeeld. Ook Paulus VI heeft zich gebonden gevoeld aan de uitspraken van zijn voorganger. Aangezien naar de opvatting van de rooms-katholieke kerk de kerk onfeilbaar door de Heilige Geest wordt geleid is het niet mogelijk op vroegere uitspraken terug te komen. Hoogstens kan men vroegere uitspraken aanvullen; maar in dit geval scheen dat niet mogelijk te zijn, aangezien de uitspraken van Pius XI daarvoor een te duidelijke taal spraken, namelijk die van een afwijzing van de bedoelde middelen. Het gevolg is geweest dat Paulus VI het gebruik van anticonceptionele middelen afkeurde.

Het is op dit punt dat Küng zijn critiek op de pauselijke onfeilbaarheid inzet. Hij stelt de vraag of dan één man een beslissing voor heel de kerk kan nemen. De nieuwe encycliek is pauselijk solowerk, maar kan dat nog wel in deze tijd, nu de leden der kerk mondig zijn geworden? Aan de persoon van de paus wil Küng niet komen, maar wel aan de aanspraken die hij laat gelden. Trouwens, niet alleen de figuur van de paus is in het geding, maar heel het leergezag, immers heel het leergezag heet onfeilbaar te zijn. Niet slechts enkele uitspraken die de paus zoals het heet ex cathedra uitspreekt, wat zelden voorkomt, zoals in het geval van de afkondiging van het dogma van Maria's hemelvaart, maar ook de uitspraken van het leergezag die heel gewóón heten te zijn, als in encyclieken enz. worden voor onfeilbaar gehouden, en kan dat nu wel? Küng gaat dan verder met te vragen naar de gronden die hiervoor aangevoerd kunnen worden en dan komt hij terecht bij een aantal bijbelteksten, die steeds weer in de traditie van de roomse kerk zijn aangevoerd, maar die voor een deel met heel de kwestie totaal niets te maken hebben en voor een ander deel er slechts mee lijken te maken te hebben. Een belofte als wij vinden in Johannes 16 : 13, waar Christus zegt dat de discipelen door de Geest in alle waarheid zullen worden geleid, kan men moeilijk laten slaan op een onfeilbaar leerambt. Er is hier namelijk in het geheel geen sprake van een leerambt en nog minder van een onfeilbaar leerambt. Zeker wordt de kerk door de Heilige Geest geleid maar dat betekent nog niet dat zij onfeilbaar wordt geleid en dat hiertoe er zoiets als een leergezag te Rome moet zijn, de discipelen immers vertegenwoordigden veeleer het hele volk Gods, met andere woorden de hele kerk. De conclusie van Rome dat de kerk onfeilbaar is dank zij de leiding van de Heilige Geest keert Küng geheel om als hij zegt dat de kerk door de Heilige Geest geleid wordt ondanks haar feilbaarheid.

Er is intussen nog een andere kant aan de zaak die door Küng besproken wordt. Het is déze kant dat volgens hem in twijfel kan worden getrokken of bepaalde uitspraken, ook al zijn het uitspraken van de kerk of van de paus, wel ooit onfeilbaar mogen worden genoemd. Delen niet alle uitspraken, ook al zijn zij kerkelijk en pauselijk, in het menselijk onvolkomene? Kunnen bepaalde uitspraken ooit volledig dekken de werkelijkheid die men er in tracht uit te drukken? Vroeger heeft men gemeend dat dat zo is, men sprak van een adaequatio intellectus et rei, wat wil zeggen dat onze kennis van een bepaalde zaak de zaak zelf raakt, dat de dingen in begrippen te vatten zijn. Dat was, zegt Küng, de tijd van het rationalisme. Men meende zich te kunnen beroemen op helderheid en klaarheid in het verstaan van de werkelijkheid. Maar de moderne taalfilosofie zou hebben geleerd dat de zaak zó eenvoudig toch niet is, dat ons kennen maar zeer gedeeltelijk is en dat waarheid en onwaarheid in elke menselijke uitspraak gelijk opgaan. Küng laat dit ook slaan op dogma's en geloofsdefinities, in uitspraken bijvoorbeeld als te Trente gedaan zijn ten aanzien van de rechtvaardigingsleer, maar ook in uitspraken als men vindt in de reformatorische belijdenissen. In al deze kerkelijke uitspraken zouden waarheid en onwaarheid dooreen gemengd liggen. Waar zijn zij in hetgeen zij bevestigend uitdrukken, onwaar in hetgeen zij ontkennend uitdrukken. In de afwijzing van de mening van anderen zit altijd, volgens Küng een stuk onwaarheid, aan de ander wordt nooit volkomen recht gedaan. Met andere woorden voor onfeilbaarheid is in al deze uitspraken geen grond. Het is niet mogelijk het leergezag te Rome of de paus, zelfs niet als hij ex cathedra spreekt voor onfeilbaar te houden.

