De verhouding van de tweede tot de eerste tafel IV
De onmiddellijke samenhang van de tweede met de eerste tafel der Wet, d.w.z. het levensverband tussen de dienst aan de naaste en het dienen van God, blijkt ook als we iiet achtste gebod lezen in samenhang met alles wat de Schrift over deze sector van het leven zegt.
Laten we als uitgangspunt van de bijbelse beschouwing van het bezit eens letten op de merkwaardige bepalingen, die in de Wet van Mozes voorkomen in verband met het Jubeljaar en het Sabbat jaar. In Leviticus 25 : 23 zegt God: het land zal niet voor altoos verkocht worden, want het land is Mijn, omdat gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt.
Daar ligt het hele uitgangspunt in. Het eigendoms- en daarmede het beschikkingsrecht is des Heren.
Als een Israëliet gedwongen was geworden z'n erfdeel te verkopen, dan was dat geen onherroepelijke zaak. In diezelfde lijn liggen al die bepalingen omtrent het lossen (denk aan Ruth), omtrent de kwijtschelding van schulden, het braak laten liggen van landerijen met het recht van weduwen, wezen en vreemdelingen om alles wat vanzelf aan vruchten groeide in te zamelen.
Er zit in dat alles beslist een bepaalde 'sociale' tendenz. God heeft rijken en armen gemaakt. Er is verschil in het aantal talenten, dat Hij ons toevertrouwt, maar Zijn gebod richt zich tegen steeds voortgaande verrijking tegenover steeds voortgaande verarming. Het is niet anders dan rekening houden met deze uitdrukkelijke wil Gods, wanneer men hiermede ook rekening houdt in het sociale en politieke leven, nationaal en internationaal. Het achtste gebod veronderstelt, dat ieder een zekere mate van persoonlijk bezit heeft. De profetie tekent telkens als een voorrecht, dat ieder zijn naaste nodigt onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom. Zonder dat wordt de enkeling geknot in de vrije ontwikkeling van de persoonlijkheid met z'n verantwoordelijk beslissen en beheren.
Het gebod 'gij zult niet stelen' is niet allereerst een maatschappelijk maar een goddelijk gebod.
Al d' aard en alles wat zij geeft, met al wat zich beweegt en leeft, zijn 't wettig eigendom des HEREN. ' (Ps. 24)
Het is niet waar, dat we op dit terrein 'Herr im Hause' (baas in eigen huis) zouden zijn. Die theorie is zelfs de grondzonde tegen het achtste gebod. Het geld is ook geen aards slijk, waarmee wij mensen graag 'modderen'. Maar dat geld is een talent in de dienst Gods.
Men bedenke echter wel: het is maar één van de vele talenten, die God schenkt. Ten onrechte meent men, dat gelijke inkomensverdeling een soort egalisatie van het menselijk geluk zou betekenen, doordat de factor van de jaloersheid o.a. uit de wereld zou zijn weggenomen. Zo min als de Schrift verrijking van de één ten koste van de ander gedoogt als in flagrante strijd met de liefde, die we elkander krachtens Gods gebod schuldig zijn, zo min is het bijbels gelijke inkomensverdeling voor te stellen als een eis der goddelijke gerechtigheid. God is geen God van uniformiteit. Er zijn zoveel meer talenten, die ongelijk verdeeld worden. De één komt nooit in een ziekenhuis, de ander tobt altijd met ziekte en gebreken. De één komt in het leven met een hoge mate van begaafdheid op het gebied van kunst of wetenschap, de ander gaat als een geestelijk of lichamelijk gehandicapte door het leven. Ook wanneer ik de factor van de ontwrichting van het leven door de zonde in rekening breng, dan blijft toch het feit, dat er sterren van de eerste en van de elfde grootte zijn en dat de leden van het lichaam niet van gelijke sierlijkheid zijn (1 Cor. 12 en 15).
