De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het onderscheid tussen ’t Oude en Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het onderscheid tussen ’t Oude en Nieuwe Testament

11 minuten leestijd

Na alles, wat we in de voorgaande artikelen over de verhouding van het Oude en Nieuwe Testament en over de éénheid van de Schrift gezegd hebben, gaan we in het thans volgende nog in 't kort na, waarin het onderscheid ligt tussen beide delen van onze Bijbel. We volgen daarbij op de voet, wat Calvijn hierover schreef in zijn Institutie (II, 11, Ivv.)

'Ik dan', zegt hij, 'aanvaard gaarne het onderscheid, dat in de Schrift vermeld wordt, maar zo, dat het niets tekort doet aan de reeds vastgestelde eenheid.' 'De beloften van het Oude en Nieuwe Testament blijven dezelfde en ook het fundament van hun beloften, nl. Christus'.

'Diesseitigkeit'?

Het eerste onderscheid, dat Calvijn aanwijst ligt in de wat we zouden kunnen noemen heilige paedagogiek, de Goddelijke opvoedingsmethode. In het Oude Verbond is er de lagere wijze van opvoeding en oefening: God richtte oudtijds het hart van Zijn volk op de hemelse erfenis, maar Hij gaf die te smaken onder aardse zegeningen. Thans richt de Heere onze harten rechtstreeks tot de overdenking van de hemelse genade. Israël heeft dus oudtijds in de aardse bezitting (van het land der rust) als in een spiegel de toekomstige erfenis aanschouwd. Daarom gingen de Oud-ïestamentische vromen met nun verwachting uit boven de wereld en de tijdelijke goederen (Ps. 73 : 27; 16 : 5; 142 : 6 bv.). Samenvattend kunnen we zeggen, dat in de Oud-Testamentische vroomheid de goedheid Gods niet opgaat in wat Gods handen aan tijdelijke en aardse weldaden schenken. Het gaat ook hier om de doorleving van de gemeenschap met God. Maar om hen in hun zwakheid te helpen, gaf de Heere hen in hun aardse zegeningen 'enige schetslijnen Zijner genade'. En ook dat God vreselijk toornen kan over de zonde, maakte Hij oudtijds duidelijk door soms ogenblikkelijke straffen tijdens het aardse leven.

Wanneer we dit oordeel van Calvijn aanvaarden en het is, dunkt mij, door en door Bijbels, moeten we dus voorzichtig zijn met het begrip 'diesseitigkeit'  (gerichtheid op dit leven). Het heil van God is onder het Oude Verbond niet te vatten geweest in stoffelijke en aardse zaken, ook al ligt het accent vaak op het 'hier en nu'. Beter kunnen we dan ook met Calvijn spreken over een goddelijke opvoedingsmethode, verband houdende met de kinderlijke stand van het leven der kerk onder de oude bedeling.

Figuren, beeld en schaduw

Een tweede onderscheid tussen het Oude en Nieuwe Testament vindt Calvijn in de figuren van de wet, die beeld en schaduw zijn van de dingen, die komen zouden. Vooral de Hebreeënbrief onderwijst ons daarin. De ceremoniën der wet zijn voor Christus geweken. De bediening van het Oude verbond heeft plaats gemaakt voor een betere, nl. die van Christus, de enige Hogepriester met Zijn eenmalig Offer. Onder de bediening van de wet zijn de Joden als onder een tuchtmeesterschap tot Christus geleid (Gal. 3 : 24; 4 : 1). 'Wet en profeten, die tot op Johannes waren (Matt. 11 : 13) gaven de smaak van die wijsheid, die eens helder geopenbaard moest worden en zij toonden haar als van verre schitterend'. En hoeveel genade de Heere aan de profeten ook schonk, hun 'prediking was duister, als over verafgelegen zaken, zij was in figuren vervat'. Het zijn de kinderjaren der kerk (Matth. 13 : 17).

Letter en geest

Aan 2 Cor. 3 : 6 ontleent Calvijn de volgende onderscheiding tussen Oud en Nieuw Verbond. Het is er één als tussen letter en geest (vgl. ook Jer. 31). De wet heet: letterlijk, zij is prediking des doods, wet der vervloeking, terwijl het Evangelie een geestelijke leer is. Evangelie des levens en der gerechtigheid. Dat wil niet zeggen, dat er onder het Oude verbond geen Evangelische bediening is geweest in deze zin, dat mensen door het geloof in de komende Messias van de vloek der wet konden worden verlost. Maar de bediening der wet op zich kon geen zaligmakende genoemd worden, omdat door de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd werd en wordt voor God.

