Rookgordijnen rondom het getuigenis
Onderstaand artikel zal ook geplaatst worden in 'Hervormd Nederland' van 8 januari a.s., n.a.v. het eerste artikel van een serie van drie van de hand van dr. J. J. Buskes over het Getuigenis. We verwijzen de lezers voor fragmenten uit dit artikel naar 'Uit de pers', waarin tevens de reactie van prof. Van Niftrik, zoals hij die in het 'Hervormd Weekblad' van 16 december schreef, is verwerkt.
We willen maar direct met de deur in huis vallen en zeggen dat we er behoefte aan hebben om al na het eerste artikel van dr. Buskes over het getuigenis te reageren. We zouden natuurlijk eerst het tweede en het derde artikel kunnen afwachten omdat dr. Buskes al in het vooruitzicht stelde dat hij na een negatieve start positief zou eindigen. Dat alles roept bij ons echter het beeld op van iemand die je eerst een arm afhakt en je dan tenslotte nog een hand wil geven'.
Wie het getuigenis niet kent en er via het eerste artikel van dr. Buskes mee in aanraking komt moet wel de indruk krijgen dat het hier gaat om een smoezelig pamflet, een onderdemaats tractaatje, een sectarisch niemendalletje. In het bewuste artikel vermorzelt dr. Buskes het getuigenis al onder de mokers van de kritiek zodat het ons eerlijk gezegdbenieuwen zal hoe uit de resten nog een positief slot gedestilleerd kan worden.
Bij alles heeft dr. Buskes evenwel het getuigenis niet geraakt. Hij heeft een aantal rookgordijnen laten opgaan, waarachter hij de inhoud van het getuigenis heeft laten schuil gaan. Dat doet hij door de grote lijnen, de gedachtengangen van het getuigenis niet aan bod te laten komen, door zich op bijzonderheden, op details vast te bijten en door er dingen bij te halen die er niet bij horen. Dat is in de journalistiek, laat staan in de kerkelijke journalistiek, een weinig verheffende methode.
Alvorens we de rookgordijnen in de verschillende punten van het eerste artikel van dr. Buskes nader aanduiden willen we toch wel één zinsnede uit zijn betoog lichten die voor zijn methode van behandeling kenmerkend is. 'Het kan allemaal waar zijn, wat er in het getuigenis staat', zegt dr. Buskes, 'maar daarom is het De Waarheid nog niet'. Welnu, deze opmerking slaat op de schrijver zelf terug. Ze geldt van deze zinsnede zelf, evenals van het hele artikel van dr. Buskes, evenals van al zijn boeken. Met zo'n methode van discussiëren kun je elke tegenstander mond-dood slaan. We zouden niet graag willen beweren dat het getuigenis De Waarheid is. De vraag is echter wél of het met De Waarheid in rapport staat, eruit opkomt, er directe relatie rhee heeft. Op die vraag gaat dr. Buskes duidelijk niet in.
We nemen dan nu de eerste twee punten uit het betoog van dr. Buskes samen. We hebben de geloofscrisis niet gepeild en geen verantwoorde analyse gegeven van de huidige situatie, zegt hij. Welnu we kunnen niet anders zeggen dan dat dr. Buskes in deze passages het getuigenis laat buikspreken.
Allereerst, het getuigenis is gericht tot de gemeente van Jezus Christus. Daartoe behoren ook de opstellers zelf. Wanneer die gemeente wordt opgeroepen om op te staan tot de vreugde van het belijden, dan richten de opstellers deze oproep ook tot zichzelf. Dwars door de huidige geloofscrisis heen mag en moet de gemeente teruggeworpen worden op wat objectief zeker is. Het heil is niet zeker bij de gratie van onze subjectieve beleving, maar het heil is zeker, onze geloofscrisis ten spijt. Dat hebben we in het getuigenis willen zeggen. Dat dient het hart van de kerkelijke verkondiging te zijn. En heeft dr. Buskes er dan geen weet van dat in veel prediking momenteel meer de twijfel wordt gevoed dan de zekerheid? Als we ons niet vergissen heeft hij zelf ook nogal eens in woord en geschrift zich bezorgd uitgelaten over de crisis van de prediking.
