Vervulling en verwachting
De belofte vervuld
Wanneer we op het Kerstfeest nadenken over de komst van Jezus Christus in het vlees, plegen we nogal eens te zeggen dat in dit heilsfeit Gods beloften, in het Oude Testament gedaan, heerlijk vervuld zijn. Zo mogen we het ongetwijfeld stellen. Het Kind in de kribbe, Gods Zoon, Die zoals een oude belijdenis zegt, om ons mensen en om ons behoud is neergedaald uit de hemelen en vlees geworden is van de Heilige Geest uit de maagd Maria, is de Zoon van David, lang verwacht (vgl. 2 Sam. 7, Luc. 1 : 32vv, 2 : 11). Zijn geboorte vond plaats in Bethlehem. Ook daarin is de belofte vervuld (Ruth 4:1; Sam. 16; Micha 5). En met name in Mattheus 1 en 2 horen we hoe de Schriften vervuld worden in dit heilsgebeuren. Geen wonder dat de aanbidding der kerk in het kerstlied zich steeds weer richt op dit aspect van het heilsfeit, op de vervulling van de heilsbelofte. De Bijbel zelf gaat ons in de lofzangen van Maria, Zacharias en Simeon daarin voor.
Niet versmallen
Toch zouden we de prediking in de Advents- en Kersttijd versmallen, als we blijven stilstaan bij Christus' komst in armoede en vernedering. De Oudtestamentische profetieën vinden in de eerste komst van Christus wel hun vervulling, maar tegelijk moeten we zeggen dat het een gedeeltelijke vervulling is. Elke bijbellezer kan dat voor zichzelf constateren. Neem b.v. de bekende profetie uit Jesaja 11 over het Messiaanse vrederijk. Als er sprake is van het rijsje, dat voortkomen zal uit de afgehouwen tronk van Isaï denken we aan Bethlehem, aan het Kind in de kribbe. Maar tegelijk wijst dit machtige profetenwoord naar een toekomstperspectief, zo groots en geweldig, dat we moeten zeggen: De vervulling daarvan ligt ook voor ons nog in de toekomst. Vaak wordt gezegd: Voor Israels profeten vielen de eerste en tweede komst van de Messias a.h.w. samen. Dat is in zekere zin waar. Maar dat betekent dat Kerstfeest niet alleen het feest der vervulling is, maar ook voor ons het feest der verwachting!
De Oudtestamentische heilsbeloften zijn in Christus' komst en in zijn werk op aarde in beginsel vervuld, maar ze dragen ook voor ons nog het karakter van belofte. Op grond van Christus' eerste komst en zijn werk in kruis en opstanding verwachten wij naar het woord van Petrus nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid wonen zal (2 Petr. 3:13).
We zien dat alles b.v. duidelijk als we letten op de geboorteaankondiging uit Lucas 2:11. Daar wordt door de engel gezegd: is heden de Heiland, de Sotèr geboren. Deze Sotèr, deze Bevrijder is de Vredevorst, de Verlosser-Koning van de eindtijd! Eigenlijk geeft de vertaling 'Heiland' de kracht en de inhoud van dit woord 'Sotèr' maar ten dele weer.
Het is goed ons deze verbanden te binnen te brengen. Het kan ons bewaren voor eenzijdigheden. Over het algemeen komt de toekomstverwachting in veler prediking weinig aan bod. Laten we juist op het Kerstfeest dit aspect tot zijn recht laten komen. Wie b.v. in de eerste dienst op Kerst preekt over de geboorte van het Kind, valt niet uit de toon als hij op een tweede Kerstdag de laatste dingen aan de orde stelt en b.v. preekt uit Openbaring 21 of 22. Kerstfeest zouden we-kunnen noemen: Het feest van de eerste steenlegging.