Dienstbaarheid-vrijheid

Met het derde onderscheid is ook het vierde gegeven. 'Want', zegt Calvijn, ' de Schrift noemt het Oude Testament een Testament der dienstbaarheid, omdat het in de harten vrees verwekt; het Nieuwe echter een Testament der vrijheid, omdat het hen opricht tot vertrouwen en onbekommerdheid' (Rom. 8 : 15, Hebr. 12 : 18). In Gal. 4 : 22 is Hagar, de dienstmaagd van Abraham, de dienstbare (allegorisch voorgesteld) het voorbeeld van de berg Sinaï, terwijl Sara een figuur is van het hemelse Jeruzalem, vanwaar het Evangelie komt. Dat de vromen van het Oude Verbond met dezelfde Geest des geloofs waren toegerust als wij en dus ook deelgenoten waren van dezelfde Evangelische vrijheid en blijdschap, doet niets af van het feit, dat de bediening van de wet op zich deze vrijheid niet met zich meebracht. Bovendien zijn zij in de weg van de algemene bedeling, waarmee de Heere toen met het Israëlitische volk handelde, toch steeds in enig opzicht met de vrees en dienstbaarheid van de wet bezet geweest. Zij moesten bv. nauwkeurig de ceremoniën der wet onderhouden.

Israël en de volkeren

Het laatste onderscheid tussen Oud-en Nieuw Testament, dat Calvijn noemt, handelt over Israël en de volkeren. Oudtijds had God Zijn bemoeienissen met Israël alleen, terwijl Hij de andere volkeren in ijdelheid liet wandelen (Hand. 14 : 16). Israël was 's Heeren troetelkind; en de anderen waren buitenstaanders. Maar in de volheid des tijds is de scheidsmuur verbroken (Ef. 2 : 14). 'De roeping der heidenen is een buitengewoon teken, waardoor de uitnemendheid van het Nieuwe Testament boven het Oude in het licht wordt gesteld'. Dit geheimenis van de roeping der heidenen is het gans verrassende van het Nieuwe Verbond. Dit onderscheid tussen Oud-en Nieuw Verbond als een heilshistorisch onderscheid blijft van kracht, hoe men ook over de plaats van Israël in die heilshistorie denkt.

De onveranderlijkheid Gods

Calvijn beëindigt zijn behandeling van het onderscheid tussen Oud en Nieuw Testament, door erop te wijzen, dat God geen veranderlijkheid of wispelturigheid is toe te schrijven, omdat Hij het onder het Oude Verbond anders deed dan in het Nieuwe.

'Wanneer een huisvader zijn kinderen anders in hun jeugd, anders in hun jongelingsjaren en weer anders in hun latere leeftijd opvoedt, regeert en behandelt, dan zullen wij daarom (ook) niet zeggen, dat hij wispelturig is, of van zijn opvatting afwijkt. Daarom moeten wij niet met God twisten en het aanbidden, dat Hij gedaan heeft, zoals Hij het deed. Met deze aanbidding van Gods wijze beleid sluit Calvijn: 'Wie, vraag ik u, zou loochenen, dat het billijk is, dat de vrije uitdeling Zijner genadegaven in Gods macht en oordeel staat, om de volkeren te verlichten, die Hij wil? om de prediking van Zijn Woord te verwekken op de plaatsen, die Hij wil? om de vordering en de voortgang van Zijn leer te schenken zodanig en zo groot als Hij wil? om de kennis van Zijn Naam uit de wereld, wegens haar ondankbaarheid, weg. te nemen in de tijden, die Hij wil? en wanneer Hij wil, haar door Zijn barmhartigheid weer te herstellen?

Uiteindelijk ligt aan de bediening der verbonden Gods verkiezend welbehagen ten grondslag. En als wij dat verkiezend welbehagen Gods aanbidden, mag ons hart vol van verwondering zijn, dat Hij ons de genade gaf om onder zoveel hemels licht te leven.

Met het oog op Christus

We besluiten onze bespreking van artikel 4 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Uitvoerig hebben we Calvijn aan het woord gelaten, omdat we menen, dat zijn gedachten over de éénheid van de Schrift ons helpen kunnen om helder en zakelijk te denken over de verhouding van Oud-en Nieuw Testament. Zijn uiteenzet­ tingen zijn nog altijd het lezen ten volle waard. Concluderend moeten we zeggen, dat we het Oude Testament nooit los van het Nieuwe kunnen lezen. Christus en de apostelen zijn ons daarin voorgegaan. Het zijn niet maar sommige teksten in het Oude Testament, die Messiaans geduid zouden kunnen worden en die spreken van Christus. Wat dat betreft wil ik nog eens verwijzen naar het boek van wijlen prof. Edelkoort: De Christusverwachting in het Oude Testament. Hij schrijft: Door Zichzelf Zoon des Mensen te noemen, diende Jezus Zich derhalve aan, niet alleen als Degene, op Wie Dan. 7 : 13 doelde, maar niet minder als de vervulling van de gehele Oud-Testamentische Christusverwachting'. En waar in het Oude Testament de Messiasverwachting samenvalt met de verwachting van het koningschap Gods (De Messias is het vleesgeworden koningschap Gods), mogen we instemmen met het oordeel van Edelkoort, dat de zaak, waarom het gaat in de kerkelijke leer van de twee naturen van Christus, geen uitvinding van de kerk is, maar in de Bijbel aanwezig en dan niet alleen in het Nieuwe, doch niet minder in het Oude Testament' (blz. 517 a.w.). Dat staat dan wel in schrille tegenstelling met de bewering van prof. Van Ruler, dat de goedheid van Christus nergens in het Oude Testament zou worden geleerd. Maar niet alleen sommige teksten van het Oude Testament, heel de Schrift, ook die van het Oude Testament is gericht op de komende Christus en moet met het oog op Hem worden gelezen. En in deze gerichtheid van het Oude Testament op de volheid van Gods heil in Christus ligt zijn onvergankelijke waarde voor de christelijke kerk. 'Onderzoekt de Schriften; die zijn het, die van Mij getuigen', zei Christus. Daarom doen we er goed aan met een 'moeilijke' tekst te handelen, zoals Luther ons adviseerde. Wanneer men een harde noot heeft, werpt men die tegen een rots, zodat de schil open springt en de zachte pit eruit te voorschijn komt. Werp zo ook de woorden van God onder het Oude Verbond tegen de rots Christus.