Als de zekerheid vanuit de prediking zélf aangevochten of ondergraven wordt, dan is er gerede aanleiding tot de vraag of dat in overeenstemming is met de apostolische volmacht van de kerk. Wie u hoort, hoort Mij, zegt Christus. En in Zijn woorden lag geen onzekerheid.
Vervolgens, als dr. Buskes in het getuigenis een analyse van de huidige situatie heeft gemist, dan moet gezegd worden dat in het getuigenis alleen het feit van de geloofscrisis is gesignaleerd met enkele schetsen van bepaalde theologische achtergronden. Het lag helemaal niet in de bedoeling een pastorale benadering te geven van de persoonlijke geloofscrisis in deze tijd, nog minder om een uitgewerkte analyse van de situatie te geven. Het ging ons slechts om een oproep tot de gemeente van Christus tot de liturgische dienst van de confessio van die zaken die in het hedendaags theologisch of kerkelijk denken 'op ondeugdelijke gronden worden bestreden of verzwegen'. Niet persoonlijke geloofsmoeilijkheden, hoe verstaanbaar ook voor ons, haden wij op het oog, maar theologische zienswijzen, die van de nood een deugd maken en het belijden der kerk aantasten.
Het is dan ook demagogisch als de schrijver iets anders in het getuigenis wil lezen en iets anders wil suggereren dan wat de opstellers hebben willen zeggen. Op deze wijze overtreedt dr. Buskes de eerste beginselen van de waarachtige gesprekscommunicatie. En dan, wat de analyse betreft, een poging daartoe en tot een pastorale benadering van de geloofscrisis is in menige publicatie uit de kring van de opstellers van het getuigenis de laatste jaren ondernomen. Dat weet dr. Buskes ook wel. En inmiddels is één van de facetten van deze analyse in het getuigenis duidelijk gegeven: de crisis in de verkondiging.
We noemden al het uitspelen door dr. Buskes van het getuigenis tegen De Waarheid. In dat verband zijn ook de volgende door hem gemaakte opmerkingen nogal doorzichtig. Het getuigenis zou waarheden zeggen, die in de tijd van de Reformatie bevrijdend waren maar het nu niet meer zijn. We moeten Luther, zegt dr. Buskes, vier eeuwen na hem niet louter herhalen. Dat is dan het volgende rookgordijn. Hebben de reformatoren soms ook niet teruggegrepen op wat vóór hen ontdekt was? Hoe vaak hebben ze Augustinus niet aangehaald? Er is in de kerk een Traditie (met een hoofdletter!) die de kerk niet straffeloos terzijde kan schuiven. We zijn vandaag niet voor het eerst kerk. Er zijn generaties voor ons geweest die vanuit de Schrift zeer bevrijdend ontdekkingen hebben gedaan, ontdekkingen die ook voor onze tijd bevrijdend zijn. Luthers ontdekking bijvoorbeeld van de rechtvaardiging van de goddeloze is er één van. Daarin gaat het om hèt bevrijdende van het evangelie, om het absolute bevrijdende van de genade. Is het getuigenis er dan zo ver naast als gesignaleerd wordt dat dat bevrijdende van de genade momenteel in de kerk maar al te zeer wordt ingeruild voor een wettisch juk, voor het afmattende van het teruggeworpen worden op eigen werken, met name in politieke en maatschappelijke geëngageerdheid?
We hebben er weet van dat het gaat om een eigentijdse vertolking van de heilsboodschap. Het gaat niet om een letterlijk en louter formeel nazeggen van woorden, die vóór ons gezegd zijn, maar wel om vanuit een existentiële betrokkenheid de zaken waarom het in de Reformatie ging door te geven aan de generatie van nu, omdat het bevrijdende geloofszaken zijn. Aan die zaken waarom het in het reformatorisch belijden gaat zijn velen in onze tijd ontgroeid. Daarom is zoveel prediking gespeend van elke bevrijdende notie. Het moet ons trouwens ook van het hart dat Buskes' betoog ook alleen maar blijft steken in het signaleren van een gemis aan bevrijdende woorden bij anderen, in casu in het getuigenis.