God legt in de geboorte van Jezus Christus de eerste steen van het gebouw van Zijn Rijk. Jes. 65, Openb. 21, 2 Petr. 3, maar ook Mattheus 24 en 25 tonen ons het voltooide gebouw. En juist de eerste steen geeft ons de garantie dat de verwachting van Gods Kerk niet ijdel is. Kerstfeest onderstreept deze verwachting van profeten en psalmisten naar de grote Morgen.
De oud-kerkelijke Schriftlezingen
Op dit punt kunnen we veel leren van het zgn. pericopen-systeem van de oud-christelijke kerk. Wij willen daarmee beslist geen pleit voeren voor een dergelijk lezingen-systeem in het algemeen, zodat elke zondag bepaalde gedeelten met de regelmaat van het jaar terugkeren. Het bezwaar blijft dat daarmee ook een grote eenzijdigheid in de hand gewerkt wordt. Maar wanneer we hier wijzen op de Schriftgedeelten, die van ouds in de kerk op de Adventszondagen en in de Kersttijd gelezen zijn, dan doen we dit, omdat juist deze oudkerkelijke lezingen, die vandaag nog in verschillende kerken gebruikt worden, ons wijzen op de komst van Christus in heerlijkheid.
Wij denken aan de lezing op de eerste Adventszondag uit Rom. 13 : 11, waar de apostel schrijft: Want het heil is ons nu meer nabij dan toen we tot geloof kwamen. De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij ...' Met de 'dag' bedoelt Paulus de dag van de wederkomst.
Ik denk ook aan de evangelielezing voor een van deze zondagen uit Lucas 21 : 25— 36, waar Christus spreekt over de laatste dingen. 'Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing is nabij'. Of aan een gedeelte dat in verschillende kerken op het Kerstfeest gelezen wordt: Titus 2 : 11—14, waar eveneens sprake is van de verwachting van Christus' komst in glorie.
Nabijheid
Wie het Nieuwe Testament leest komt onder de indruk van het verlangen naar deze glorievolle dag. Van de zekerheid ook, waarmee men wist: De Here is nabij' (Fil. 4:5). Jezus zelf leerde zijn discipelen bidden: Uw Rijk kome . . . (Matth. 6 : 10). In het Avondmaal verkondigde de gemeente de dood des Heren totdat Hij komt (1 Cor. 11 : 26). En vele geleerden nemen aan dat het bekende gebedswoord: Maranatha (1 Cor. 16:22), verbonden moet worden met de oud-christelijke Avondmaalsviering. Hij die gekomen is, en die komt in Woord en sacrament, zal komen in glorie'.
Veelzeggend is het laatste woord van de bijbel: De zekere belofte: Zie, Ik kom haastig doet vragen: Kom, Here Jezus (Openb. 22 : 20).
Zeker, niemand weet precies wanneer de grote dag van Christus' komst aanbreekt. Maar het moet ons wel opvallen hoe sterk de eerste gemeente leefde in de overtuiging, dat het voor de deur stond. Zo dicht voor de deur, dat we Paulus ergens horen zeggen: Wij levenden, die achterblijven tot de komst des Heren... (1 Thess. 4 : 16). Paulus verwachtte het dus mee te maken.
Velen zijn dan geneigd te zeggen, dat Jezus en de apostelen zich vergist hebben. De wederkomst bleef uit. En er zijn geleerden die, uitgaande van de gedachte dat de parousie, de wederkomst uitbleef, een hele theorie ontworpen hebben over het ontstaan van kerk en dogma. Of ook, dat wij aan de geladen woorden over Christus' wederkomst geen boodschap meer hebben.
Van de weeromstuit proberen anderen dan de hierboven aangehaalde woorden van Paulus uit 1 Thessalonicenzen 4 af te zwakken, om ze aldus te 'redden' voor de critiek. Dat is een hachelijk ondernemen. Laten we niet vergeten dat in het Nieuwe Testament zelf al gespot wordt met deze verwachting. In 2 Petrus 3 horen we de spotters al zeggen: Waar blijft de belofte van zijn komst? Alles blijft immers bij het oude.