De genoemde voorbeelden zijn met vele te vermenigvuldigen. De ontwikkeling van verschillende talenten blijkt daarbij niet afhankelijk van de materiële welstand, zoals b.v. blijkt uit de maatschappelijke nood van zeer begaafde kunstenaars. Wanneer men dan op het terrein van het bezit speciaal gelijkheid wil, dan is dit een schromelijke overwaardering van geld en goed, waarin zich een materialistische levensinstelling verraadt; al nemen wij niets terug van hetgeen wij boven geschreven hebben, nl. dat God geen schrijnende tegenstellingen duldt, en dat de verscheidenheid van gaven toch bestemd is een harmonisch geheel te vormen, waarbij het stoffelijk bezit ook weer geregeerd wordt vanuit het middelpunt van deze sector. In dat middelpunt staat zowel: gij zult God liefhebben boven alles, als: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Als wij 'rentmeesters' eens allen door die liefde gedreven werden, wat zou allerlei arbeid in het Koninkrijk Gods dan afgeholpen zijn van allerlei eindeloos getob. En — wat is het moeizaam bij elkaar bedelen van enkele miljoenen door sommige grote acties voor radio en t.v. (het mag nog niet eens te vaak gebeuren ook), een beschamend bewijs, dat we in een onbarmhartige wereld leven.
De zonde tegen het achtste gebod bestaat dan ook hierin, dat wij God niet God willen laten zijn in ons leven. Of we daarbij individualist of socialist zijn is een tweede. Hoofdzaak is, dat we teruggaan naar Genesis 1:1.
Wat een toepassing van dit gebod zonder dit principiële uitgangspunt oplevert is maar grof werk, al is het waar, dat het op dit gebied vaak ook ergelijk grof toegaat, al zijn de methoden misschien verfijnd listig. Ook daartegen richt zich het Woord. Dat kan gebeuren in de vorm van de levenswijsheid van de Spreuken, of in die van de felle prediking der profeten. Hoe toornt God door de mond van de profeet Amos tegen het verdrukken van de nooddruftigen, wier klederen men zelfs te pand neemt, terwijl men in z'n paleizen schatten opzamelt. Dat is niet goed te praten met verschil in talenten. Hoe beveelt God bij monde van Jesaja om ons brood te breken met de hongerige, de naakte te kleden en de arme verdrevenen in huis te brengen (Jesaja 58).
Op geen andere wijze vermanen de apostelen. Er zijn weinig dingen, die zo zeer afbreuk doen aan de kracht van de prediking, dan een levenspractijk van de gemeente, die naar de naam des Heren genoemd is, maar met Zijn gebod in strijd is.
De zonde tegen dit gebod (evenals trouwens tegen elk gebod Gods) is eigenlijk altijd een zaak van ongeloof. We geloven van nature niet, dat God God is, om op Hem alleen te vertrouwen. Hem te dienen en alle goeds van Hem te verwachten. Als het in ons leven scheef loopt tegenover dit gebod (en dat gebeurt telkens), dan is het altijd omdat ons leven scheef gelopen is tegenover God. Daarom komen we nooit in het rechte spoor, wanneer we niet bij het begin beginnen, ook van de Wet der 10 geboden, en leren vragen: Here, wat wilt Gij, dat ik doen zal?
Daar komt bij, dat ook dit gebod niet alleen een goddelijk, maar ook een geestelijk gebod is.
De zonde randt ons altijd aan in de kern van ons geestelijk-zedelijk leven. Zij maakt ons van heer over Gods talent (Ps. 8) tot slaaf, die tevergeefs worstelt in het zweet zijns aanschijns (Ps. 127). Ze maakt bij werkgever en werknemer het middel (kapitaal, loon) tot doel. Consequent maakt de zonde ons tot practische atheïsten.
Daartegenover staat rnaar één ding: de afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens (Zondag 33 in het hoofdstuk der dankbaarheid), de wedergeboorte des harten als voorbode van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.
Wat uit het vlees geboren is, is vlees; wat uit den Geest geboren is, is geest. Die Geest schrijft de Wet Gods op de vlezen tafelen van ons hart. Waar die Geest werkt, werkt zij vrijheid. Daar zitten we niet langer 'er aan vast'.