Küng heeft met dit alles wel de knuppel in het hoenderhok van zijn kerk geworpen. Het behoeft niemand te verwonderen dat vooral op grond van zijn laatste boek door de curie te Rome een onderzoek naar zijn theologie is gelast. Het gaat hier om het zijn of het niet zijn van de roomse kerk in de toekomst. Er staat Küng een andere kerk voor ogen dan de roomse kerk van vroeger en van nu. Een kerk zonder dogma's als die aangaande Maria, de onfeilbaarheid en het primaat van de paus. Een kerk waarin de figuur van de paus wel gehandhaafd wordt maar aan zijn ambt toch een andere vulling wordt gegeven, waardoor het hemelsbreed zal verschillen van wat het geweest is. Een kerk die zichzelf zal vergeten, door gericht te zijn op de wereld waarin wij leven, met alle noden die daarin zijn.

Küngs protest tegen een onfeilbaar leergezag en een onfeilbare paus kan vanzelfsprekend onze sympathie hebben. Men kan moeilijk van reformatorische christenen verwachten dat zij het ooit voor het oude Rome opnemen. En toch voelen wij ons niet op ons gemak bij Küngs beschouwingen.

De oorzaak daarvan is gelegen in zijn houding ten aanzien van de Schrift. Wat Küng het leergezag ontzegt namelijk onfeilbaar te spreken dat ontzegt hij ook aan de Heilige Schrift. Ook dat is voor hem slechts een menselijk getuigenis, al noemt hij het dan wel het oergetuigenis, aangaande hetgeen in Christus is geschied. Volgens Küng is de Schrift de neerslag van de prediking. In het middelpunt van die prediking stond een gebeuren. Christus heeft ons niet een bepaalde leer geopenbaard, het heil is een gebeuren! De apostelen hebben zowel het feit van dit gebeuren gepredikt als ook de interpretatie die zij er zelf aan gaven. Feit en interpretatie liggen in het getuigenis van de Schrift dooreen. De taak van de kerk en haar dienaren in het heden is zich te houden aan dit getuigenis, deze oorkonde, maar tegelijk er een her-interpretatie aan te geven voor het heden. Daarbij dient dan de hele traditie van dit proces, in de gang van vele eeuwen, mee verdisconteerd te worden.

Er is niet veel theologisch inzicht voor nodig om aan te voelen dat van het Schriftgezag in deze opvatting niet veel overblijft. Wat grof gezegd is in deze opvatting de prediking van de kerk interpretatie van een interpretatie van een gebeuren. Het is een visie die men bij vele vernieuwingstheologen, ook op protestants erf, tegenkomt, onder hen zelfs algemeen mag worden geacht. Tegelijk heeft zij een aanknopingspunt in de oude roomse waardering van de traditie. Zij is tegelijk hypermodem en oud-rooms! Een combinatie die men op andere punten tegenwoordig wel meer tegenkomt.

Küngs theologie is helaas een neo-modernistische theologie. Ondanks zijn oriëntatie, althans naar het lijkt, aan de Schrift, die immers niet verstaan wordt als het Woord Gods, geschreven onder ingeving van de Heilige Geest. Al wijkt deze theologie ver af van bepaalde typisch roomse inzichten, zelfs van bepaalde roomse dogma's, zij is verre van reformatorisch. Daarom is het ons onmogelijk om in het conflict dat er is tussen Küng en de leiding van zijn kerk zonder, meer de partij van Küng te kiezen. En hetzelfde geldt ook van andere rooms-katholieke vernieuwingstheologen.

Niet alles wat anti-romeins en nati-papalistisch is is daarom reformatorisch. Er moet bijgezegd worden dat ook niet alles wat anti-modernistisch is, als bijvoorbeeld een beweging rond pater Kotte, reformatorisch is. Het Woord staat tussenbeide. De reformatorische theologie en de reformatorische kerken zullen met dat Woord een eigen weg moeten gaan. Het is hun opdracht in het huidig tijdsgewricht deze eigen weg meer dan ooit zichtbaar te maken. Misschien zou daarmee nog richting gegeven kunnen worden aan een theologisch denken dat her-en derwaarts geslingerd wordt, zodat niemand het nog allemaal bij kan houden. Het Woord Gods is de wegwijzer, de gids, het compas waarop men in kerk en theologie zich steeds opnieuw heeft te oriënteren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Verschuivingen in de R.K. theologie (Slot)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's