Ook Calvijn zag Christus aan iedere oever (J. de Groot, De Psalmen, blz. 96).

Daarmee bedoelen we niet een christomonistische verenging aan te geven. Christus kunnen we alleen recht zien in trinitarisch licht. Dat wil zeggen, dat heel de Schrift, ook het Oude Testament, voor ons de openbaring is van de drieënige God met Christus als het grote concentratiepunt. En dan prediken ons zowel Oud als Nieuw Testament het machtige doel Gods met heel Zijn schepping. Straks zal de aarde vol zijn van de kennis des Heeren, zoals de wateren de bodem der zee bedekken.

Zo lezen we het Oude Testament bij het licht van het Nieuwe. Er is een duidelijk opgaande lijn. Maar ook lezen we het Nieuwe Testament tegen de achtergrond van het Oude. Niet alleen omdat we het anders uit zijn Israëlitische contekst halen, maar ook omdat we Christus alleen recht kunnen verstaan, wanneer wij Hem ontvangen als de Gezondene des Vaders, als Degene, in Wie al Gods beloften ja en amen zijn.

De uitlegging der Schriften

Met dit alles is tenslotte ook de methode van exegese gegeven. Wij willen met de Schriften niet anders omgaan als Christus gedaan heeft. En een duidelijk voorbeeld daarvan vinden we in Luc. 24 : 27, waar staat, dat de Heere de Emmaüsgangers uitlegde in al de Schriften, wat van Hem geschreven was. Voor het woord uitleggen staat hier een woord, dat herinnert aan wat in de theologie heet: hermeneutiek-methode van Schriftuitleg. Dat wil zeggen, dat we in navolging van Christus en de apostelen en door de verlichting van de Geest van Christus, Die de Schriften ingaf, de voetsporen van de Zaligmaker zullen ontdekken in het Oude Testament, zonder daarbij te vergeten, dat we hierin een grote eerbied en soberheid hebben te betrachten en niet via allerlei allegorische, dolle vergeestelijkingen uit de tekst tevoorschijn toveren, wat er niet in zit. De voorbeelden daarvan zijn er helaas ook ten onzent. Dan maakt men van het brandende braambos het lichaam van Christus. En bij de verklaring van het boek Ruth bv., worden dan zelfs de korenkorrels van Boaz' akker zaligmakende korrels van geloof, hoop en liefde en de oudsten in Bethlehems poort, die getuigen zijn van de lossing, worden in dit vreemdsoortige en wilde verklaringen de deugden Gods, als personen voorgesteld. Men moest zich schamen om de Schrift zo te verminken. De Bijbel, ook het boek Ruth is geestelijk genoeg en zingt voor de oren des geloofs genoeg van Christus. Wij behoeven het niet nog eens geestelijker te maken. De ware zin van de Schrift is de eenvoudige.

Overigens ... is het zo, dat, als de gulden stelregel van de exegese 'het ontdekken van Christus' voetsporen' mag zijn, de typologie (typos is: afdruk, slag, spoor') geen ongeoorloofde methode van Schriftuitleg heten mag. En als Christus dan het manna in de woestijn parallelliseert met Zichzelf, het Brood des Levens, dan is het ook zo vreemd niet, dat Paulus datzelfde doet met de steenrots, waaruit Israël dronk: En de steenrots, die volgde, was Christus'(I Cor. 10:4).

Eigenlijk moesten we over dit onder­ werp veel uitvoeriger zijn. Maar wellicht vinden we gelegenheid om erop terug te komen bij de behandeling van art. 25 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (over de ceremoniële wet). Hopelijk dragen bovenstaande overwegingen ertoe bij, dat de lezers het goede voorbeeld van die van Berea volgen (Hand. 17 : 11): Dezen waren edeler dan die te Thessalonika; zij onderzochten dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.'

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het onderscheid tussen ’t Oude en Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's