De verwachting van Christus' wederkomst is de eeuwen door een aangevochten verwachting geweest. Ook was het vaak een vergeten hoofdstuk. En vandaag? O ja, wij zijn binnen en buiten de kerk druk bezig met de toekomst. De theologie van de hoop krijgt een sterk accent.
Tegelijkertijd zien we hoe deze theologie van de hoop sterk optimistisch-evolutionistisch wordt uitgewerkt. Via evolutie en ontwikkeling komt het Rijk, zegt men. Of de theologie van de hoop wordt tot een revolutie-theologie, waarbij men het heil ziet als een binnenwereldse zaak en de komst van het Rijk als een door ontwikkeling en revolutie te realiseren historisch proces.
Maar de gedachte van de wederkomst van Christus op de wolken des hemels heeft voor velen afgedaan. Dat is, zo zegt men, verouderde mythologie, waar een modern mens niets mee beginnen kan. De Schriftcritiek en het eigentijdse denken reiken elkaar dan ook op dit punt de hand.
Kerstfeest en Pinksteren
Wij moeten maar niet proberen de belijdenis van de wederkomst en de toekomst van het Rijk van God voor de rechtbank van het moderne denken te rechtvaardigen. Wij moeten ook die geladen woorden over het 'nabij-zijn' van de toekomst des Heren niet gaan verzwakken in onze Schriftuitleg.
Laten we ons liever afvragen: Leeft datzelfde verlangen dat de eerste christenen bezielde ook onder ons? Weten we het nog, dat de Here nabij is? Of hopen we heimelijk, dat Christus nog een poosje weg blijft? Dan is het te vrezen dat het met ons geloof slecht gesteld is.
Dan gaat ons Kerstfeest ook als een kaars uit. Op Kerstfeest mogen we horen: Hij die gekomen is als een Kind, arm en klein, komt weer in glorie. Elk oog zal Hem zien. Die zekerheid wordt ons geboodschapt in het Woord van God. En het geloof rust op het Woord. De hoop richt zich op de daden van God.
En deze toekomstverwachting is daarom geen slag in de lucht. Het geloof mag verzekerd zijn van de toekomst des Heren. Want wij mogen ook op Kerstfeest niet vergeten, dat het Pasen en Pinksteren geweest is. Wij staan, anders dan Jozef en Maria, de herders en de wijzen, achter de heilsfeiten.
Paulus noemt immers in 1 Cor. 15 Christus de eersteling van hen die ontslapen zijn. Paulus ziet in de opstanding het begin van het einde, heeft iemand eens gezegd.
En de Heilige Geest wordt in Rom. 8 : 23 eveneens de eersteling genoemd. De Geest is profetie en belofte van de volheid der verlossing. Deze Geest is ook het handgeld, de waarborgsom van de voleinding van het Rijk (vgl. 2 Cor. 1 : 21, 22; Ef. 1 : 13, 14).
Zeker, het is goed om in de geleding van het kerkelijk jaar de orde aan te houden. Elk heilsfeit heeft zijn eigen accent. Het gaat niet aan om op Kerstfeest een Pinksterpreek te houden. Mits we de verbanden maar in het oog houden. Mits we op het Kerstfeest niet vergeten dat het Pinksteren geweest is!
Op het Kerstfeest worden we bepaald bij het licht der wereld dat reddend verschenen is. In Openbaring 22, het boek van de laatste dingen, horen we eveneens deze Kerstboodschap: Ik ben de wortel en het geslacht van David, de blinkende Morgenster, zegt Jezus Christus (vs. 16). Direct daarop volgen de bekende woorden: En de Geest en de bruid zeggen: Kom! (vs. 17) Een Pinkstergeluid, dat we op Kerstfeest niet mogen vergeten. Een geluid, dat ons juist op dit feest bepaalt bij de laatste dingen.