De liefde van Christus doet het ijs smelten. Hij geeft een priesterlijk hart, dat niet met Kaïn zegt: ben ik mijns broeders hoeder, maar dat met de Samaritaan bij het slachtoffer van roof en moordaanslag neerknielt. Hij leert bidden: geef ons heden ons dagelijks brood.
Dat is niet pas iets Nieuw-Testamentisch. Exodus 23 gebiedt de verdwaalde os of ezel van een vijand thuis te bezorgen en dat dier te helpen als het onder z'n last bezwijkt.
Wat tonen we weinig een koninklijk priesterdom te zijn. Wat moeten we ons schamen zo weinig voor de dienst Gods en voor de nood van onze naaste over te hebben, terwijl we zoveel nodig hebben voor onszelf, niet alleen voor onze nooddruft, maar ook voor allerlei luxe.
De grondfout is altijd weer de verleiding van het woord: gij zult als God zijn.
Maar de grote God van hemel en aarde zegt nog altijd: het land is Mijn. Dat betekent ook: uw vermogen en uw inkomen, uw banksoldo en uw kas.
God brengt ons ook in dit gebod op onze plaats. Hijzelf eist ook de plaats op, die Hem toekomt. En niet vanwege 'de rechten van de mens' (waar komen die vandaan? ), maar vanwege het recht dat God hem toekent eist God de plaats op in ons hart voor onze naaste, nabij of ver. Daarbij herinnert 1 Cor. 13 ons er aan, dat de daad koud, dood en waardeloos is zonder de liefde van ons hart. Op het altaar der dankbaarheid moet vuur branden, anders stijgen de kostbaarste offers niet omhoog. Daar komt alleen iets van te recht, wanneer vuur van het altaar van de grote Hogepriester ons koude hart aanroert.
Christus heeft ook dit gebod vervuld. Waar Hij rijk was is Hij arm geworden om arme zondaren rijk te maken (2 Cor. 8:9). Wat Hij niet geroofd heeft, heeft Hij betaald. Hij heeft den keizer gegeven wat des keizers is en Gode wat Gods is. Hij heeft voor Zijn vijanden voldaan. Hun schade en schande heeft Hij op Zich genomen. Hij is de grote Losser. Hij heeft het grote Jubeljaar, het jaar van het welbehagen des Heren uitgeroepen.
Aan Hem, Die geen plaats had waar Hij het hoofd nederlegde, hebben we het te danken, dat we een woning mogen hebben op deze vervloekte aarde. Als wij moesten leven als de primitieve volken van Afrika en Azië, hadden wij niets te zeggen.
Wat is onze rijkdom dan vol van beschamende verantwoordelijkheid.
Wat zou meer geloofsleven ons bevrijden van veel onrust, ook van veel sociale emoties, die in alle hevigheid vaak opkomen als het gaat om bepaalde percentages. Wat beseffen we weinig, dat de godzaligheid tot alle dingen nut is, omdat zij de belofte heeft van het tegenwoordige en het toekomende leven.
Diepere beleving van dit gebod zou ons meer gasten en vreemdelingen maken op de aarde met uitzichten naar het beloofde land.
Dit gebod, in verband met Hem, Die het gegeven heeft en met den Here Jezus Christus in Wien Hij alles gegeven heeft en geeft, moet ons dieper de waarheid doen verstaan van het woord: geeft en u zal gegeven worden. Daaraan zijn beloften verbonden zelfs voor een volgend geslacht, in tegenstelling met erfenissen, waarin een vloek meegaat.
Ook dit gebod van de tweede tafel krijgt z'n diepe betekenis en, z'n wijde strekking alleen in het vólle licht van de Wet en het Evangelie. Alleen zo blijft het levend. En niet door onze eigen kracht, maar door de kracht van Hem, bij Wien mogelijk is wat bij ons onmogelijk is, begint dit gebod een plaats te krijgen in ons hart en in ons leven.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's