Het getuigenis doet tekort aan de rijkdom van de bijbel zegt dr. Buskes dan in het volgende punt van zijn artikel. Een zware beschuldiging. Of is het weer een rookgordijn? Want op welke punten het dan in dit opzicht tekort schiet wordt niet duidelijk gemaakt. We hebben Buskes' catechetisch onderricht inzake de drie gestalten van het Woord niet nodig om te weten hoe rijk en bevrijdend de Schriftinhoud is. Maar het getuigenis is niet bevrijdend, zegt dr. Buskes, het is biblicistisch. Op het moment dat je dan denkt dat deze kwalificatie wel nader zal worden geadstrueerd stapt de schrijver echter op een ander onderwerp over. En wij blijven met de aantijging 'biblicistisch' zitten. Is het biblicistisch als we het geloofsleven van de kerk van alle eeuwen ten aanzien van zeer fundamentele punten tot uitdrukking brengen? En mogen we misschien de bijbel nog aanhalen, als dat dan misschien Buskes' bezwaar is? Het bevrijdende van het Woord ligt in de omgang ermee. We zouden niet weten hoe de kerk ooit bevrijdend zou kunnen spreken als niet de Schrift haar spreekregel was. We weigeren dan ook de bijbel te laten inkaderen door een maatschappelijke idee van het Marxisme, terwijl het Marxisme nooit een mensbeschouwing heeft gegeven maar wel een schema zonder mensbeschouwing over de samenleving.
In een volgend punt zegt dr. Buskes — en dat is het volgende rookgordijn — dat we het bijbels getuigenis moeten verstaan en in gemeenschap met het belijden van de kerk der eeuwen moeten vertolken. Nu vragen we in gemoede: wat lag er anders aan het getuigenis ten grondslag dan juist dit? Heeft dr. Buskes niet gezien dat we allereerst een pró-test hebben gegeven? Een getuigenis pró het geloof van de eeuwen? Maar zo'n pró-test sluit het afwijzen van de dwalingen, die openlijk of latent aanwezig zijn niet uit maar in. In de afwijzing van de dwalingen ligt mede de vreugde van het belijden waartoe we juist de gemeente hebben opgeroepen. Wat hebben b.v. de Barmer thesen anders gedaan dan in een zesvoudig 'wij verwerpen' een bevrijdend woord van belijden geven? Zijn we er naast als we menen dat veler theologie en prediking momenteel een breuk betekent met het belijden van de kerk der eeuwen? Buskes' opmerking inzake het spreken in gemeenschap met het belijden van de kerk der eeuwen keert zich daarom met name tegen diegenen die in dit opzicht een radicale breuk aanbrengen door het evangelie te vereenzelvigen met maatschappij-kritische ideologiën.
Intussen smijt dr. Buskes, in het volgende punt van zijn artikel met enkele namen om zijn betoog kracht bij te zetten: Gunning, Bavinck, Barth, Kraemer, Noordmans, Woelderink, Miskotte, Dippel, De Jong, Van Ruler. Zo lang hij echter van deze personen niet aangeeft welke punten uit hun theologie hij bedoelt, zolang hij niet inhoudelijk adstrueert, zegt deze opsomming van namen ons niets, temeer daar elk van de ondertekenaars van het getuigenis van verschillende van deze personen — om over Van Ruler maar te zwijgen! — ook zo het één en ander hebben geleerd.
In het getuigenis wordt niets van hen teruggevonden, zegt dr. Buskes. Daarom is het getuigenis een bazuinstoot, die verwaait in de wind, allerlei wind van leer, rechtzinnig en vrijzinnig. De tijd zal het leren of het waar is. We achten het niet tot onze competentie te behoren een kwalificatie over het getuigenis te geven. Wel is het veelzeggend dat de echo van de bazuinstoot nu al geruime tijd naklinkt, hetzij in die zin dat tienduizenden er blijk van gaven het bevrijdende van de 'vastigheden' van het geloof (weer) te verstaan, hetzij ook in die zin dat op de gegeven signalen in fel-kritische zin, zoals nu b.v. door dr. Buskes, is gereageerd.
