De verhouding van de tweede en de eerste tafel II
Bij het zesde gebod komt nog duidelijker dan bij het vijfde uit, dat de geboden van de tweede tafel gedenatureerd worden, wanneer ze los van het verband met de eerste gehanteerd worden.
Gij zult niet doodslaan. Dat lijkt een voor iedere menselijke conscientie en voor alle menselijk gevoel eenvoudige en duidelijke uitdrukking, die appelleert op ons afgrijzen voor het vernietigen van het leven langs bruut geweldadige of verfijnd verborgen weg. Maar het is bij het peilen van de inhoud van dit gebod, in samenhang met de aanhef van de gehele wet Gods, al weer van het grootste belang, dat wij uitgaan van het alles beslissende feit, dat het leven niet alleen op grond van humanitaire gevoelens, maar op grond van dat, wat God Zelf er van zegt, een kostbare zaak is, die onder Zijn bescherming staat.
Hij zegt: het leven is een geschenk van Mij, en daar blijft gij met uw vingers af, tenzij die vingers verzorgende vingers zijn. God heeft ook letterlijk geen lust in de dood van de mens. Daarom is het b.v. een goede zaak, dat er in ziekenhuizen voor het behoud en het herstel van dat leven gevochten wordt.
Dat de dood in de wereld gekomen is, is niet Gods schuld. Het was niet Zijn wil.
Het leven komt uit de Levensbron.
Dat betreft niet alleen ons lichamelijk leven. Dat is wel belangrijk. Het betekent de band met ons aardse bestaan met al z'n betrekkingen tot voor- en nageslacht enz. Dat wat God geplant heeft, mogen wij niet op brute en goddeloze wijze uitmikken.
Het mag zelfs niet in mijn gedachten opkomen. Zelfs niet als het mijn grootste vijand geldt.
Ik heb dat leven te eerbiedigen, omdat God er alleen over beschikt. Ik heb het te eerbiedigen, met alles wat er op en er aan is.
Iemand lichamelijk op het hart trappen is erg. Maar figuurlijk hetzelfde doen is net zo erg. Ik laat dan de plant wel staan. Maar ik snij de bloem er uit. Ik mag daar ook geen ander voor gebruiken door vuurtjes van leugen en haat tegen iemand te stoken.
God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt. Dat geldt ook nog na de zondeval. Ondanks al het kwade zijn er nog geschonden letters van de Naam Gods in het mensenbestaan te vinden, waarop wij niet mogen trappen. Van dat kwade in ons en in onze naaste zegt God niet, dat het niets te betekenen heeft. Hij vergoelijkt het niet. Maar wij steken zelf te diep in het kwade dan dat het ons toevertrouwd is het kwade in een ander op de rechte wijze te vergelden. Daarom zegt God: Mij komt de wraak toe. Ik zal het vergelden.
Ook met mijn eigen leven mag ik daarom niet roekeloos omgaan. Ook geestelijk niet. Daar zit een diepe ernst in, dat ik met mijn leven niet mag doen wat ik wil, juist omdat het staat onder God.
Ongeloof en onbekeerlijkheid betekenen geestelijke zelfmoord. De grondgedachte van de woorden 'gij zult niet doodslaan' is, dat bij God den Here de Levensbron is en dat Hij van ons eist, dat wij het leven zullen eerbiedigen van onszelf en van anderen. Maar dan ook dat leven in de volle door God bedoelde zin, niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk met de volle mogelijkheid om uit te bloeien naar Zijn wil, zelfs naar Zijn beeld.
Nu zit aan dat zesde gebod altijd vast de kwestie van het zwaard van de overheid. Past dat zwaard in de hand van politie of leger, bij oproer, bij uitvoering van de doodstraf, of erger nog, bij oorlog, in het kader van deze eerbied voor het leven?
U kent de formulering wel uit onze Heidelberger Catechismus in zondag 40: 'dat God de overheid het zwaard geeft om de doodslag te weren'. Men denkt daarbij telkens weer aan Romeinen 13. Voor velen 'een steen des aanstoots'. Paulus zegt daar, dat de overheid het zwaard niet tevergeefs draagt.
Dat zwaard is van staal. En wat kan de apostel hier anders mee bedoelen dan dat het God staalharde ernst is met Zijn gebod.