Waakzaamheid
Hij die gekomen is in vernedering komt terug in heerlijkheid. Elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben. Zijn komst betekent de grote confrontatie. Want het is Jezus, die weerkomt. De Schrift legt sterke nadruk op het gericht, dat dan gehouden wordt. Dat maakt de prediking van de toekomst des Heren zo indringend. Het is maar geen neutrale informatie. Het is éen voortdurend appèl tot geloof en bekering. Alleen als we zijn verschijning in het vlees lief kregen door het geloof kunnen we Zijn toekomst zonder verschrikken tegen zien.
Zijn komst betekent immers de grote scheiding tussen gelovigen en ongelovigen. Hoezeer deze gedachte in het huidig theologisch denken door velen weggewerkt wordt ten gunste van een algemene verzoening, het Nieuwe Testament spreekt in deze duidelijke taal. De grote vraag bij zijn wederkomst is: Hoe stonden we tegenover het evangelie van Christus? Waren we voor Hem of tegen Hem?
Daarom, zo vaak de Bijbel ons spreekt van de toekomst des Heren, krijgt ook het heden een enorme betekenis. Wij worden geroepen tot waakzaamheid. Niet als mensen die met de armen in de schoot zitten. Maar als knechten die bezig zijn met de opdracht van de Heer (Mattheus 24 en 25).
Neen, niet wij zijn het, die het Rijk doen komen. In Mattheus 24 : 30 lezen we dal zij de Zoon des mensen zullen zien komen op de wolken des hemels. Elders zegt Paulus: De Here zelf zal neerdalen van de hemel (1 Thess. 4:16). Dat wil zeggen: Van God uit! De glorieuze komst van Christus, en de definitieve overwinning van Zijn Rijk is de grote afsluitende daad van God. De heilige stad, het nieuwe Jeruzalem daalt neer uit de hemel van God (Openb. 21 : 2) Het Rijk is geen resultaat van menselijke inspanning, maar genadegave van God.
Wij zullen dat tegenover het optimisme en tegenover een verwereldlijkte verwachting met klem staande moeten houden. Hoe zeer de aarde betrokken is bij het heil, niet het historisch proces brengt ons het Rijk.
Het Rijk Gods daalt als een wonder van God 'uit de hemel' neer. Het breekt zich baan door het gericht heen. Toch mogen de gelovigen medearbeiders Gods zijn. Toch is er sprake van dienstknechten die bezig zijn met het werk des Heren. Let u er op, hoe grote plaats het gebed in deze toekomstverwachting inneemt. God schakelt het gebed om de komst van het Rijk in, in de volvoering van zijn heilsplan (vgl. Lucas 18 : 1—8, Openbaring 8 : 1—5). Zo, gelovig-waakzaam bezig zijnde, geven we het biddend uit handen. De activiteit van het geloof wordt gedragen door de vreugdevolle, en tegelijk ootmoedige verwachting: God zal haastig recht doen zijn uitverkorenen die dag en nacht tot Hem roepen!
Er is het uitzicht op de grote rust, het feest, de bruiloft des Lams. Woorden waarin de vreugde doorklinkt. Vreugde om het heil des Heren. Zo wordt op Kerstfeest de boog gespannen naar de laatste toekomst. 'Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond' (Joh. 1 : 14). Dat feit vormt voor Gods Kerk de garantie van haar hoop en verwachting, waarvan Openbaring 21 spreekt: Zie de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen en zij zullen zijn volk zijn en God zelf zal bij hen zijn .. . (vs. 3)'.
De Koning die zijn troon heeft in de hoge
houdt bij de mensen hof
en alle tranen zal Hij van hun ogen
afwissen tot Zijn lof.
Er zal geen rouw, er zal geen dood meer wezen
nergens verdriet meer zijn,
de eerste dingen werden uitgewezen,
voorbij ging alle pijn.
(W. Barnard)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's