De laatste punten van Buskes' artikel vatten we weer samen. Het getuigenis is de privatisering van het geloof, waarbij de verborgen omgang met God en onze activiteiten in de wereld uit elkaar gehaald worden, zegt hij. Waar leest hij dat? In het getuigenis wordt niets uit elkaar gehaald, er wordt alleen onderscheiden. De liefde tot God b.v. wordt nadrukkelijk onderscheiden van de liefde tot de naaste, en de rechtvaardiging wordt voorafgaand aan de heiliging gezien. In alle punten van het getuigenis gaat het om de juiste volgorde. Maar waar leest dr. Buskes dat de verborgen omgang met God en de activiteiten in de wereld uit elkaar worden gehaald? Alle opmerkingen die door dr. Buskes dan ook na deze kwalificatie nog worden gemaakt zijn voor ons evenzovele slagen in de lucht. Bijvoorbeeld dat de dogmatiek en de ethiek niet te scheiden zijn, dat het getuigenis sanctionering is van het bestaande, dat het wachten op God de zedelijke arbeid niet uitsluit en dat de bekering en de navolging van Christus niet ophouden als we ons met de grote politieke en sociale vragen gaan bemoeien.
In ons getuigenis kreeg het persoonlijk geloof een hoofdaccent. Mag dat niet meer? Waarom maakt dr. Buskes eigenlijk zo'n bezwaar tegen de nadruk op het persoonlijke van het geloof? Ligt daar niet juist het bevrijdende dat de mens in zijn persoonlijke existentie wordt aangesproken, dat hij persoonlijk is bedoeld in het heil van God, dat Christus Zijn schapen bij name kent? De bijbel spreekt van 'Christus onze gerechtigheid'. Als dat in de mist verdwijnt, zoals in veel preken die alleen maar beschouwingen zijn over structuren, dan verdwijnt de héle bijbelse gerechtigheid uit het gezicht, juist ook ten aanzien van de samenlevingsverbanden.
Waarom sprong dr. Buskes niet eerlijker met het getuigenis om door de inzet op het persoonlijke geloof duidelijk te honoreren en aan te geven dat het getuigenis zich zó verzette tegen een maatschappijkritische theologie en prediking, waarin voor dit persoonlijke geen plaats meer is? Diezelfde vraag geldt trouwens ook als dr. Buskes het heeft over de toekomst. Die zou in het getuigenis uit het oog verloren zijn, terwijl het getuigenis nota bene zegt dat de gemeente van Jezus Christus leeft uit de toekomst des Heren. Wat bedoelt Buskes dan eigenlijk als hij het over de toekomst heeft waaruit de gemeente leven mag? In het getuigenis wórdt in dat verband ook duidelijk gesproken over de oordelen Gods die over de wereld gaan. Dan mag en moet, zegt het getuigenis, de kerk een ark van Noach zijn, die redding en veiligheid biedt. Als dr. Buskes ook daar tegen bezwaar maakt, zonder dat hij op de eigenlijke bedoeling ervan ingaat, dan vragen we: is er dan buiten de kerk, die het evangelie mag uitdragen, die de redding in Jezus Christus, de rots van het behoud, verkondigen mag, nog een andere mogelijkheid om mensen houvast te geven voor leven en sterven?
Bij dat beeld van de ark van Npach heeft één van ons tweeën gedacht aan de pastorale arbeid rondom de Oranjekerk in Amsterdam, waarin des zondags mensen kwamen die in de week, op bedrijf en kantoor, als eenzamen temidden van onverschilligen, buitenkerkelijken en atheïswerkten, om dan 's zondags herinnerd te worden aan de enige troost in leven en in sterven. Die arbeid geschiedde in broederlijke samenwerking met een zekere ds. J. J. Buskes jr.
Tenslotte. Het gesprek moet worden voortgezet, stond mede boven het artikel van dr. Buskes. Zo'n gesprek zal echter moeten worden gevoerd in een heldere atmosfeer. Die heldere atmosfeer is door Buskes' artikel niet geschapen. Vandaar dat we zijn artikel niet beter konden aanduiden dan met 'rookgordijnen rondom het getuigenis'.
prof. dr. H. Jonker
Ir. J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1971
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's