Want al geeft God Zijn gebod om het leven te beschermen, dat betekent niet, dat de mens zich aan dat gebod stoort. Daartoe zijn de driften, de hartstochten, de begeerten en de spanningen in de wereld te sterk. Alleen ... de mens, die zich door deze driften laat leiden en zijn medemens naar het leven staat, moet er op rekenen, dat God hem tegenkomt, dat God geweld gebruikt om het onheilige geweld te keren. Zo wordt de zaak van de politie een heilige zaak. Dat is een gedachte, die ons in deze tijd vreemd voorkomt. We denken veel te goed van de mens en veel te vaag-goedig over God (als er nog aan Hem gedacht wordt). Het zwaard van God? Hoe zou dat kunnen? Dat God zo concreet door de modderpoel van deze wereld gaat, dat Hij niet alleen dwars daar doorheen voorop gaat met de banier van het Evangelie; maar ook met de wapenstok van de politie-agent-neen! Er is een verwarring van denkbeelden, waardoor velen bij het zwaard alleen maar aan de Boze kunnen denken en bij de straatkeien aan het koninkrijk Gods. Goliath kunnen we nu eenmaal niet bestrijden in de wapenrusting van Saul, maar met keisteentjes, al gooien we daarmede Goliath dan toch wel dood! Maar wie de weg van de revolutie kiest, mag wel weten wat hij doet. Wij kunnen geen chaos maken, om dan te zeggen: er zij licht! en een kosmos te gaan vormen.
Paulus weet ook wel, dat die overheid dat zwaard niet altijd op de rechte wijze hanteert. Hij draagt er in zijn eigen lichaam de littekenen van. Hij zal zelfs letterlijk, volgens de overlevering, door het zwaard gedood worden. Maar het doet hem de grote lijn niet uit het oog verliezen.
Nog een stap verder en het beklemmende vraagstuk van de oorlog staat ons hier voor ogen. Mag dat - het moderne wapentuig hanteren? Zullen we kunnen blijven leven met het 'evenwicht van de verschrikking'? Is oorlog niet altijd uit de duivel?
Niemand mag vergeten, dat de moderne oorlog altijd weer dreigt totaal te worden, d.w.z. dat niet alleen gewapenden tegenover gewapenden komen te staan, maar ook gewapenden tegenover weerlozen.
En niemand mag vergeten, dat de oorlog, bij de voortdurende dagelijkse hoogspanning tussen leven en dood, de slechtste driften van het mensenhart naar buiten perst.
Daartegenover: had men in 1940 Hitler maar ongestoord zijn gang moeten laten gaan, met alle consequenties van dien voor Jodendom, Europa, de wereld? Ook Kerk en Vrede heeft toen niet durven opwekken tot dienstweigering. Ik kan mij voorstellen, dat de vragen hier een mens naar de keel vliegen.
Mag de overheid het atoomzwaard hanteren? Ik geloof, dat alleen dan 'ja' gezegd mag worden, wanneer die macht, die het zwaard hanteert, dat bewust en oprecht doet van uit de grondgedachte van de bescherming van het leven (de grondgedachte dus van het zesde gebod), met z'n door God geschonken eigen, vrije door Hem gewilde en ons gegunde ontplooiing.
Daarmede is de dictatuur altijd volkomen in strijd. Zij fnuikt altijd het leven. Haar vrede is het smoren van datgene, wat het leven tot leven maakt.
Maar dan moet de krijgsmacht, die tegen deze dictatuur van het zwaard gebruik maakt, van deze waarde van het leven, ook aan gene zijde van de frontlijn, diep doordrongen zijn, opdat zij het zwaard niet gebruike op een wijze, die met zijn eigen gewettigd-zijn in strijd is en niet anderen datgene aandoe, waartegen men eigen volk zegt te willen beschermen. Want dan gaat toch ook weer de duivel triomfen vieren onder het motto, dat God het zwaard gegeven heeft. Hier ligt een grote taak voor de kerk tegenover de overheid en van de legerpredikanten tegenover de militairen van hogeren en lageren rang.
Het gebod is als goddelijk gebod ten diepste een geestelijk gebod, dat als een ontleedmes de geheimste motieven van ons hart blootlegt, en veel radicaler is dan 'de radicalen' vermoeden.
Gods gebod leert strijden tegen alles wat kwaad en onrecht is in kerk en wereld. Maar het vraagt genade om deze strijd heilig te voeren.
Dit gebod ontmaskert ons allen en verklaart ons tot geestverwanten van de moordenaar aan het kruis, met wie wij dezelfde Middelaar nodig hebben, tegen Wien het zwaard ontwaakte (Zach. 13 : 7, Matth. 26:31), opdat er voor zondaren niet langer een zwaard zou zijn, dat de weg naar de boom des levens verspert.
Wie de Catechismus leest, ontdekt hoe dezelfde Gereformeerde Vaderen, die het verdedigings zwaard aanvaardden, verstonden, dat God niet alleen biologisch het leven in bescherming neemt, maar het leven in veel diepere zin bedoelt. In het licht van Zijn gebod komen we bij de moordenaar terecht om paradijslucht te mogen ademen. Wie de tweede tafel losmaakt van de eerste, verliest deze perspectieven en raakt de Wet als tuchtmeester tot Christus kwijt. Niet het al of niet vloeien van bloed is het voornaamste, maar het hart.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's